# Date: Wed, 22 Mar 1995 16:31 +0100 (MET)
# From: Willem Kuiper <kuiper@alf.let.uva.nl>
# Subject: Col: 9503.11: Column Willem Kuiper, no. 15:
# "Jezus, moet ik dat ook nog
# gaan lezen?"
Column Willem Kuiper, no. 15:
Jezus, moet ik dat ook nog gaan lezen?
Soms vertel ik studenten van nu hoe het eraan toeging toen ik zelf nog
in de collegebanken zat. Dat was gedurende de eerste helft van de jaren
'70. Een rare tijd, volgend op de Maagdenhuisbezetting. Het Instituut
voor Neerlandistiek verkeerde in een permanente staat van opwinding.
Kritische Neerlandistiek was het parool. Wat had het immers voor zin je
bezig te houden met de poëzie van P.C. Hooft terwijl er in Vietnam een
oorlog woedde?!
De revolutie verwaterde snel, maar de nieuw
verworven vrijheden
werden ten volle uitgebuit: groepsevaluatie bijvoorbeeld. De groep
- niet de docent/begeleider - gaf zichzelf een cijfer en dat
groepscijfer ging dan over op alle deelnemers, ongeacht de individuele
bijdrage. Soort variant op de parabel van de arbeiders in de wijngaard.
Ook de omgangsvormen waren een stuk losser
geworden dan in de
dagen dat Hellinga in staat was een student het 'consilium abeundi' te
geven omdat hij de lift had genomen in plaats van de trap. En dan heb
ik het niet over koffie omgooien en brood eten tijdens colleges. Nee,
de een zat te breien, een ander nam zijn hond mee, de nummers drie en
vier gooiden voortdurend shag, vloei en aansteker over en weer, terwijl
nummer vijf zat te blowen.
De blowers waren tamelijk voorspelbaar in hun
gedrag. Gedurende
het eerste college-uur rookten zij zwijgend om na de koffiepauze los te
barsten in een monoloog, waarin luidkeels beweerd werd dat alles wat
tot dan gezegd was nergens op sloeg, dat het allemaal heel anders was,
dat je het kosmisch moest zien, enzovoort, enzovoort.
Aan die blowers moest ik opeens weer terugdenken toen ik in De
Volkskrant van afgelopen vrijdag 17 maart in het 'Kunst &
Cultuur'-katern een artikel las met de kop 'Jezus, moet ik dat ook nog
gaan lezen?' De auteur van dit paginagrote schotschrift gaat hierin
tekeer tegen het literatuuronderwijs op het VWO en de universiteiten.
Dat zou in de greep van formalistische trivia verkeren. Ja, ook op de
universiteiten leren de studenten vooral rijtjes feiten uit het hoofd.
De Neerlandistiek is volgens Van Dixhoorn een keuken waarvan het
ventilatiesysteem al jaren kapot is. Hoog tijd voor een frisse wind:
"We hebben iemand nodig die ons attent maakt op het feit dat we
vleugels hebben."
Deze slotzin slaat niet op Van Dixhoorn zelf,
maar op een
TV-programma dat hij ooit zag. Een professor, die achteraf de auteur
Vladimir Nabokov bleek te zijn, vertelde over De gedaanteverwisseling
van Franz Kafka. In dit verhaal verandert de hoofdpersoon Gregor Samsa
tot ieders afgrijzen langzaam in een kever. De pointe van Nabokovs
college was dat Gregor niet besefte dat hij vleugels had.
Deze vondst heeft Van Dixhoorn zo getroffen dat
hij Nabokov alle
arrogantie vergaf, waarmee hij dit presenteerde: "omdat die bij hem
voortkwam uit liefde: liefde voor goede boeken, en liefde voor mensen
die goede boeken lezen."
Voor anderen kent hij geen genade:
"Literatuurwetenschappers
worden net zo min als Vladimir Nabokov gehinderd door een al te grote
mate van bescheidenheid." Ze "schelden op de lamlendige leerlingen en
studenten die geen boeken meer lezen". "We hebben op de universiteiten
te maken met een
cultuur waarin het onderwijs nauwelijks serieus wordt genomen."
"Academici beschouwen het geven van colleges vaak als een onaangename
verplichting die hen van het echte werk (hun eigen onderzoek) afhoudt.
En niet alleen het geven van colleges wordt als een last gevoeld: ook
het begeleiden van
gevorderde studenten is kennelijk te veel gevraagd. Iemand die ik ken
bracht haar doctoraalscriptie bij de docent, die het werk in ontvangst
nam met de woorden: 'Jezus, moet ik dat ook nog gaan lezen?'"
Het is mij niet bekend waar deze 'angry young man' zijn frustratie
heeft opgedaan. Kennen wij niet allemaal wel iemand die iets naars is
overkomen? In mijn kindertijd is ooit een verjaardag voortijdig
beëindigd toen een aangetrouwde tante zich met haar breiwerkje in de
buurt van een schemerlamp had geposteerd en al op halend en af laten
glijdend met een (metalen) breipen in een stopcontact prikte. Waarna
zij averechts op haar stoel zat.
In zijn algemeenheid is de voorstelling van zaken die Van Dixhoorn
geeft onwaar. De meeste universitaire docenten die ik ken geven graag
onderwijs, hebben het zelden over formalistische trivialiteiten, en
nemen de mening en de werkstukken van zowel gevorderde als beginnende
studenten volstrekt serieus.
Dat wil niet zeggen dat elk college of elke
scriptie een feest
is. Het geven van onderwijs en het begeleiden van scripties is nogal
arbeidsintensief. Dat onderwijs moet gevoed worden door onderzoek.
Academisch onderwijs bestaat nu eenmaal bij de gratie van onderzoek. De
praktijk van alledag leert dat onderwijs ten koste gaat van onderzoek
en omgekeerd. Beide vechten om voorrang.
Ook kunnen studenten door ostentatief niet
geïnteresseerd te zijn
de sfeer behoorlijk verzieken. Het is dan ook onjuist om de verbazing
van de Leidse hoogleraar Frits van Oostrom, dat hij ordeproblemen had
in de collegezaal, te presenteren als een combinatie van
wereldvreemdheid en misplaatste eigendunk. Het is allerminst onredelijk
van studenten een zekere belangstelling voor het vak en elementaire
omgangsvormen te verwachten.
Van het literatuuronderwijs op het VWO weet ik weinig of niets. Ik heb
geen kinderen op de middelbare school. Wel heb ik meegewerkt aan een
literatuurgeschiedenis, Fraaie historie getiteld, een uitgave van
Wolters-Noordhoff (1991). Boek loopt overigens slecht. Wie de eerste
vier hoofdstukken over de Middeleeuwen leest, ziet dat Van Dixhoorn
niet de enige is die tracht te ontsnappen aan de terreur van triviale
feitjes.
Natuurlijk gaat het om inzicht en grote(re)
verbanden. Maar de
vraag "Wat is het kenmerk van de hoofse roman?" is helemaal niet zo'n
domme vraag als Van Dixhoorn doet voorkomen. De kenmerken van wat een
hoofse roman is, zijn namelijk aan verandering of beter, aan
ontwikkeling onderhevig. Er bestaat geen definitief antwoord.
Het opleiden van middelbare school-docenten die
op zo'n manier,
problematiserend, de letterkunde van het verleden aan scholieren van
het heden kunnen doorgeven, vereist echter een grotere investering dan
het Kabinet van de Koningin, de Tweede Kamer en het Ministerie van
Onderwijs zich menen te moeten veroorloven. Van Dixhoorns geschamper
wordt in dit soort kringen dankbaar ontvangen om de volgende
bezuinigingsronde en een verdere reorganisatie te rechtvaardigen.
Hoe het wel moet, demonstreert Van Dixhoorn aan de hand van twee
teksten die ik tot de mijne reken: de Esmoreit en de Beatrijs. Daarbij
vallen twee sleutelwoorden: 1) tijdloos, 2) archetypisch.
1) "Kunnen we die middeleeuwse tekst <nl. de Beatrijs> nu eindelijk
eens gaan lezen als en tijdloos document?"
2) "Waarom lezen we de geschiedenis van Esmoreit niet als een
heldenverhaal <...>, waarom laten we leerlingen niet zien dat de
keuze van de vondeling Esmoreit om uit te zoeken waar hij vandaan
kwam een archetypische keuze is <...>?
De idee om kunst als tijdloze schoonheid te beschouwen dateert uit de
negentiende eeuw. Na de Franse bezetting vond er een heroriëntatie
plaats op het Nederlands verleden. Tegelijkertijd deed de Romantiek
haar invloed gelden. Die ontstond in het achttiende-eeuwse Duitsland,
toen 'wij' nog in de wurggreep van het Frans-Classicisme zaten. Daar
(her)ontdekte men de Middeleeuwen en hoewel de kunst uit deze periode
niet voldeed aan de klassieke c.q. classicistische normen en waarden,
zij werd toch gewaardeerd.
Onder invloed van de Romantiek en het
ontluikende nationalisme
ging men het artistieke verleden inventariseren, evalueren en
conserveren. Hier was het met name Willem Jonckbloet (1817-1885) die
alle Middelnederlandse teksten las en op hun kunstwaarde beoordeelde.
Jonckbloet en zijn tijdgenoten gingen er hierbij van uit dat ware kunst
tijdloos was. Vandaar ook de naam van een reeks tekstedities: Van alle
tijden.
Tegenwoordig zijn wij van mening dat kunst
evenmin tijdloos is
als homoseksualiteit besmettelijk. Er is geen wetenschapper die het
begrip tijdloos in de mond neemt. Integendeel, juist het historische
aspect wordt benadrukt. De essentie van het bestuderen van teksten uit
een ver verleden, is het reconstrueren van het historisch
referentiekader waarbinnen die teksten tot stand kwamen.
Wat dat betreft toont Van Dixhoorn zich dus
slecht op de hoogte.
Wie door wil dringen tot de kern van de Esmoreit moet deze juist niet
interpreteren als een archetypisch relaas van een vondeling. In de door
Van Dixhoorn verfoeide feitenboekjes als Lodewicks Literaire Kunst
- man overleed het afgelopen weekeinde - wordt uitgelegd wat het
verschil is tussen thema en motief. Welnu, naar mijn mening is het
vondeling zijn van Esmoreit een motief, geen thema.
Zijn oplossing, een hele reeks gelijksoortige
verhalen uit alle
hoeken van de wereld aan te slepen om zeventienjarigen iets te leren
over de geschiedenis van de menselijke psyche is in wezen niets anders
dan het vergelijken van appels met peren. Er bestaat namelijk geen
oerziel, waarvan alle roerselen afgeleid zijn.
De Esmoreit is een tijd- en plaatsgebonden
toneelstuk, waar
weinig archetypisch aan is. De Esmoreit begrijpen zonder daarbij de
kruistochten in gedachten te nemen is even zinnig als het lezen van de
Max Havelaar zonder daarin ons koloniale verleden te betrekken.
Voor Van Dixhoorns 'analyse' van de Beatrijs geldt hetzelfde. Hij kan
zich dan wel badinerend en denigrerend uitlaten over Theo Meders
inleiding: "cultuurgeschiedenis op de vierkante centimeter" en "De rol
van de Maagd Maria als beschermvrouwe van Beatrijs is vaak besproken in
de vakliteratuur, maar nimmer op zo'n manier dat je mag spreken van
werkelijk inzicht", zijn oplossing: het leggen van een relatie tussen
de Moeder-Maagd en 'het (oude) Spinnevrouwtje' van de Navaho-indianen
"dat met haar web de bewegingen van de zon kan beheersen" is te gek
voor woorden. Neem nog een haal!
Noch de auteur noch het publiek van de Beatrijs
kende het (oude)
Spinnevrouwtje. Zo'n kosmische vergelijking is even relevant en
onthullend als het zien van een overeenkomst tussen de Moeder-Maagd en
Jomanda, en op basis daarvan te denken dat je de Beatrijs beter
begrijpt dan zo'n mierenneuker als Meder.
Dit alles los van het feit dat Maria ten tijde
van het ontstaan
van de Beatrijs niet als een vrouw op leeftijd wordt geportretteerd,
maar als een (zeer) jonge vrouw (met kind). En niet zo maar. In de
Legenda aurea - hét feitenboek voor dit soort zaken - lezen wij
dat
Maria in haar veertiende levensjaar de boodschap kreeg en op
vijftienjarige leeftijd van de Heer beviel.
De Maria die mensen van nu (menen te) kennen,
wijkt nogal af van
de Maria waarmee de middeleeuwer vertrouwd was. De kloof is echter
overbrugbaar. Door kennis van zaken. Wij hebben inderdaad vleugels.
Maar dan moeten we ze niet gebruiken zoals Icarus deed of Frank van
Dixhoorn doet.
Willem Kuiper - Kuiper@Alf.Let.UvA.NL
|