# Date: Fri, 22 Sep 1995 10:34:49 +0200 (MET DST)
Column Willem Kuiper, no. 19: Liefde is blindWe schrijven het jaar 1255. Het is herfst. Willem II, graaf van Holland en Zeeland ligt met een legermacht voor Valenciennes in Frans-Vlaanderen. Willem had bonje gekregen met Karel van Anjou, een jongere broer van koning Lodewijk de Heilige van Frankrijk, die net zo slecht was als zijn oudere broer goed was. Karel had Willem een beledigende brief geschreven, hem daarin voor 'waterkoning' uitgescholden en hem uitgedaagd voor een veldslag op vaste grond, de heide bij Assche in Vlaanderen. Tot Karels verbazing had Willem de handschoen opgenomen en was hij met een onverwacht sterke legermacht aan komen zetten. Karel moest maken dat hij wegkwam. Willem sloeg het beleg om Valenciennes, maar met de winter voor de deur was dat een heilloze onderneming. Gelukkig bereikte hem toen het bericht dat zijn echtgenote Elisabeth van Brunswijck-Lueneburg van een zoon bevallen was, zijn eerstgeboren (wettig) kind. Willem laat de boel de boel, haast zich huiswaarts en noemt het kereltje Florens, naar zijn overleden vader.De donkere dagen voor Kerstmis brengt Willem mijmerend door. Hij is nog jong, 28 om precies te zijn. Zijn eigen vader Florens IV heeft hij amper gekend, die stierf in 1234 op het toernooiveld van Corbie in Noord-Frankrijk. Slachtoffer van een complot. De relatie met zijn moeder, Machtilde van Brabant, zal niet veel voorgesteld hebben. De grafelijke familie zal er alles aan gedaan hebben om haar invloed en die van haar vader, hertog Heinric van Brabant, tot het absolute minimum te beperken. Voor iemand in zijn positie huwde Willem laat. Zijn vader Florens IV en zijn zoon Florens V waren beiden veertien jaar toen zij in de echt verbonden werden. Niet omdat zij zo vroegrijp waren, maar omdat hun vaders dat zo besloten hadden. Geen beter bondgenootschap dan een huwelijk. Willem huwde pas op vijfentwintigjarige leeftijd met een Duitse prinses. Wiens idee dat was weten we niet, maar een stomme zet was het allerminst. Toen paus Innocentius IV (1243-1254) het aan de stok kreeg met Frederik II, hem excommuniceerde en van de keizerskroon vervallen verklaarde, schoof hij Willem als kandidaat naar voren. In 1248 werd Willem in Aken tot Roomskoning gekroond. Een datum om hem in Rome tot keizer van het Heilige Roomse Rijk te kronen was nog niet vastgesteld. Willem zou volmaakt gelukkig zijn geweest was er niet de West-Friese kwestie geweest, een open wond die maar niet wilde helen. In feite waren de Friezen de oorspronkelijke bewoners en de Hollanders de indringers, maar aan het hof van Willem II ging het verhaal dat de Hollanders officieel door de Duitse keizer met Holland, Zeeland en West-Friesland beleend waren. De West-Friezen waren dus manschap verschuldigd aan de Hollandse graaf. De Friezen dachten hier heel anders over. Zij claimden van niemand minder dan Karel de Grote zelfbeschikkingsrecht gekregen te hebben en verdomden het hun hoofd en knie te buigen. Pogingen de kwestie met geweld te regelen liepen steevast op een mislukking uit, met als dieptepunt het sneuvelen van Hollandse graaf Arnulf in AD 993. Het terreinvoordeel van de Friezen was met de toenmalige militaire middelen onoverbrugbaar: West-Friesland werd verdedigd door het water.
Maar wat gebeurt. Na de Kerstdagen wordt het zo godvergeten koud dat al
het oppervlaktewater bevriest. Als Willem hoort dat de vorst nog zeker
een week zal aanhouden, krijgt hij een lumineus idee. Hij verzamelt een
legertje, begeeft zich naar Alkmaar, overnacht daar en trekt de
volgende dag over het ijs het West-Friese land binnen. Het is prachtig
helder weer, oostenwindje, zonnetje schijnt, de stemming is reuze en
iedereen heeft er zin in. Normaal valt er 's winters niet zo veel te
beleven, maar nu gaan ze die verdomde Friezen pakken zoals ze nog nooit
gepakt zijn en alle vorige nederlagen wreken. In gedachten worden de
dochters en de buit al verdeeld.
De Friezen, voor wie de oorlog met de Hollanders geen mannelijk vertoon
was, maar een kwestie van leven of dood - geen nagespeelde ridderroman,
maar bittere werkelijkheid - geen toernooiveld waar men zijn
maatschappelijke positie kon verbeteren, maar het verdedigen van eigen
huis en haard - de Friezen bleven staan... Tegen de tijd dat Willem
zich dat realiseerde, voltrok zich een ramp. Om te beginnen was Willem
veel te ver voor de anderen uitgereden. Of hij er als een gek vandoor
gegaan is of dat de anderen zijn 'Ik val aan, volg mij!" niet gehoord
of begrepen hadden, wij weten het niet. Feit is dat hij daar moederziel
alleen stond, oog in oog met een horde woeste Friezen.
We schrijven het jaar 1282 als Willem zoon Florens V er mede dankzij
een amfibische operatie in slaagt door te dringen tot Hoogwoud, het
hart van West-Friesland. Een eerdere veldtocht tien jaar geleden was op
de zoveelste catastrofe uitgelopen. Maar nu was het dan eindelijk zo
ver. De Hollanders gingen op zoek naar hoogbejaarde West-Friezen in de
hoop en verwachting dat zich daar ooggetuigen van de 'Slag bij Vronen'
onder zouden bevinden. De chroniqueur Willelmus Jacobi (12??-ca. 1335),
eerst kapelaan van de Dirk van Bredero (die in 1287-1288 een veldtocht
tegen de West-Friezen leidde), later procurator (penningmeester) van
het Benedictijner klooster te Egmond, vertelt even geestig als cynisch
hoe men een stokoud mannetje een beetje door elkaar rammelt, waarna de
man hen meeneemt naar een huis en daar onder de haardplaat de plek
aanwijst waar het lichaam van Willem begraven zou liggen. De spa gaat
in de grond... en ja hoor, daar stuit men op een geraamte. De botten
worden gewassen en met alle mogelijke eerbied en devotie overgebracht
naar de abdij van Middelburg op Walcheren. Graaf Willem is geborgen, de
eer is gered!
De dood is samen met het leven het grootste raadsel waarvoor de mens
zich geplaatst ziet. Wat is dood? Ten tijde van Willem II had men daar
zo zijn gedachten over. Om te beginnen bleef men geloven in een relatie
tussen ziel en lichaam. Het lichaam was weliswaar dood, maar je kon het
welzijn van de ziel beïnvloeden door op een bepaalde manier met het
lichaam om te gaan. Was je goed voor het lijk dan voelde de geest van
de overledene zich daar prettig bij. Was je slecht voor het lichaam,
sloeg je het, hakte je het in stukken, gaf je het aan beesten te eten,
dan maakte je de geest ongelukkig. Je kon dus iemand in het hiernamaals
straffen of belonen. Het ergste dat je een stoffelijk overschot kon
aandoen was het te verbranden en de as in de wind te verspreiden, iets
dat nu juist door velen gewenst wordt.
Met alle respect voor het archeologische speurwerk van mijnheer Dijkstra, maar de kans dat Florens inderdaad is teruggekeerd met de stoffelijke resten van zijn vader is even groot als dat de lijkwade van Turijn echt is. Willem.Kuiper@Let.UvA.NL |