# Date: Thu, 03 Feb 1994 15:41 +0100 (MET)
Column Willem Kuiper, no. 4: Al partij gekozen in de spellingstrijd?Onze spelling is ontstaan in de dertiende eeuw. Niet dat er nooit eerder Dietsch geschreven werd, maar dat was dan wel hoogst ongebruikelijk. Schrift was magisch, heilig zelfs. Het waren enkel gewijde handen die konden schrijven, tot meerdere eer en glorie van Het Woord dat vlees geworden was. Schrift gebruiken voor de volkstaal grensde aan blasfemie, was net zo absurd als je hond wijn te drinken geven. Maar goed, vanaf ongeveer 1100 verliest de moederkerk haar monopoliepositie voor wat betreft pen, inkt en perkament en gaat men er langzaam maar zeker toe over ook in de volkstaal te schrijven. In de (zuidelijke) Nederlanden zal het verschriftelijkingsproces rond 1200 begonnen zijn, het noorden volgde later, en omstreeks 1350 was het volstrekt gewoon geworden in de volkstaal te schrijven.De spelling van het dertiende-eeuwse Middelnederlands was direct afgeleid van het (middeleeuws) Latijn. Dit kende 23 letters: A B C D E F G H I K L M N O P W R S T V X Y Z. In feite waren het er slechts 20. De K kwam alleen maar voor in 'kalenda' en de Y en Z werden uitsluitend voor Griekse leenwoorden gebruikt. Met die twintig letters kon alles onder woorden gebracht worden. Dat ging als volgt. Neem het werkwoord `komen', de eerste persoon enkelvoud o.t.t. `ik kom'. Het Latijn kent het woord `hic' (hier) en de lettergreep `com' (samen). Dat werd dus `ic com'. Voor de verleden tijd maakte men gebruik van een ander woord `quam' (als), dus: `ic quam'. Zo ontstond er een geschreven Middelnederlands aanvankelijk zonder K's, Y's en Z's en met een letter voor zowel een korte als een lange klinker: `man' kon dus zowel `man' als `maan' betekenen. Waar men de H als een zachte G uitsprak, `Gendrik' bijvoorbeeld, spelde men H waar wij CH schrijven: `ic sah'. Dit Middelnederlands leest in onze ogen niet lekker weg. Je moet het uitspreken om te begrijpen wat er staat. Dat deden ze trouwens zelf ook. Men las hardop, meer met de oren dan met de ogen. Vanaf de veertiende eeuw zien we twee ontwikkelingen naast en door elkaar. Enerzijds gaat men de spelling meer of beter aan de uitspraak aanpassen, anderzijds gaat men de spelling visueler maken. Omdat in het middeleeuws Latijn de C vaak als `tsj' werd uitgesproken ging men voor alle duidelijkheid de harde K van `kalenda' toepassen: `ick', `kerk'. De Z is zijn opmars aan de kust begonnen en daarna landinwaarts getrokken. De Y werd gebruikt in plaats van de I als er een visueel verwarrende letter naast staat, een U, M of N: `suycker', `hynder'. Om dezelfde reden schreef men soms `jn' (in) en `mj' (mi). Om aan te geven dat een klinker lang was, verdubbelde men soms de klinker: `grot' - `groot', maar gebruikelijker was een E `groet' of een I als aanwijzing dat de klinker lang was: `oirbaer'. De combinatie II ging men als IJ schrijven, een gewoonte die men aan de rekenkunde ontleende. Anders dan men vaak hoort beweren door spellingvereenvoudigers spelde men gedurende de Middeleeuwen niet voor zijn mallemoerskont weg. Vergeet het maar. De gevarieerde spelling zoals we die in met name de profane bellettrie aantreffen is het gevolg van een opeenstapeling van spellingconventies langs de assen tijd en plaats en niet van willekeur, onbenul of onverschilligheid. Ervaren schrijvers hanteerden een vaste spelling die een compromis was tussen de (Latijnse) traditie - `wtgeuen', `clerk' - de uitspraakpraktijk van alle dag: `mensche', `ghenuechte' - en de voortschrijdende verschriftelijking: `tfolc' en `opten' worden geschreven als `dat volc' en `op den'. Vanaf de vijftiende eeuw zie je in het proza een `syntactisch' onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters. Voor die tijd hadden majuskels haast uitsluitend een decoratieve functie. Ook gaat men steeds vaker de volkstaal van interpunctie voorzien. Het Amsterdamse handschrift van de Legenda Aurea (AD 1438) waarvan ik het Zomerstuk nu bijna af! heb, is in zijn presentatie al zeer `modern'. De combinatie majuskels (`hoofdletters', punten en rubriek (letters met rode verf doorhalen) heeft als resultaat een uiterst (voor)leesbare tekst. In de zestiende en zeventiende eeuw krijgt het Nederlands een min of meer uniforme spelling, mede dankzij het vliegwieleffect van de Statenvertaling. Van tijd tot tijd paste men de schrijfwijze aan de uitspraak aan, maar andersom gebeurde ook: men paste de uitspraak aan de schrijfwijze aan: `kopij'.
Een geval apart vormen de eigennamen. Die zijn betekenisvol begonnen.
Men heet niet zo maar De Rover, Goedegebuure of Grootendorst, daarvoor
moet een reden geweest zijn. Maar zodra zo'n `toenaam' de status van
familienaam krijgt, verliest hij zijn inhoud, wordt gefixeerd en dient
alleen nog maar ter identificatie. Om die reden ontrekt de spelling van
eigennamen zich vaak aan veranderingen in de spelling (`Cruyff') en
verhullen de veranderingen in de uitspraak de oorspronkelijke
betekenis. Men heet geen `Klever' omdat men kleeft, maar omdat toen de
naam ontstond `klaver' als `klever' werd uitgesproken. `Wyers' is niet
`Wij-ers' zoals ze in Amsterdam zeggen, maar `Wiers'. Het is ook niet
`Renee Zoutendijk', maar `Zoetendijk'. In het Zeeuws gebruikte men ou
waar wij oe schreven, dus `bouc' in plaats van `boek'. `John van Loen'
heet eigenlijk `John van Loon'.
Een taal leren is moeilijk, ook de moedertaal. Mijn reservedochter van 4 jaar en 5 maanden worstelt momenteel met de sterke werkwoorden. Afschaffen en voortaan alles zwak vervoegen? Straks zal ze leren spellen. Ik herinner me nog de problemen van de Zaans sprekende kinderen in mijn eerste klas Lagere school. Je zult maar opgegroeid zijn in een wereld van skoen, skuur en skeet, schaai en schoda, waar je `ik kan' uitspreekt als `ik ken' en `ik lig' als `ik leg', waar een `keuken' een klein kippetje is en een `kuiken' het kookvertrek, waar S als een Z en de V als een F en omgekeerd wordt uitgesproken. En heb je het spellen een beetje onder de knie, dan gaan ze je ontleden leren.
Spelling is een compromis tussen schriftelijk en mondeling taalgebruik,
tussen traditie en praktijk. Normale mensen die intensief lees- en
schrijfonderwijs krijgen, kunnen - als zij dat willen - betrekkelijk
foutloos leren spellen. Het opbouwen van een woordbeeld in het geheugen
is een tijdrovende en arbeidsintensieve bezigheid. Maar is men eenmaal
zo ver dat men woorden leest in plaats van letters of lettergrepen
spelt, dan kan men in hoog tempo en praktisch moeiteloos geschreven of
gedrukte teksten begripvol tot zich nemen.
Spelling is geen kwelling, maar `gewoon' een kwestie van oefenen. Veel lezen, veel schrijven, en af en toe een woordenboek raadplegen, desnoods de spellingcorrector van je tekstverwerker. In een maatschappij waarin de boekhandel plaats heeft moeten maken voor de tijdschriftenwinkel, en waarin lezen verdrongen wordt door plaatjes kijken en MTV, is elke spelling moeilijk. Die moeilijkheden los je niet op met een commissie, net zo min als voetbalvandalisme of winkeldiefstal. Hoe dan wel? Verbeter de PABO's, verklein de klassen. Willem Kuiper. |