# Date: Mon, 30 May 1994 16:26 +0100 (MET)
# From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
# Subject: Col: 9406.12: Column Willem Kuiper, no. 8: "De
# ridder met de baard"
Column Willem Kuiper, no. 8:
De ridder met de baard
Wat bezielt een mens een baard te dragen? In mijn geval was het een
protestactie. Ik ging niet zo lekker op de middelbare school. Wat heet!
En toen ik tot overmaat van ramp ook nog eens zakte voor het eindexamen
Gymnasium B besloot ik mijn baard te laten staan. Omdat ik in die tijd
ook nog behoorlijk lang haar droeg, werd ik regelmatig met `Jezus'
aangesproken. Terwijl die nooit een bril gedragen heeft.
Het zal u niet verbazen dat ik tijdens het
eerste jaars-college
van Lulofs al snel `den fellen metten roden baerde' genoemd werd.
Terwijl ik helemaal niet `fel' ben. O.K., ik mag wel eens uit mijn slof
schieten en van mijn hart geen moordkuil maken, maar dat heeft niets
met `fel' te maken. De middeleeuwse betekenis van `fel' is een heel
andere dan de tegenwoordige. In het Frans noemt men zo'n woord een
`faux ami', een valse vriend. Omdat je het woord kent, denk je dat
het toen betekende wat het nu betekent. In het Middelnederlands is
`fel' een heel naar woord, dat zoveel als: boosaardig, trouweloos,
verraderlijk enz. betekent. Het is de naam waarmee de dieren die
Reynaert haten, het over hun aartsvijand hebben. `Den fellen metten
roden baerde' is een taboenaam. `vos' durven ze niet te zeggen, uit
vrees de magische krachten van de vos te activeren. `Reynaert' evenmin.
Het is dus niet het oordeel van de verteller over zijn held! `De Rode
Duivels' is immers ook niet negatief bedoeld...
Het Middelnederlands wemelt van de valse
vrienden, maar onderschat
ook het minder verre verleden niet. Een van de redenen waarom
Historische Letterkunde zo belangrijk is: niet om in een woordenboek te
leren opzoeken wat `fel' gedurende de Middeleeuwen betekende, maar om
ons te realiseren dat de betekenis van een woord ondergeschikt is aan
een historische situatie.
Wie het lot treft roodharig te zijn, kan niet opgroeien zonder zich
daarvan bewust te worden. `Rooie, je moeder hep vlooie!' `Rooie en vale
benne donderstrale!' `He fuurtore!' `Stoplicht!' In mijn geval kwam
daar dan nog bij dat ik sinds de box brildragend ben - er zijn bijna
geen kinderfoto's van mij zonder fok - dus het was de hele dag `Rooie
schele' en `Schele rooie'. Gelukkig kon ik mij in het straatvoetbal
gemakkelijk handhaven, en dat was nog belangrijker dan de kleur van je
haar of naar welke school je ging (de Roomse in mijn geval, wat in de
onkerkelijke Zaanstreek bepaald geen prae was). Waar ik opgroeide
leerde je als kereltje eerst voetballen, daarna pas lopen.
Dankzij de Middeleeuwen kwam ik in contact met
haardracht en
haarmagie uit het verleden. Een andere wereld, niet te vergelijken met
hoe wij nu met ons haar omspringen. Haar lag buitengewoon gevoelig en
was onderhevig aan zeer strikte richtlijnen en wetten. Om te beginnen
was men bang voor haar. Haar typeerde het dierlijke in de mens. Heel
hoofse vrouwen epileerden zich, ja ook daar. Behaarde mensen waren
`ruw', letterlijk wel te verstaan, niet alleen figuurlijk zoals nu.
Rood haar was een uiterlijk teken van lichamelijke en geestelijke
onreinheid. De kwalificatie `Rode', afgewisseld met `vule rode' slaat
echter niet op `roodharigen', maar was het normale scheldwoord voor
Joden, lees er Jacob van Maerlants Scolastica - beter bekend onder de
onjuiste naam Rijmbijbel - maar eens op na. Overdadig zwart haar werd
even snel als moeiteloos met de duivel in verband gebracht. Soms
gebeurt het wel eens dat een kind behaard over heel het lichaam geboren
wordt. Niets aan de hand weten we nu. Valt er na een paar weken vanzelf
af. Maar middeleeuwse ouders zullen zich doodgeschrokken zijn. Vraag
het de ouders van Robert le Diable maar.
Het dragen van lang haar was een uiterlijk teken van onaangepastheid.
Waanzinnigen dragen (in de literatuur) lang haar en een lange baard.
Ook hun nagels zijn lang. Ze dragen geen kleren, maar bedekken hun
naaktheid met beestevellen en bladeren. Hun wapen is een knots. Zo
iemand heette een `wildeman'. Menig laatmiddeleeuws dranklokaal had
een wildeman als uithangbord. Enerzijds om de mensen te waarschuwen
voor het wilde, onaangepaste gedrag dat men onder invloed kon vertonen
(Wi willen van de kerels zingen. Si sijn van quader aert. Si willen de
ruters dwingen. Si dragen enen langen baert. enz. (Het Kerelslied)).
Anderzijds om de angst met gelach te camoufleren. Amsterdam kent nog
twee Wildemannen, een op de Dam, de ander in de Nieuwezijds Kolksteeg,
pal naast het pas ontdekte kasteel van de heren van Amstel. (Als het
waar is. Rare plek voor een woonburcht, goede plek daarentegen voor een
dwangburcht.) In de eerste Wildeman ben ik nog nooit geweest, in de
ander kom ik te weinig.
Te lang haar was een teken van ijdelheid en
verwijfdheid. Alles
wat van adel was - ik heb het nog steeds over de mannelijke kunne -
droeg het haar doorgaans tot op de schouders. Kort haar was een teken
van onderhorigheid. Geestelijken schoren zich de kruin. Misschien
herinneren sommigen van u zich nog dat kleine rondje op het hoofd van
de kapelaan. In de Middeleeuwen was het precies anders om. Daar liet
men nog een kransje haar staan, om te laten zien dat de kaalheid geen
ouderdomsverschijnsel was, maar pure versterving.
Het dragen van een baard was niet zo zeer een
vrijwillige keuze
als wel een teken van een bepaalde ouderdom of een religieuze status.
Baarden (en snorren) verdienden groot respect. Als Flovent, de oudste
zoon van koning Clovis - die ten onrechte niet is opgenomen in Van Aiol
tot de Zwaanridder - zijn leermeester, de hertog van Bourgondië, in
diens slaap zijn baard afsnijdt, geintje, wordt hij daarvoor
veroordeeld tot ballingschap, terwijl heel het hof zich uit
solidariteit eveneens in de baard knipt. Als Huon de Bordeaux onwetend
Charlot, de zoon van Karel de Grote, doodt, die hem in een hinderlaag
opwachtte, moet hij, om zich met de koning van Frankrijk te kunnen
verzoenen, de volgende zelfmoordopdracht uitvoeren: naar Babilonië
gaan, naar het hof van de emir, de eerste man die hij in het paleis
tegenkomt doden, drie maal diens dochter kussen, hem beledigen, en zijn
baard alsmede zijn hoektanden meenemen. Vergeleken met het bemachtigen
van de baard is de rest kinderspel. In de Merlijn lezen we hoe koning
Rioen een mantel draagt, versierd met de baarden (inclusief de huid!)
van overwonnen tegenstanders. Als hij ook Arturs baard opeist, komt het
tot een strijd, die natuurlijk door Artur gewonnen werd. In de Vier
Heemskinderen dreigt Lodewijk, de zoon van Karel de Grote, de oude
Aymijn, die niet onder de indruk is van het steenwerpen van de
kroonprins, aan zijn baard te trekken, zodat zijn ogen scheef zullen
wegdraaien. Dit dreigement is Aymijn te veel, en hij klaagt zijn nood
bij Renout, met de dood van Lodewijk als gevolg. Als in de Fergus de
jonge held op zijn tocht naar het hof de aanval van de vier roofridders
heeft afgeslagen, waarbij hij er twee doodde, dan hakt hij hen de
hoofden af en bindt die met hun baard aan zijn zadel.
In de Keltische literatuur komen de nodige
baarden voor. In de
continentale literatuur veel minder. Bovengenoemde passage in de Fergus
is een grap om zowel Fergus als een `Achterhoeker' te typeren (Kelten
gingen door voor koppensnellers), als diens tegenstanders, door ze een
baard aan te meten. Ridders dragen geen baarden. Alleen zij die niet
meer vechten dragen een baard. De Franse repertoria vermelden ook geen
epitheton `met de Baard'. Afbeeldingen van Arturridders in
handschriften tonen ons glad geschoren of kortbaardige ridders, wat een
vrij zekere afspiegeling van de realiteit geweest zal zijn.
Middeleeuwse ridders hadden het nog wel eens warm. Om maar niet te
zeggen bloedheet. Warmtestuwing zouden we nu zeggen. Na afloop van de
slag tussen de Vlaamse communes en het koninklijke Franse leger te
Mons-en-Pevele (augustus, 1304), vond men aan weerszijden vele lichamen
die geen uitwendige wonden vertoonden. Als doodsoorzaak wordt een
combinatie van dorst, uitputting, verstikking (in de wapenrusting) en
oververhitting opgegeven.
Een vechtende ridder met een (lange) baard is
net zo absurd als
een Tour de France-wielrenner met een (lange) baard - die scheren zelfs
hun benen. Toch komt er aan het slot van de Ferguut tijdens het
toernooi met als eerste prijs Galiene een ridder voor met een (lange)
baard. Nadat Ferguut op de eerste dag Keye verslagen heeft en zich
daarmee gewroken heeft voor de belediging tijdens zijn komst, naar het
hof, verslaat hij de tweede dag Pertseval:
Des derdes dages josteerde Boort
Ende op den vierden Sagramort,
Up den vijfsten mijn her Laquis,
Up den sesten Mereagis.
Dien sevensten stac hi vanden paerde
Heerecke, dien ridder metten baerde,
Den achtsten dach mijn her Yweine,
Upden negensten Agraveine,
Upden tiensten Gosengote,
Up den elfsten Lancelote;
(Ed. Rombauts
1982, vs. 5397-5406)
Jaren lang heb ik hier over heen gelezen. Erec, de Ridder met de Baard.
Waarom ook niet, uit de Grimbergse oorlog en de Brabantse yeesten kende
ik een hertog Godfried met de baard.
Maar toen ik in het kader van het Repertorium
van
Middelnederlandse (literaire) Eigennamen - INGM bij de `E' van Erec
(Herec, Heerecke dien ridder metten baerde) was gekomen, vroeg ik mij
allereerst af: hoeveel Erecs komen er in de Ferguut voor?
De Ferguut is van oorsprong een Oostvlaamse tekst, geschreven in de
taal van het Scheldestadje Oudenaarde (en oostelijke omstreken). De
variant Herec naast de Oudfranse vorm Erec (ontleend aan Chrétien de
Troyes' eerste Arturroman Erec et Enide) stelt dus niets voor. Blijven
over twee Erecken, eentje met en een zonder baard. En toen zag ik het:
Dien sevensten stac hi vanden paerde
Heerecke, dien ridder metten LIEbaerde,
Den achtsten dach mijn her Yweine,
`Liebaert' is Vlaams voor leeuw, in Brabant zou `lioen' gebruikelijker
zijn. Maar dat zou betekenen dat de bewerker van het tweede stuk de
mening toegedaan was dat Erec de Ridder met de Leeuw was en niet Ywein.
En toen zag ik het echt:
Dien sevensten stac hi vanden paerde
Heerecke. Dien ridder metten Liebaerde
den achtsten dach, mijn her Yweine.
Immers, niet Erec, maar Yvain is `Le Chevalier au Lion'. De tweede
auteur heeft de toenaam, die normaal gesproken na de doopnaam volgt,
omwille van het rijm naar voren geplaatst, waarna hij bij de vorige
persoon werd getrokken. Niet alleen door hedendaagse komma's en
puntenzetters - "Interpungeren is interpreteren", zei Lulofs altijd, en
daarom leerde hij ons lezen aan de hand van diplomatische edities -
maar zeer waarschijnlijk al door een dertiende- of veertiende-eeuwse
kopiist. En vandaar de wijziging Liebaerde -> baerde?
Leuk he? Ja, heel leuk. Maar er is een
schaduwzijde... Nu mag ik
nooit geen grappen meer maken over Lanseloet van den Mere.
Willem Kuiper - Kuiper@Alf.Let.UvA.NL
|