|
Date: Tue, 7 Sep 1999 23:58:11 +0200 (MDT)
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@let.uva.nl>
Subject: Artikel 'God wil het!', zoals verschenen in
De Groene Amsterdammer, 1 sept. 1999, p. 14-15
Willem KuiperGod wil het!
Zoals verschenen in:
De Groene Amsterdammer, 1 september 1999, p. 14-15
De behoefte de heilige plaatsen te bezoeken waar Jezus Christus geleden had
en gestorven was, had de middeleeuwse mens van niemand minder dan Zijn
moeder Maria. Na de kruisdood van haar zoon neemt zij haar intrek in een
huisje van haar pleegzoon en biograaf, de apostel en evangelist Johannes, in
het buiten de muren van Jeruzalem gelegen Dal van Josafat, waar het Laatste
Oordeel zal plaatsvinden (Joël 3:2). Als een dwaze moeder
loopt en kruipt Maria dagelijks klagend en treurend Zijn lijdensweg en houdt
zij biddend halt bij alle gedenkwaardige plaatsen, de belangrijkste het paleis
van de Joodse bisschoppen Annas en Cayphas, waar Hij met doornen
gekroond werd, de berg Calvarien, waar Hij aan het kruis stierf, en het Heilig
Graf, waarin in Hij drie dagen rustte voordat Hij op Pasen verrees.
Veertig jaar later werd Jeruzalem
ingenomen door de Romeinse keizers Titus en Vespasianus, die in de ogen
van de middeleeuwers als Zijn wrekers optraden en daarmee de heilige
plaatsen weer toegankelijk maakten, die door de Joodse bisschoppen tot
verboden terrein waren verklaard nadat zij eerst alle stille getuigen
verdonkeremaand hadden. Gelukkig kon de heilige Helena, de moeder van
keizer Constantijn de Grote bij een bezoek aan Jeruzalem zowel het Heilig
Kruis alsook de nagels waarmee Hij aan het kruis geslagen was terugvinden.
Andere belangrijke voorwerpen zoals de doornenkroon en het zwaard
waarmee Petrus nog enig verzet geboden had - wat hem in de ogen van
de middeleeuwers bestempelde tot de enige 'man' onder de apostelen -
de doek van Veronica en niet te vergeten de Graal, waren of werden ook
teruggevonden en geconserveerd.
Dat de mens zondig was, hoefde je de
middeleeuwse mens niet te vertellen, evenmin als dat daar remedies voor
bestonden. Men kon vasten en onthouden, aalmoezen geven, bidden en goede
werken verrichten, maar men kon ook heilige plaatsen bezoeken: op bedevaart
gaan. De middeleeuwse wereld kende naast talloze kleine(re)
bedevaartsoorden drie toplocaties: op de derde plaats het graf van de apostel
Jacobus de Meerdere in Santiago de Compostella, op de tweede plaats de
graven van de apostelen Petrus en Paulus te Rome, en met afstand op een: het
Heilig Graf te Jeruzalem.
Jacobus was een volle neef van Jezus en
- nadat hij eerst met weinig succes geprobeerd had Spanje te
bekeren - werd na Zijn dood bisschop van Jeruzalem, totdat hij in AD
44 onthoofd werd en zijn lichaam per schip naar Galicië vervoerd werd.
Daar werd hij begraven. Als de Saracenen - gedurende de
Middeleeuwen een verzamelnaam voor alles wat moslim en/of Arabier
is - Spanje binnen vallen, en zijn graf verwoesten, verschijnt Jacobus in
een droom aan Karel de Grote en spoort hem aan een kruistocht naar zijn graf
te ondernemen, wat Karel inderdaad doet. Eerder al had (volgens
middeleeuwse biografen) Karel Jeruzalem bezocht en was hij keizer van
Rome gekroond.
Staatkundig viel het Heilig Land onder het Romeinse Keizerrijk, dat ten tijde
van Jezus van Nazareth nog afgoden als Apollo, Diana en Jupiter aanbad,
maar na verloop van tijd het christendom als staatsgodsdienst invoerde. Na de
ondergang van het Westromeinse Rijk kwam het wereldlijk gezag van de
heilige plaatsen in handen van de keizers van Constantinopel.
In het begin van de elfde eeuw veranderde
de politieke en religieuze situatie radicaal. Tot circa 1040 leefden de
christenen in betrekkelijk vreedzame coëxistentie met de Fatimiden,
sjiitische moslims die vanuit hun hoofdstad Caïro over Palestina
heersten. Maar toen die verdreven werden door de agressievere sunnitische
Seldsjoeken werd het Heilig Land voor de bedevaartgangers gesloten. Omdat
diezelfde Seldsjoeken een militaire bedreiging vormden voor de Oostromeinse
steden in Klein Azië vroeg de keizer van Constantinopel hulp aan de
paus van Rome. En niet tevergeefs: tijdens het concilie van Clermont in
Auvergne, november 1095, deed paus Urbanus II de oproep tot een kruistocht.
De respons was onverwacht groot en heftig. Om zeer uiteenlopende redenen
voelden arm en rijk, potentaten en machtelozen, opportunisten en ware
gelovigen zich geroepen het kruis op te nemen, en op weg te gaan naar het
Land van Over Zee.
De Eerste Kruistocht is tamelijk goed gedocumenteerd, er zijn verschillende
reisverslagen bewaard gebleven. Sober en met gevoel voor understatement is
de Gesta Francorum et aliorum Hierosolimitanorum (de Wapenfeiten
van de Franken en andere Jeruzalemgangers) geschreven door een anonymus
uit het leger van de Normandiër Bohemond van Tarente,
één van de toonaangevende aanvoerders. Uitbundiger de
Historia Hierosolymitana (de Jeruzalemse Geschiedenis) van Folchert
van Chartres, eerst in dienst van Stefen van Bloys, later kapelaan van
Boudewijn van Vlaanderen. Maar voordat deze grote heren zich op weg
begaven, waren er al talloze doden gevallen.
De oproep het Heilig Graf te bevrijden
werd verspreid door speciale predikers, even charismatische als populistische
redenaars die mensen bedwelmden met loze beloften en hen met een
godvrezende moordlust vervulden. De meest spraakmakende was Pieter de
Heremiet, afkomstig uit Amiens, die in het Heilig Land tot priester gewijd
was en daar met eigen ogen gezien had hoe het nieuwe regime met de heilige
plaatsen omsprong. Pieter trok zich dit zo aan dat de almachtige Vader hem in
een droom verscheen en hem opdracht gaf de bevrijdingstocht te ondernemen.
Hij ging naar de paus, deed zijn verhaal en kreeg toestemming de door God
gewenste kruistocht te prediken: wie meedeed kwam gegarandeerd in de
hemel, wie stierf deed dat als martelaar. Het was een heilige oorlog en
één van de leuzen die men riep was Dieu le volt: God
wil het!
Aanvankelijk recruteerde Pieter de
Heremiet voornamelijk avonturiers, mensen die makkelijk weg konden of
gemist worden, halve of hele criminelen en daarnaast wat verarmde adel en
ridderschap. Dit leger te voet, slecht bewapend, nauwelijks bevoorraad,
volstrekt ongedisciplineerd, maar met voldoende vrouwen in de gelederen om
onderweg aan zijn gerief te komen, trok langs de Rijn richting Mainz om daar
de weg naar Wenen te nemen om via Boedapest, Belgrado, Niž en Sofia
eindelijk Constantinopel te bereiken. Daar zou men Sint Joris' Arm (de
Bosporus) oversteken en zou men Romenie, de regio rond Nicea en
Nicomedia (het huidige Izmit) gaan bevrijden op een manier die overeen zou
komen met de wijze waarop Jericho viel (Jozua 6).
Maar weinigen kwamen zo ver. In het
begin was koning Karloman van Hongarije bereid om onder strikte
voorwaarden deze haveloze dwepers doortocht te verlenen, maar toen de
hongerende massa aan het roven en moorden sloeg, werden zij die er niet in
slaagden de grens van Bulgarije te bereiken en masse doodgeslagen.
Vergelijkbare tochten, opgang gepreekt
door Godschalk van Torhout, een andere volksmenner, verliepen net zo of
nog erger. Helemaal bont maakte een gezelschap van Vlamingen, Engelsen,
Brabanders en Lotharingers het, dat onder leiding van ene Emich van
Leiningen onderweg, te beginnen in Keulen, alle Joodse wijken plunderde en
de inwoners om het leven bracht. Behalve een zooi hoeren hadden zij ook nog
een geit en een gans in hun gelederen, waarvan zij beweerden dat die vervuld
waren van de Heilige Geest. Toen dit gezelschap in Hongarije arriveerde, was
men gewaarschuwd. Men sloeg de mannen dood, nam hen alle buit af en
verdeelde de vrouwen en kinderen.
Jacob van Maerlant (tweede helft dertiende
eeuw) - die zeer begaan was met de strijd tegen de ongelovigen en daar
uitvoerig over schreef in zijn Spiegel historiael - kon er geen
traan om laten. In een kruisvaardersleger is geen plaats voor vrouwen, en ook
was hij het niet helemaal eens met de moord op de Joden. Als dat ter ere van
God gebeurd was, dan zou hij ermee ingestemd (kunnen) hebben, maar nu het
motief roof en niets anders dan dat was, sprak hij er schande van. Maar die
gans en die geit vond hij het allerergst, en daarom was hun straf verdiend.
Voor zover bekend waren er in deze regio,
Keulen en het Rijnland, niet eerder zulke uitbarstingen van Jodenhaat. De
Joden waren in de ogen van de christenen verantwoordelijk voor de kruisdood
van Gods Zoon, en natuurlijk was hun godsdienst inferieur aan het eigen
geloof, maar wat de Joodse religie exact beleed, was maar enkelen bekend.
Hetzelfde gold voor de islam - die men voor een polytheïstische
godsdienst hield met aan het hoofd een pseudo-drieëenheid: Mahomet,
Tervogant en Apolijn - en de Grieks-orthodoxe kerk, die na het schisma
van 1054 als ketters ervaren werd. Zoals wel vaker werd de volkswoede niet
ingegeven door kennis van zaken.
Vandaar dan ook dat keizer Alexis van
Constantinopel er niet over piekerde deze hooligans binnen zijn muren te
laten, wat het wantrouwen van de 'pelgrims' nog groter maakte. Ze werden zo
snel mogelijk de Bosporus overgevaren en aan land gezet. Daar vervielen ze
in hun oude gedrag en werden ze door sultan Soliman vernietigend verslagen.
Ondertussen was de heersende klasse voorbij het stadium van alles beloven
maar niets doen, en werden er serieuze expedities op het getouw gezet. Die
had direct na de oproep gelden voor de kerk geconfisceerd als aanbetaling op
de te maken kosten, en werd nu gedwongen de daad bij het woord te voegen.
Uit Zuid-Frankrijk kwam Raymond van Saint Gilles, vanuit het Normandische
koninkrijk Napels/Sicilië vertrokken Bohemond van Tarente en Tancred
van Apulië, uit onze streken kwamen Robrecht de Fries en Godevaert
van Bouillon met zijn broers Boudewijn en Eustaas. Ook Godevaerts weg
voerde over de Balkan, maar door het geven van gijzelaars, voldoende geld
om onderweg voedsel te kopen en een straffe discipline kwam men veilig en
wel in Constantinopel. Daar slaagde Godevaert erin Hugues, broer van koning
Lodewijk de Heilige van Frankrijk, uit de keizerlijke gevangenis te praten.
Hierna volgde de oversteek en een helse tocht dwars door Turkije naar het
christen koninkrijk (Klein) Armenië, het vroegere Silicië of
Tharsus.
Uiteindelijk bereikte men Syrië en
sloeg men het beleg rond Antiochië. Het beleg duurde een eeuwigheid,
de omstandigheden waren onmenselijk zwaar en meer dan eens was de
motivatie volledig zoek. Gelukkig geschiedde er tijdens zulke dieptepunten
steevast een wonder: er werd een relikwie - de lans waarmee Christus'
zij doorstoken zou zijn - gevonden of iemand kreeg een verschijning
van een apostel, de moedermaagd of haar Zoon, waarin een goede afloop
werd voorspeld mits men maar zijn leven beterde en volhield. Het werkte.
Antiochië werd door verraad ingenomen en daarmee lag de weg naar
Jeruzalem open.
De overwinning wierp wel een probleem
op: Wie zou nu heer van Antiochië worden? De keizer van
Constantinopel dacht hijzelf, maar de kruisvaarders dachten van niet. Zij
hadden de stad veroverd en dus zouden zij het bezit ervan onderling
betwisten. Nu bleek zonneklaar dat velen niet gekomen waren om Jeruzalem
te bevrijden, maar om een deel van het Heilig Land te beheren. Eenmaal graaf
van Antiochië, Edessa of Tripolis was voor de gelukkige wat hem
betreft het einddoel gehaald en was hij niet meer bereid door te gaan naar
Jeruzalem. Alle middelen werden ingezet om het nieuw verworven bezit te
consolideren.
Desondanks bereikte men, bijna vier jaar na
de oproep, in de lente van 1099 de heilige stad, die na een beleg van enkele
maanden op 15 juli viel. Drie dagen lang werd er gemoord. Daarna werd er
op het Heilig graf gebeden, koos men Godevaert van Bouillon tot de eerste
koning van het koninkrijk Jeruzalem, en keerde men terug naar huis.
Godevaert vierde het Kerstfeest van zijn leven, stierf nog geen jaar later en
werd in een geur van heiligheid begraven aan de voet van de Calvarieberg.
Jeruzalem veroveren bleek gemakkelijker dan de stad verdedigen, wat ook
gold voor de andere steden en burchten. Een poging Damascus te veroveren
was in 1148 (de Tweede Kruistocht) op een fiasco uitgelopen, en maakte een
einde aan de mythe van onoverwinnelijkheid van de kruisvaarders. De
Saraceense overmacht bleek te groot, het hete droge land kon weinig mensen
voeden en men was te zeer afhankelijk van wat over zee per schip werd
aangevoerd door met name Italiaanse kooplieden, die hun goederen tegen
woekerprijzen van de hand deden. Om een permanente bezettingsmacht
mogelijk te maken werden er ridderorden opgericht als de Tempeliers en de
Johannieters, vechtende monniken die enorme burchten bouwden op de
belangrijkste halteplaatsen Malta, Kreta, Rhodos, Cyprus, het koninkrijk
Armenië, de Libanon. Het mocht niet baten. Nieuwe expedities en
diplomatiek overleg waren nodig om het koninkrijk Jeruzalem tegen de
Saracenen te verdedigen.
Tussen 1187 en 1190 werden de
kruisvaarders weggevaagd door de legendarische Saladin, waarop de
Westeuropese vorsten reageerden met een Derde Kruistocht tussen 1191 en
1197, waarmee de kuststreek heroverd werd. De Vierde Kruistocht die
bedoeld was Egypte te veroveren komt niet verder dan de inname van
Constantinopel en het uitroepen van het Latijnse keizerrijk Constantinopel,
met graaf Boudewijn van Vlaanderen als eerste keizer.
Egypte was ook het doel van de Vijfde
Kruistocht (1217-1221), waarbij Damiate wordt ingenomen. De bevlogen
Franse koning Lodewijk IX, toegenaamd 'de Heilige', doet tussen 1248 en
1254 een hernieuwde poging het Heilig Land te veroveren, wordt echter
gevangen genomen en moet zich tegen een formidabele losprijs vrijkopen. Als
hij het in 1270 nog eens probeert, sterft hij aan de pest op de stranden van
Tunis.
In 1291 valt het doek definitief met de val
van de havenstad en laatste bruggehoofd Saint Jehan d'Acres (het huidige
Akko), het plaatselijke hoofdkwartier van de Johannieters.
Gelukkig betekende de ondergang van het christen-koninkrijk Jeruzalem en de
omliggende graafschappen niet het einde van de pelgrimage. Met de
Saracenen - die men evenzeer bewonderde als haatte - werd een
modus vivendi overeengekomen waarbij de orde der Franciscanen als
exclusief reisbureau optrad. Deze kregen als enigen toestemming zich in het
Heilig Land te vestigen en de bedevaartganger rond te leiden langs de heilige
plaatsen. De pelgrims - duizenden per jaar - dienden zich met
eigen vervoer naar Venetië te begeven, en gingen vandaar verder met
een geheel verzorgde bootreis die hen naar Jaffa bracht, waarna zij door
professionele tolken gedurende een dag of tien door het Heilig Land gejaagd
werden, waarna zij de terugtocht aanvaardden met een boekje, waarin stond
hoe zij gereisd en wat zij gezien hadden.
De eindoverwinning verplaatste zich van
het slagveld naar de literatuur. De dertiende, maar vooral de veertiende eeuw
kent tal van teksten, zowel episch als pseudo-historiografisch
- Boudewijn van Seborch, Meluzine, Seghelijn van
Jeruzalem, maar ook de abele spelen Esmoreit en
Gloriant - waar geheel in strijd met de harde realiteit de zoete
droom van het Land van Overzee onder een christen koning alsnog
bewaarheid wordt.
Literatuuropgave:
- Josephie Brefeld, A guidebook for the Jerusalem Pilgrimage in the
Late Middle Ages. Hilversum 1994.
- G.H.M. Claassens, De Middelnederlandse kruisvaartromans.
Amsterdam 1993.
- Rosalind Hill (ed.), Gesta Francorum et aliorum
Hierosolimitanorum. London etc. 1962.
- Jacob van Maerlant, 'Van eere consilien diemen hielt, ende hoe die vaert
van Over Zee began biden paues Urbane', in: Spiegel historiael, Partie
IV, Boek 3, hoofdstukken 1-25.
- Martha McGinty (ed.), Fulcheri Carnotensis Historia
Hierosolymitana. New York 1978.
- Danielle Régnier-Bohler (red.), Croisades et
pèlerinages. Récits, chroniques et voyages en Terre Sainte,
XIIe-XVIe siècle. Paris 1997.
- Jonathan Riley Smith, The Atlas of the Crusades. London 1991.
- Jonathan Riley Smith, The Oxford illustrated history of the
crusades. Oxford 1995.
|