# Date: Mon, 21 Nov 1994 15:13 +0100 (MET)

# From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
# Subject: Col: 9411.07: Column Willem Kuiper, no. 12:
# "Het verzworen oog (2)"

Column Willem Kuiper, no. 12: Het verzworen oog (2)

Een week of wat geleden heb ik u uitgelegd dat in de oorspronkelijke Mariken van Nieumeghen Moenen niet herkenbaar was als duivel. Hij moet eruit gezien hebben als een gewoon mens zonder uiterlijke kenmerken of attributen. (Net als de engelen overigens, die hebben er ook eeuwen over gedaan om vleugels te krijgen.) In de bewaard gebleven druk van Willem Vorsterman manifesteert Moenen zich als een magister artium van middelbare leeftijd annex ooglijder. In de oorspronkelijke versie hoeft dat dus niet het geval te zijn geweest. Het is heel goed mogelijk dat een vorige Moenen een knappe jongeman was, een 'minnaar', die met Mariken zeven vette jaren in een herberg doorbracht. Een leven in weelde, zonder arbeid, zonder verplichtingen, een leven dat Beatrijs en haar minnaar leidden. Aanvankelijk althans, totdat er kinderen kwamen. Dat biecht Mariken ook aan de paus:

       "Vadre, die goede daghen,

1035   't Grote ghelt ende 't grote goet

       dat hi mi dede hebben - zijt des wel vroet -

       dat deet mi doen, al doet mi nu vereysen.

       Ic en conde ghedincken noch ghepeysen,

       hi en deet mi hebben te mijnen behoeve"

Met andere woorden, zij had alles wat haar hartje begeerde. Mariken kon het niet bedenken of Moenen gaf het haar.

Moenens gedaanteverwisseling laat zich het best verklaren als het gevolg van het Faust-motief dat in de bewaard gebleven versie zijn intrede heeft gedaan: mens verkoopt zijn ziel aan de duivel in ruil voor kennis. Mariken lijkt dat te doen, zoals Eva eerder bereid leek de door God geschapen orde naar Ritzen te helpen in ruil voor wetenschap. Maar dat is een onjuiste interpretatie. De middeleeuwse Eva was niet in kennis geïnteresseerd, Mariken ook niet. Noch in de zeven vrije kunsten, noch in nigromantie (d.i. het bezweren van duivels om ze te dwingen iets voor je te doen, je bijvoorbeeld pijlsnel door de lucht van hier naar daar te brengen, of om antwoord te geven op een vraag). Onderwijs voor meisjes was een actueel onderwerp, in beginsel was dat - denk maar aan Anna Bijns - niet voor hen weggelegd. Nigromantie en tovenarij waren in het Antwerpen van het begin van de zestiende eeuw spannende, modieuze onderwerpen, lees maar eens de Historie van Malegijs of Virgilius. Van zijn leven, doot, ende vanden wonderlijcken wercken die hi dede by nigromancien, ende by dat behulpe der duvels.

De Moenen in de druk van Willem Vorsterman is dus veranderd en vertekend. Mogelijk was hij een knappe jongeling die niet herkenbaar was als duivel - en daarom was hij zo gevaarlijk! - nu is hij een man van middelbare leeftijd met een verzworen oog, en dat verzworen oog zou het bewijs van zijn duivelse natuur zijn.
     Dat laatste is niet waar, maar dat verklaart niet waarom het nu juist zijn oog is. Waar komt dat verzworen oog vandaan? In de vorige column heb ik het met u over Marikens tante gehad. Ik heb bij die gelegenheid een paar keer het woord 'nijd' gebruikt. Met opzet. Ik ben er namelijk van overtuigd dat de moeye geïnterpreteerd moet worden als een allegorisch personage dat woede en nijd verbeeldt. Tante is een exemplarisch nijdig wijfje. Lees maar eens wat de minnaar in het begin van de Roman van de roos over haar leert als hij haar op de muur rond de lusthof geschilderd ziet:


235    Naast haar trad Afgunst voor de dag,

       zij die in 't leven nooit een lach

       liet horen en zich nooit verheugde,

       behalve dan als zij met vreugde

       vernam van anders narigheid;

240    niets bracht haar meer juich en jolijt

       dan ongeluk en grote ramp,

       vooral als 't plaatsvond in het kamp

       van 'n man van aanzien en waarde,

       dat was haar grootst genot op aarde.

245    Haar ziel zong slechts in jubeltoon

       wanneer een hooggeplaatst persoon

       verviel tot schande of groot lijden.

       Wist iemand zich te onderscheiden

       door schranderheid of andere waarden,

250    dan kwetste haar dat 't meest op aarde,

       want zij was uit aanleg en aard

       jaloers op elk die iets vergaart.

       Afgunst is zo wreed, zo vol nijd,

       zij kent geen solidariteit,

255    geen vriendschap met vriend of vriendin,

       zelfs elke band met het gezin

       verbreekt ze, maakt ze ijlings stuk:

       zelfs als haar vader wat geluk

       deelachtig wordt, wekt dat haar nijd.

260    Maar weet dan ook hoezeer zij lijdt

       onder het kwaad dat uit haar welt,

       want zij wordt zo door smart gekweld

       als anderen weldoen, zo geplaagd,

       dat ze welhaast neerstort, versaagt.

265    Haar trouweloos hart zit zo op slot,

       dat zij zich wreekt op mens en God.

       De Afgunst treft te allen tijd

       de mensen met gevit, verwijt;

       al ziet zij, naar men denken kan,

270    ooit de opmerkelijkste man

       van dit land of van overzee,

       dan deugt hij niet naar haar idee

       en zelfs al is hij zo beschaafd

       dat niets zijn aanzien ondergraaft,

275    dan poogt ze nog met lastertale

       zijn reputatie neer te halen

       en elke keer en telkens weer

       iets af te knagen van zijn eer.



       [De vertaling is van Ernst van Altena.]

Overtuigd? Tante misgunt hertog Arent van Gheldre zijn ontsnapping, belastert haar broer Ghijsbrecht (en Marikens moeder) en brengt (de eer van) haar nichtje in groot gevaar. Nijd (Afgunst) is herkenbaar aan haar gelaat:

       't Portret van Afgunst had, zag ik,

       een waarlijk zeer gemene blik:

280    ze keek de mensen nooit recht aan,

       maar loensend, schuins, vol eigenwaan,

       slecht gemanierd en onbewogen

       zag ze geen mens recht in de ogen,

       maar kneep ze vol laatdunkendheid

285    steeds een oog dicht, ziedend van nijd

       wanneer ze een persoon ontwaarde

       die mooi was, vrolijk en van waarde

       en die daarom ook, welgezind,

       door ieder ander werd bemind.

Nijd kijkt scheel van jaloezie, de uitdrukking bestaat nog. Iemand de ogen uitsteken, is er nog zo een.
     Niet alleen in de wereldlijke Roman van de roos, maar ook in de meer geestelijke Spiegel der zonden wordt nijd (in een adem met toorn) in verband gebracht met het oog:


       Men leest van enen coninc die rijc ende mechtich was

       ende had in sinen lande enen nydigen man wonende ende

       enen anderen zeer gierich, ende die coninc ontboet si

       beide tot hem ende seide tot hem beiden: "visiert

       onder u beiden soe wat die een eysschen sall, dat sal

       ic die ander die helfte meer doen." Dese twee swegen

       lange ende hoerre geen en woude irst eysschen. Si

       sweghen soe lange dat die coninc toernich wart ende

       beval den nydigen, dat hi irst eysschen soude. Doe

       sprac die nijdige, datmen hem sijn een oge wt stake,

       opdat hij den anderen mochte schenden ende te mael

       blijnt werde: hi dede hem selver liever quaet, op dat

       die ander verdriet crege...

[Een afgunstig man die gedwongen wordt iets te wensen dat een gierig man dubbel zal krijgen, kiest ervoor een oog te missen om de ander blind te maken]

Ik ben er niet bij geweest, ik geef het toe, maar ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. Een Antwerpse rederijker/drukker/uitgever kreeg een verhaal in handen met een hoog Roodkapje gehalte: meisje gaat boodschappen doen, haar wordt op het hart gedrukt voorzichtig te zijn, toch komt het meisje in een levensgevaarlijke situatie, maar gelukkig loopt alles goed af.
     Dit verhaal werd in fasen verbouwd om het aan te passen aan de eisen van plaats en tijd. Zo werd het volksdevotionele en Mariale aspect vervangen door het priesterlijk sacramentale, het Faust-motief, het refrein en het slot werden toegevoegd. Hoe de oer-moeye eruit gezien heeft? Op de houtsnede ziet ze er even vriendelijk en goedmoedig uit als pleegvader Ghijsbrecht. Houding en gebaar drukken alles behalve animositeit uit. Het kan haast niet anders of er is aan tante gesleuteld - is zij het slachtoffer geworden van de oude vrouwenhaat die de kop opstak? - ze lijkt wel veranderd in een allegorische twee-eenheid van de hoofdzonden toorn en nijd. De toorn blijkt uit het mes in de keel, maar waar is het oog gebleven?
     Het oog is doorgegeven aan Moenen toen die conform het veranderde duivelbeeld een uiterlijk gebrek moest gaan vertonen.

Willem Kuiper - Kuiper@Alf.Let.UvA.NL


[Archieven Kuiper]