# Date: Fri, 20 Jan 1995 10:46 +0100 (MET)
# From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
# Subject: Col: 9501.09: Column Willem Kuiper, no. 13: "Centennia"
Column Willem Kuiper, no. 13:
Centennia
Als een middeleeuws auteur citeert, doet hij dat praktisch altijd uit
zijn hoofd. Hij had zijn boeken namelijk niet op zijn schrijftafel
liggen of achter zich in de kast staan. Nee, ze zaten in zijn geheugen.
Het middeleeuwse onderwijs maakte noodgedwongen
zeer veel werk
van de memoria: het actief in het geheugen opbergen van woorden,
feiten, gebeurtenissen en het weer oproepen daarvan. Daartoe stelde men
zich het geheugen voor als een groot gebouw, zo nodig met meerdere
verdiepingen, met een gang in het midden en kamers aan weerszijden. Die
kamers waren elk op een eigen wijze gestoffeerd, gemeubiliseerd en van
objecten voorzien. Wat men wilde onthouden werd gekoppeld aan een
bepaalde hoedanigheid of een bepaald object in zekere kamer. Als men
zich nu iets wilde herinneren, betrad men in gedachten dat gebouw, liep
naar het bewuste vertrek, herkende het voorwerp, waaraan men de
herinnering gekoppeld had, en wist weer wat men weten wilde. Soort
achtbaans ezelsbrug. Er is een heel mooi boek over dit onderwerp:
Frances A. Yates. The art of memory, in het Nederlands vertaald als: De
geheugenkunst, uitgeverij Bert Bakker. Amsterdam 1988 en 1990.
Wie deze manier van onthouden en herinneren
omslachtig vindt,
bedenke zich dat denksporters (on)bewust nauwelijks anders te werk
gaan. Schakers en bridgers - daar weet ik het van - handelen zelden
'spontaan', maar gaan 'intuïtief' te werk. Dat wil zeggen dat ze zich
een situatie trachten te herinneren die lijkt op het probleem waarmee
ze op dat moment geconfronteerd worden: Waar heb ik dit eerder gezien?
Hoe ging het toen? Wanneer was dat ook al weer? Waar gebeurde dat? Was
dat niet met die en die, toen en toen? Op deze manier wordt tot in de
uithoeken van het onderbewuste gezocht, en soms met succes.
Dat middeleeuwse auteurs doorgaans uit hun
hoofd citeerden, had
een praktische reden: probeer maar eens iets op te zoeken in een
handschrift. Dat was eeuwen lang onbegonnen werk. Daar waren boeken
aanvankelijk ook niet voor. Het boek was een schatkist, een kluis. De
schat c.q. de inhoud werd hardop voorgelezen en nagezegd totdat hij
foutloos gereproduceerd kon worden. Dat dit niet vanzelf ging, mogen
wij opmaken uit het feit dat op middeleeuwse miniaturen de magister
steevast afgebeeld staat met een kloeke roedebundel. Fouten werden
hardhandig gecorrigeerd.
Ik ben blij dat het zo niet meer gaat. Als
docent wel te
verstaan. Met die studenten van tegenwoordig zou je binnen het
trimester een tennisarm krijgen.
In de loop van de dertiende eeuw was de verschriftelijking van het
wetenschappelijk bedrijf zo ver gevorderd dat men allerlei hulpmiddelen
ontwikkelde om niet alleen leesbaarheid van het boek te verbeteren,
maar ook de raadpleegbaarheid.
Tot dan toe was het niet gebruikelijk boeken
een 'titel' te
geven. Vaak volstond men met een aanduiding, namelijk waarover het boek
ging, en die omschrijving stond meestal aan het slot van de tekst:
"Explicit de amore". Explicit betekent letterlijk 'uitgewikkeld', een
term die de middeleeuwer had georven van de Romeinen. Die werkten
met boekrollen, en als de tekst uitgelezen was, dan was hij letterlijk
uitgewikkeld. Middeleeuwse boeken werden daarom meestal 'op hun buik'
bewaard, hoefde je alleen maar het achterplat op te tillen om te zien
dat het Over de Liefde ging.
Ten tijde van Jacob van Maerlant ging men al
een stuk
geacheveerder te werk. Men ging kleiner schrijven zodat boeken
draagbaar werden. Men deelde de tekst op in 'partes' (delen), 'libri'
(boeken) en 'capita' (hoofdstukken). Men werkte met opschriften in de
bovenmarge, onze running titles, en men vond de inhoudsopgave uit: aan
het begin van elk boek stond een 'tabula' (tafel), een opsomming van
alle hoofdstuktitels en hun nummer. Op die manier kon je de gewenste
informatie opzoeken zonder het hele boek te hoeven doorlezen. Later
ontstond de gewoonte de bladen te nummeren. Een index of register op
trefwoorden kende men nog niet; dat komt pas na de Middeleeuwen.
Het verschriftelijkingsproces staat de laatste
tijd sterk in de
belangstelling. Zeer de moeite van het lezen waard zijn: Oraliteit
en schriftcultuur, onder redactie van R.E.V. Stuip en C. Vellekoop,
Hilversum [Verloren] 1993 en het pas verschenen 'tekstboek' van de Open
Universiteit, De middeleeuwse ideeënwereld 1000-1300, onder redactie
van M. Stoffers, Hilversum [Verloren] 1994.
Een ander probleem waarmee middeleeuwse auteurs worstelden, was het
maken van aantekeningen. Stel, je hebt iets geschreven over doet er
niet toe en nu vind je iets over hetzelfde onderwerp? Hoe voeg je dat
toe?
In de marge. Denk maar aan ons woord
kanttekening. De marges van
middeleeuwse handschriften waren een stuk hoger en breder dan nu
gebruikelijk is. Niet in alle bewaard gebleven boeken. De meeste zijn,
vaak meer dan eens, door de boekbinder afgesneden. Maar soms kom je nog
wel eens een niet-afgesneden codex tegen, het Dyckse handschrift
bijvoorbeeld, dat Jacob van Maerlants Der naturen bloeme bevat en de
Reinaert, en dat niet zo lang geleden uit particulier bezit werd
aangekocht door de universiteitsbibliotheek van Munster.
Van sommige boeken wist men van te voren dat
er bijgeschreven zou
worden. Daar hield men dan van te voren rekening meer door heel veel
ruimte open te laten tussen de regels en een opmaak met extreem grote
marges te kiezen. In de loop der jaren werden, soms door meerdere
handen, die marges volgeschreven en werd met verwijstekens gemarkeerd
wat bij wat hoorde.
Een enkele creatieve geest hanteerde naald en
draad. Lambertus
van Sint Omaars bijvoorbeeld. Deze monnik schreef in de jaren '20 van
de twaalfde eeuw een encyclopedie, het Liber floridus. De autograaf,
dat wil zeggen: het door de auteur zelf geschreven boek, wordt bewaard
in de universiteitsbibliotheek van Gent.
Als Lambertus ruimte tekort kwam, naaide hij
een blad aan een
blad en daar desnoods weer een blad aan. Een afbeelding van een leeuw
spant de kroon. De staart is uitklapbaar en het kwastachtige uiteinde
- waarmee de leeuw geacht werd zijn sporen uit te wissen, reden waarom
hij zo moeilijk te vangen was - kreeg een eigen miniblaadje. Zo
ontstond een boek met het karakter van een collage, waarvan het
redactieproces (door de emeritus bibliothecaris Albert Derolez)
gereconstrueerd kon worden toen het uit de band genomen werd om
gerestaureerd te worden.
Zittend achter mijn tekstverwerker heb ik vaak medelijden met mijn
middeleeuwse collega's. Hoe graag zou ik Jacob van Maerlant wegwijs
maken in WordPerfect. Hij zou er net zo blij mee zijn als Johan
Sebastian Bach met een computer, een MIDI-keyboard en een
partituurprogramma. Kon hij eindeloos componeren en na afloop het
stuk afdrukken.
Een andere verworvenheid waarmee je Jacob van
Maerlant wild
enthousiast gemaakt zou hebben, is voor ons zo alledaags dat we ons
niet realiseren dat ook dit ooit een keer door iemand is bedacht: de
kaartenbak. Je ziet ze nog, maar het is een uitstervende papiersoort.
Aan de ouderwetse kaartenbak kleeft namelijk een groot nadeel: je
kunt maar een gegeven tegelijk als sorteercriterium hanteren. Vandaar
ook dat de UB vroeger een alfabetische en een systematische catalogus
had. De elektronische kaartenbak heeft hieraan een eind gemaakt. In
beginsel kan elk gegevensveld als index op het hele bestand gebruikt
worden. Ook kun je kaartenbakken aan elkaar koppelen. Een simpel
voorbeeld.
Stel je hebt een corpus primaire
Middelnederlandse teksten en
daarover een hoeveelheid secundaire literatuur. Je maakt een bak
primair. Je maakt een bak secundair. En vervolgens koppel je secundair
aan primair. Vanaf dat moment kun je vanuit je primaire kaartenbak in
een oogwenk zien a) of er secundaire literatuur over deze tekst
aanwezig is, b) indien ja, welke.
Een slag apart zijn grafische databases. Tijdens mijn onderzoek
naar de bakermat van de Ferguut aan de hand van Amand Berteloots
Klankatlas van het dertiende-eeuwse Middelnederlands zag ik het
helemaal voor me. Je voert het ganse corpus Gysseling in de computer
in. Je tikt een woord in, en vervolgens zie je de kaart van de
Nederlanden verschijnen en gaan zich daarop kleurverschillen
voltrekken. Elke kleur staat voor een bepaald percentage. Via het P.J.
Meertens-Instituut ken ik zo'n programma op achternamen. De basis is de
volkstelling van 1947.
Tik een naam in, geef op of je de uitkomst
absoluut of relatief
wilt hebben, en pats, je ziet in een oogopslag dat Kuiper's uit
Groningen komen, de Kuyper's uit Noord-Holland en de Kuipers' uit de
noordelijke provincies.
Onlangs kreeg het P.J. Meertens-Instituut hoog bezoek. Bij die
gelegenheid demonstreerde ik het Repertorium van Middelnederlandse
Eigennamen i.s.n. en toonde als toegift een van mijn elektronische
kaartenbakken, jaartal geheten. Jaartal - opgezet om na te
gaan of de
Esmoreit inderdaad gebaseerd is op Siciliaanse gebeurtenissen, niet
dus - is een poging de middeleeuwse geschiedenis te synchroniseren.
Kies een mens en zie wie zijn leeftijdgenoten waren, wie er aan de
macht waren, welke teksten er geschreven werden en wat er verder
gebeurde. Kies een jaartal en zie wie er toen leefden, welke paus er
was, welke koningen regeerden enz.
Een van mijn toehoorders maakte me toen
opmerkzaam op een
Amerikaans programma, Centennia, dat de politieke geschiedenis van
West-Europa vanaf het jaar 1000 tot op heden op de landkaart
projecteert. Elk land heeft zijn eigen kleur. Je kiest een stad of
land, een jaartal, en zet de klok in werking, vooruit of terug. En
vervolgens zie je een stuiptrekkende lappendeken. Sommige staten,
Zwitserland bijvoorbeeld, blijven praktisch bewegingloos staan. Andere
daarentegen waaien heen en weer als zwerfvuil, zwellen op en krimpen
in, gaan en komen, maken zich los en worden weer opgegeten.
Hoe graag zou ik Jacob van Maerlant
Centennia demonstreren aan de
hand van bijvoorbeeld de kruistochten. Kon hij met een 'Gods eye' de
Saracenen zien aankomen, de kruisvaarders Jeruzalem zien veroveren,
Saladin zich meester zien maken van het Heilig Land en Egypte, en
inderdaad met de val van Akers in 1291 de kleuren van de
christenstaatjes zien verdwijnen.
Ik ben de eerste om toe te geven dat het veel uitvoeriger kan - en
mijns inziens ook moet - dan wat Centennia te bieden heeft.
Natuurlijk
beginnen we in 5199 voor Christus met de schepping en we verwerken veel
en veel meer plaats- en landennamen in de landkaart. Waarom niet alle?
Maar Centennia laat wel zien hoe het moet. En wat kan. En dat is heel
veel.
Het bestellen van Centennia is een fluitje van een cent. Ik schreef
een briefje met mijn naam, adres en creditcardnummer en 'date of
expire' naar:
Clockwork Software, Inc.
P.O. Box 148036
Chicago, IL 60614
USA
Je kunt ook bellen: (00 1) (312) 281-3132. (Nederlanders kiezen die
00 1 om contact met de USA te krijgen).
Later vernam ik dat dit bedrijf ook een e-mailadres heeft:
clockwk@delphi.com.
Een kleine drie weken later kreeg ik het toegestuurd. Wat het kost?
$ 89 voor een DOS-versie van dit Engelstalig programma. Voor dezelfde
prijs kan ook een Apple Macintosh-versie worden gekocht. Over enkele
weken verschijnt er een Windows-versie van Centennia. Nog wat later
komen er ook Duitstalige versies op de markt.
Willem Kuiper - Kuiper@Alf.Let.UvA.NL
|