# Date: Mon, 09 May 1994 17:15 +0100 (MET)
Column Willem Kuiper, no. 7: Zoekt en gij zult vinden?`Zoekt en gij zult vinden!' (Matheus 7: 8). Aldus spreekt Jezus van Nazareth in de bergrede zijn volgelingen moed in.Dat zul je een wetenschapper niet gauw na horen zeggen, behalve als hij college geeft. Maar voor ons soort mensen was die uitspraak ook niet bedoeld. De bergrede opent niet voor niets met de woorden: `Zalig de armen van geest'. Welke uitspraak ik ooit eens een vakkenvulster in de supermarkt na een vraag van een klant hoorde citeren als: `Zalig zijn de eenvoudigen van geest'. Waarna een samenwerkende vakkenvuller antwoordde: `Want daarvan zijnen der het meest'. Nee, de stelling luidt: `Je vindt bijna nooit wat je zoekt, soms iets dat je ook zocht, vaak iets dat je niet zocht.' Laat mij u daarvan een voorbeeld geven. Elke maandag ben ik verbonden aan de afdeling Naamkunde van het P.J. Meertens-Instituut KNAW voor Dialectologie, Naamkunde en Volkskunde. Samen met de Nijmeegse INGM (Index Nominum Generalis Medioneerlandicorum) redactie en drie `documentalisten' werk ik aan een Repertorium van Middelnederlandse (Literaire) Eigennamen. Over een jaar of twee zou het eerste deel klaar moeten zijn: alle namen van mensen, dieren, steden, landen, wapens enzovoort uit de ridderepiek. Hoewel ik nooit een uur college Naamkunde volgde, heb ik iets met namen. Zo had ikzelf eigenlijk Frans moeten heten. Dat wil zeggen, die naam hadden mijn vader en moeder voor mij uitgekozen. Totdat opa Kuiper zich ermee ging bemoeien. Opa heette Wim, mijn vader heette Wim, dus moest ook ik (zijn eerste kleinzoon die Kuiper zou heten) Wim heten. (Om geen ruzie te krijgen ben ik toen maar naar alle vier mijn grootouders genoemd: Wilhelmus Theodorus Jacobus Maria.) Opa Kuiper was nogal groot. Hij was beurtschipper en verwekker van 17 kinderen. Zijn oudste zoon noemde hij Jan. Na een aantal jaren kreeg hij weer een zoon, en noemde die ... Jan. Dat werd dus Grote Jan en Kleine Jan. En ik werd Willem. Zo luidde mijn straatnaam. Waar ik opgroeide - de Zaanstreek - had je vaak meer dan een naam. Schuin tegenover ons woonde een jongen met drie namen: Wim, Piet, Neeltje. Zijn ouders noemden hem Wim, zijn broers en zusters Piet, zijn vrienden Neeltje. Wim - Willem ligt nog altijd heel gevoelig. Wim is netjes, Willem heeft iets volks. (Het was ook Wim Sonneveld en Willem Parel.) Hetzelfde heb je met Dik en Dirk, Johan en Joop, Hendrik en Henk. Mensen die mij niet goed kennen, zullen mij niet gauw met Willem aanspreken, bijna altijd met Wim. Jaren heb ik mij afgevraagd hoe anders ik geweest zou zijn als ik Frans geheten zou hebben.
Gedurende de Middeleeuwen waren namen (nog) magisch: nomen est omen (je
naam is je lot). Ze bezaten een kracht die je op kon roepen door de
naam uit te spreken: `Ave Maria', en weg was de duivel. Of die je
(bewust) niet kon oproepen door hem niet uit te spreken: `Joost mag het
weten', waarbij `Joost' een taboenaam voor de duivel is, want als je
het over de duivel hebt, dan trap je hem op zijn staart. Je had ook
bastaardvloeken: `Gans longen', of: `Gans bloed', waarbij `Gans' voor
`God' staat. `Bi Lode' vloekt koning Artur in de Ferguut. Ze bestaan
nog altijd. Denk maar aan `Jeetje', `Jeminee', `gatverdarrie',
`verdulleme' enzovoort. Men was er zo van overtuigd dat een bezwering
of (ver)vloek(ing) alleen maar werkte als hij perfect werd
uitgesproken, dat men er even zeker van was dat men gevaarloos zijn
gemoed kon luchten door er iets aan te veranderen. God was volgens de
theologen weliswaar almachtig, alwetend en alomtegenwoordig, maar in de
(leken)praktijk van alledag vermoedde men een zekere vorm van
nachtblindheid en regelmatig voorkomende concentratiestoornissen.
Anders dan de Romanistiek beschikt de Neerlandistiek niet over
repertoria van eigennamen. Een groot gemis waarmee ik geconfronteerd
werd toen ik trachtte te achterhalen waar alle namen uit het tweede
stuk van de Ferguut vandaan kwamen. Wat was de literaire horizon van de
(tweede) auteur? Hoe ver ging de belezenheid c.q. beluisterdheid van
zijn publiek? Waarom heet de koning die Galiene in haar burchtstad
Rikenstene belegert `Galarant' en zijn neef `Macedoene'? In de
Oudfranse Fergus draagt de koning geen naam en heet zijn neef
`Artofilaus'. De naam van de neef zal wel (positief?) geïnterpreteerd
moeten worden als `de Macedoniër'. Alexander de Grote was een
Macedoniër. Wat dat betreft belooft de naam veel goeds, maar het gedrag
van de neef kenmerkt zich voornamelijk door zijn grote bek, en dat is
dan ook de reden dat Ferguut hem doodt. Al lezende in de
Middelnederlandse epiek kwam ik ook in andere teksten een `Galarant'
tegen. Zou dat dezelfde zijn? Waren er intertekstuele relaties tussen
die teksten?
Maar ik zou u een voorbeeld geven van dat je niet vindt wat je zoekt en
wel vindt wat je niet zoekt. Bij het nog eens inventariseren van de
eigennamen van de abele spelen besloot ik ook de sotternieën te
excerperen. Tevens een gelegenheid om na te gaan of de auteur van de
abele spelen dezelfde was als de man die de sotternieën (letterlijk
`gekkigheden') schreef. Ik denk het niet, maar het corpus is zo klein
dat daar heel moeilijk met zekerheid uitspraken over te doen zijn. Na
Lippijn en De buskenblazer was het de beurt aan De heksen. Een ietwat
ongelukkige titel, bedacht door Heinric Hoofdman von Fallersleben
(1798-1874), een Duitse pionier op het gebied van de Middelnederlandse
letterkunde. De sotternieën dragen in het handschrift-Van Hulthem geen
titel, enkel het opschrift `Hier beghint die sotternie'. Het woord
`hexe' is een anachronisme.
Een heilige die ongeluk bezorgt? En wie is sente Bride?? In de Legenda Aurea - het zomerstuk is inmiddels af, in kleur zelfs - komt ze niet voor. De laatste editeur van De Hexe, J. Vromans, in: Klein Kapitaal uit het Handschrift-Van Hulthem, een kruising tussen een huldebundel voor de Utrechtse mediaevist Fons van Buuren en een bloemlezing uit het handschrift-Van Hulthem, heeft gezocht en identificeerde met behulp van The Oxford Dictionary of Saints sente Bride als de Ierse heilige Brigida. Feestdag 1 februari, beschermster van het vee. Geen kwaad woord over dit naslagwerk, ik gebruik het zelf ook, maar omdat dit boek in de veertiende eeuw nog niet bestond, keek ik voor alle zekerheid ook nog even in het MNW, het Middelnederlandsch Woordenboek. Je weet maar nooit. En ja hoor, in de roos. Eelco Verwijs - dezelfde - die samen met Jacob Verdam - eveneens - redacteur van dit woordenboek was en die ook had meegewerkt aan een editie van Jacob van Maerlants Spiegel Historiael, vermeldt haar naam als lemma en verwijst daarbij naar Jacobs Spiegel. Wat blijkt, Jacob wijdt een heel stuk aan deze sente Bride die volgens Jacob in Schotland stierf. Jacob die het Speculum Historiale van Vincentius van Beauvais vertaalt, verwijst hier ook expliciet naar Segebrecht (van Gembloux, ca. 1030-1112). In de Spiegel lezen we hoe Brigida koeien moest melken en boter karnen, wat ze te weinig deed omdat haar gedachten bij de Heer verwijlden, en wat ze had gaf ze weg aan de armen. Toen haar strenge moeder kwam kijken wat ze uitgevoerd had, bad ze tot God, en wonder o wonder, ze had de meeste melk gemolken en boter gekarnd. Voor melaatsen veranderde zij eens water in bier, en ooit redde zij een simpele man het leven, die in het hof van de koning een tamme vos gedood had in de veronderstelling dat de vos wild was. Sente Bride begaf zich naar het hof, kwam onderweg een vos tegen die zich als tam liet meenemen, en gaf deze aan de koning. De man werd vrijgelaten, en toen het donker was, ging de vos weer terug naar zijn hol. U begrijpt waar ik heen wil. De auteur van deze sotternie refereert in De Haxe overduidelijk aan leven en werken van de heilige Brigida. Dat zij hier bekend was, blijkt niet alleen uit de Spiegel Historiael. Zij komt ook voor in het getijdenboek van Geert Groote, en volgens het Dictionary of Saints wordt haar tunica bewaard te Brugge in de St. Donaaskerk. Maar hoe zit het dan met de andere personages? Luutgaert zou in verband gebracht kunnen worden met Lutgard van Tongeren (1182-1246), wier leven beschreven werd door de Dominicaan Thomas van Cantimpré (ca. 1200-ca. 1273). Thomas zou aan haar medezusters Lutgards hand als aandenken gevraagd hebben (na haar dood, wel te verstaan; je had toen nog geen foto's moet u maar denken), uiteindelijk kreeg hij haar pink. Nu nog Machtelt en Juliane geduid. Iemand een idee? Willem Kuiper - Kuiper@Alf.Let.UvA.NL |