Column Willem Kuiper, no. 20:
O.K. Simpson
Verschenen in: NEDER-L, 9510.12, oktober 1995
Ten tijde van Pippijn, koning der Franken, werden er twee jongetjes
geboren die wonderbaarlijk veel op elkaar leken. De een was de zoon van
de graaf van Alverne, de ander de zoon van een ridder, Bericaen
geheten. Toen ze door hun ouders naar Rome gebracht werden om daar door
de paus gedoopt te worden, ontmoetten zij elkaar in de stad Lucca. Daar
werden zij vriendjes en samen reisden ze verder naar Rome. Zo groot was
hun vriendschap en eensgezindheid dat de een niet zonder de ander wilde
eten of in een andere kamer slapen. En nadat ze aan paus Deusdedit
overhandigd waren, werden ze door hem gedoopt. De zoon van de graaf
noemde hij Amelius, de zoon van de ridder Amicus.
Zo begint het levensverhaal van Amicus en Amelius in het Speculum
Historiale (1256), de ultieme historische encyclopedie, geschreven voor
de Franse koning Lodewijk de Heilige (1215-1270) door een dominicanen
collectief onder leiding van Vincentius van Beauvais (ca. 1190-1264).
Na hun doop gaan de jongens weer naar huis en groeien daar op. Als
Amicus dertig jaar geworden is, sterft zijn vader. Zijn opvolging stuit
op verraad. Amicus wordt gedwongen te vluchten en hij besluit hulp te
zoeken bij Amelius. Die blijkt helaas niet thuis, want Amelius was nu
juist op zoek gegaan naar Amicus omdat hij gehoord had dat zijn vriend
zwaar in de penarie zat. Uiteindelijk besluiten beiden naar het hof van
Karel de Grote en diens vrouw Hildegard te gaan omdat men daar gastvrij
is en een onrechtvaardig verdrevene in bescherming neemt. Daar vinden
zij elkaar terug en tevens onderdak. Wat heet. Amicus wordt aangesteld
als schatbewaarder en Amelius als tafelmeester. Hogere
vertrouwensfuncties vallen er nauwelijks te vergeven: Geld is macht -
denk maar aan de compromisbereidheid van koning Nobel als die hoort dat
Reynaert over voldoende middelen beschikt om een staatsgreep te
financieren - en wat gif door het eten of in de wijn doen was gedurende
de Middeleeuwen de makkelijkste manier om iemand uit de weg te ruimen.
Na drie jaar trouwe dienst gaat Amicus AWOL. Hij vindt het de hoogste
tijd zijn vrouw weer eens op te zoeken. Tijdens zijn queeste naar
Amelius had een van zijn gastheren hem diens dochter als vrouw
aangeboden en Amicus had haar gehuwd, was anderhalf jaar bij haar
gebleven, maar had daarna zijn zoektocht voortgezet.
Amicus brengt Amelius van zijn voornemen op de hoogte, zegt hem
dat hij zo snel mogelijk zal terugkeren en waarschuwt hem voor twee
dingen: 2) pas op voor de dochter van de koning, maar 1) pas nog meer
op voor de verraderlijke Hardericus!
In het Oudfranse chanson de geste Amis et Amiles heeft de dochter een
naam: Belissans a la clere fason, Belissans met het stralende gezicht.
Ze haat Hardrez en is smoorverliefd op Amiles. Zo zeer heeft zij haar
zinnen op Amiles gezet dat ze hem meer dan eens tracht te verleiden.
Tevergeefs. Totdat ze van Amis' afwezigheid gebruik maakt, stilletjes
naar Amiles' slaapkamer sluipt en stilletjes bij hem in bed kruipt.
Amiles, die vrouwenvlees ruikt, maar in het stikkedonker
onmogelijk kan zien wie er bij hem in bed gekropen is - hooguit een
vermoeden heeft - bezweert de ongenode gaste als zij een hooggehuwde
vrouw dan wel Karels dochter is alsjeblieft weg te gaan. Maar als zij
van geringe afkomst is of een kamenierster, of ze dan alsjeblieft wil
blijven, hij zal haar de volgende morgen belonen met honderd zilveren
penningen, een klein vermogen.
Belissans, een brok vrouwenlist in topvorm, zegt er geen eentje.
Zwijgend kruipt ze tegen Amiles aan. En als die haar gracieuze en
delicate lijfje voelt en haar borstjes die 'par un petit ne sont dures
com pierres' dan ... Lang kan zij echter niet van haar triomf genieten,
want de verrader Hardrez betrapt hen, zet een keel op en gaat het aan
vader Karel vertellen.
Bij Vincentius gaat het er wat minder poetisch aan toe: Amelius vero
super regis filiam oculos iniecit, et eam quam citius potuit oppressit.
Dat is heel cru, te cru haast om te vertalen. Afwijkend van het chanson
de geste is ook dat Hardericus er geen weet van heeft. Het is Amelius
zelf die in een loslippige bui zijn geheim aan Hardericus verklapt, met
als gevolg dat die het op een onverwacht moment in Amelius' bijzijn aan
Karel vertelt. Amelius valt ter plekke in katzwijm.
Karel, die een zwak heeft voor Amelius weigert in dit
flauwvallen het levende bewijs van de juistheid van de aanklacht te
zien. Hij helpt Amelius vriendelijk overeind en moedigt hem aan zich
tegen Hardericus' beschuldiging te verweren. Amelius vat moed en zegt
dat men Hardericus niet moet geloven. Hij biedt een tweekamp aan waarin
God zal laten zien wie loyaal is en wie een 'dief'. Amelius staat zelfs
zo goed aangeschreven dat koningin Hildegard in hoogsteigen persoon
bereid is borg voor hem te staan.
Als Amicus terugkomt en hoort wat er gebeurd is, scheldt hij hem
eerst verrot. Daarna stelt hij voor van kleding te wisselen. Hij stuurt
Amicus van het hof weg, begeeft zich als ware hij Amicus naar het
strijdperk en zweert daar Karels dochter niet geschonden te hebben.
Zijn gelijk blijkt uit de slag waarmee hij Hardericus onthoofdt.
Aan deze zaak moest ik denken toen ik hoorde van de verontwaardiging
over de uitspraak in het proces O.J. Simpson. Deze zwarte sportheld
werd ervan verdacht zijn ex-vrouw en haar nieuwe vriend vermoord te
hebben. De politie-agent die als kroongetuige optrad, stond echter als
een racist te boek. Hij zou dus het bewijsmateriaal gemanipuleerd
kunnen hebben. Althans dat beweerde de verdediging. De jury die in
meerderheid zwart was, achtte Simpson daarom niet schuldig.
Een schoolvoorbeeld van rechtspraak als middel, niet als doel.
Waar of niet-waar hangt af van wat men wil dat waar is. Een
onwelgevallige waarheid is een leugen, een welgevallige leugen een
waarheid. Rechtspraak dient geen abstract, verheven doel, maar een
concreet: in het geval van Simpson had het er alle schijn van dat zwart
Amerika wilde dat het niet waar was.
Het Amerikaanse rechtssysteem leent zich optimaal voor dit
misbruik c.q. gebruik. Om te beginnen is er jury-rechtspraak. De
kolonialisten die aan de basis van de American Way of Live staan, waren
emigranten. Landverhuizers die omwille van het geloof of wegens
onderdrukking de weg naar de Nieuwe Wereld insloegen. De overheid is
voor hen per definitie een vijand. Daarom betalen ze amper belasting,
dragen zij wapens om zichzelf te verdedigen, en vertrouwen de
rechtspraak aan de medeburger toe. Die zal door de sociale controle
altijd een uitspraak doen die de gemeenschap behaagt, als de verdachte
al niet eerder gelyncht werd. Dit lukt des te beter omdat de
waarheidsvinding niet tijdens het vooronderzoek plaatsvindt, maar ter
gerechtszitting, een ideale voedingsbodem voor intimidatie en
manipulatie.
Het middeleeuwse rechtssysteem was tweeledig, je had kerkelijk recht
voor geestelijken, wereldlijk recht voor leken. Het lekenrecht was een
mengeling van Romeins en autochtoon recht. Essentieel was of je een
vrij man was of niet. Vrouwen waren geen rechtspersoon. Uit haar naam
sprak de vader, de voogd, de man of een broer. Onvrije mensen konden
met tortuur tot een bekentenis gedwongen worden. Vrije mensen mochten
niet gemarteld worden om te kijken of ze het gedaan hadden, maar wel
als ze het gedaan hebben. Dit om de gewenste bekentenis te krijgen.
Technisch bewijs van schuld werd onvoldoende c.q. onbevredigend geacht.
De adel onttrok zich zo veel mogelijk aan rechtspraak. Door
intimidatie van de tegenpartij trachtte zij in eerste instantie het
niet tot een klacht te laten komen, immers: geen klacht, geen recht. En
kwam het tot een zaak dan beriep zij zich op het recht op een
godsoordeel, een tweekamp waarin God ervoor zou zorgen dat degene die
het gelijk aan zijn zijde had, ook inderdaad zou overwinnen. Nu is het
een bekend verschijnsel dat iemand die voor een goede zaak vecht tot
een grotere prestatie in staat is dan iemand die weet dat hij fout zit,
maar de praktijk en de literatuur leerde dat het godsoordeel zo vaak en
zo gemakkelijk gemanipuleerd kon worden dat door de hierboven genoemde
Lodewijk de Heilige in 1260 de gerechtelijke tweekamp werd afgeschaft.
Willem.Kuiper@Let.UvA.NL
| P.S. | | Het leven van Amelius en Amicus is door Jacob van Maerlant
vertaald in de Spieghel Historiael (Partie III, boek 8, kap.
75-83) en apart uitgegeven door J.J. Mak. Zwolle 1954.
Opmerkelijk is dat Jacob in zijn vertaling 'weet' hoe de dochter
van Karel heet: Belicent. Blijkbaar kende hij een volkstalige
versie van het verhaal. |
|