# Date: Mon, 15 Jan 1996 16:47:05 +0100 (MET)
# From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@let.UVA.NL>
# Subject: Col: 9601.11: Column Willem Kuiper, no. 22: "Over
# vrouwen en vriendinnen"
Column Willem Kuiper, no. 22:
Over vrouwen en vriendinnen
Het is lente in Limborch als hertog Otto besluit een jachtpartij te
organiseren om zijn zestienjarige zoon Heinric in de gelegenheid te
stellen haantje de voorste te spelen. Ook Margriete, zijn dertienjarige
dochter mag mee. Als toeschouwster welteverstaan, jagen is mannenwerk.
Tot zover niks bijzonders. De honden worden ontkoppeld, pakken het
spoor van een hert op, en zetten het op een lopen, het grote bos in. En
de hele meute daar joelend en vloekend zo rap mogelijk achteraan. Wiens
hazewind het hert doodt, heeft gewonnen.
Margriete, die als net meisje, met beide
beentjes aan een kant van
het paard zit - de amazonezit - kan het tempo onmogelijk volgen en
verdwaalt hopeloos als zij in haar eentje de weg terug tracht te
vinden. Reeds valt de avond. Als ze eindelijk een plek gevonden denkt
te hebben waar ze veilig kan overnachten wordt ze aangevallen door een
wilde beer. Gelukkig kan ze bijtijds een boom in vluchten zodat niet
zij, maar haar trouwe viervoeter opgegeten wordt. De nacht brengt zij
biddend en wakend door.
's Ochtends vroeg hoort zij een medemens zijn
nood klagen. Het is
een koopman wiens kar met handel door struikrovers is afgepakt.
Margriete roept hem aan en slaagt erin de stakker ervan te overtuigen
dat wat hem is overkomen weliswaar heel erg is, maar dat wat haar is
overkomen nog veel ergerder is. De koopman laat zich overtuigen. Hij
zet zijn eigen sores aan de kant en gaat met haar op pad.
Helaas, elke stap die zij zetten is er een de
verkeerde kant op.
Wat heet! Ze vallen in handen van duivels die eruit zien als een
stelletje vrolijke jonge lieden dat een rijtoer maakt. Terwijl
Margriete en de koopman hun slaapachterstand inhalen, rijdt de wagen
met een rotgang de zuiderzon tegemoet.
's Avonds arriveren ze bij een fantoomkasteel
dat door duivels in
mensengedaante bevolkt wordt. De aanslag op Margrietes eerbaarheid
mislukt als zij gewoontegetrouw een kruisteken slaat en daarmee een
eind aan alle illusie maakt.
Daar zitten ze dan, in een onbekend land. Hee,
daar heb je de zee!
Terwijl de koopman op zoek gaat naar een autochtoon die hen kan
vertellen waar ze zitten, landt een sloep en wordt Margriete
meegenomen. Het schip zet koers naar Athene en daar wordt ze bij wijze
van inkomstenbelasting opgeëist door de graaf, die besluit dit
prachtige meisje als dienstmaagd aan zijn vrouw cadeau te doen.
Margriete vindt het voorlopig best. Ze is
veilig. Natuurlijk
vertelt ze niet dat zij van hoge adel is - dat vraagt om misbruik -
maar ze wendt voor de dochter van de arme koopman te zijn die alleen
achterbleef.
Maar hoe low profile Margriete zich ook opstelt, haar verschijning
brengt het hoofd op hol van Echites, de zoon van de graaf. En hij maakt
daar geen geheim van. In een tête-à-tête dat sterk doet denken
aan de
dialoog tussen Mennoen en Pollexine in Seghers Prieel van Troyen,
verklaart hij haar zijn liefde en vraagt om 'troost'.
Margriete die goed genoeg is voorgelicht om te
weten wat Echites
met 'troost' bedoelt, gaat hier niet op in. Ze is niet hoog genoeg om
zijn 'wijf' te zijn, zegt ze, en ze voelt er niets voor zijn 'amie' te
worden.
Echites laat zich hierdoor echter niet
ontmoedigen en blijft
Margriete als een schaduw volgen. Totdat zijn moeder het getortel beu
wordt en hem streng tot de orde roept. Zo vast is zij ervan overtuigd
dat dit vreemde meisje een tovenares is, dat ze haar zoon met een
smoesje uit logeren stuurt en van diens afwezigheid gebruik maakt om
Margriete op de brandstapel te zetten.
Deze beginpassage van de Roman van Heinric en Margriete van Limborch
op creatieve wijze gejat door de auteur van de (drie) abele spelen. In
Lanseloet van Denemerken zien wij hoe de zoon des huizes aan
hormoonstuwingen lijdt van wege Sanderijn, een meisje uit het gevolg
van zijn moeder.
Als Lanseloet haar zijn liefde verklaart en om
'raet' vraagt,
krijgt ook hij als antwoord dat zij veel te laag geboren is om zijn
'wijf' te kunnen zijn en dat ze ervoor past iemands 'vriendinne' te
zijn.
In Op belofte van profijt <Amsterdam
1991> hebben Herman Pleij en
Orlanda Lie Lanseloet van Denemerken geïnterpreteerd als exemplarisch
voor een nieuwe, stedelijke huwelijksmoraal. Konden in oudere romans
gelieven elkaar gerieven buiten het huwelijk om, nu mag dat niet meer.
Om een lang verhaal kort te maken: ik geloof
daar niets van.
Echites wil helemaal niet huwen met Margriete als hij haar zijn liefde
verklaart en om troost vraagt. Evenmin als Lanseloet met Sanderijn wil
trouwen. Geen sprake van. Het huwelijksaanzoek dat Reynout haar
naderhand zal overbrengen is Wiedergutmachung, een heilloze poging zijn
zondeval ongedaan te maken.
Beide jongeheren willen helemaal niet huwen.
Ben je gek. Ze willen
zich zorgeloos, eindeloos en mateloos overgeven aan de geneugten van
het vlees. Zoals Erec dat met Enide deed in de gelijknamige roman. <Dit
lijkt een slecht voorbeeld omdat Erec en Enide gehuwd waren, maar de
kneep zit hem er nu juist in dat Erec Enide niet als zijn echtgenote
maar als zijn geliefde behandelde.> Echites en Lanseloet begeren het
object van hun liefde als minnares, niet als echtgenote. Huwelijkse
zaken, daar gaan de ouders over. Vrouw (wijf) betekent hier zoveel als
door het hof geaccepteerd. Vriendin (amie) betekent dat de verhouding
door het standsverschil in het openbaar not done was.
Wat beide meisjes hun vrijers proberen uit te
leggen is dat zij te
ongelijk zijn voor een normale buitenechtelijke relatie. Het hof van
Athene noch het hof van Denemerken zouden accepteren dat hun kroonprins
er als geliefde een meisje uit het gevolg van zijn moeder op na houdt.
Stel je het omgekeerde voor, een meisje uit de
Balkan raakt in
Nederland verzeild - laten we haar voor het gemak Tatjana noemen - en
krijgt door een speling van het lot een baan aangeboden bij de bewaking
van het koninklijk paleis Huis ten Bosch. Toevallig komt onze
kroonprins langs, hij ziet haar, en denkt *.*! Je denkt toch niet dat
hij Tatjana mee mag nemen op staatsbezoek of dat zijn moeder het leuk
vindt als hij met haar in de sauna wordt gefotografeerd?
Zo ongeveer denken dus ook de moeders van
Echites en Lanseloet
erover, en niemand die dat gek vindt.
Dat ik dit ter sprake breng komt door de nieuwe editie van dit abele
spel <Amsterdam 1995> door de Groningse hoogleraar Hans van Dijk. In
zijn woordverklaring neemt hij een suggestie over van mijn Leidse
collega's Wim van Anrooij en Remco Sleiderink: 'Averne' - Sanderijns
vader is volgens haar zeggen schildknaap van de koning van Averne - zou
niet 'Auvergne' in Frankrijk zijn maar 'Navarra' in Spanje. Zij hebben
in heraldieke teksten contaminatie van Averne en Navarra aangetroffen,
en kiezen - omdat Auvergne geen koninkrijk is en Navarra wel - ervoor
Sanderijns vader in Spaanse dienst te laten strijden.
Door mijn werk aan het Repertorium van
Middelnederlandse Eigennamen
ben ik enigszins vertrouwd met de materie. Namen kunnen inderdaad de
raarste verbasteringen ondergaan. Zo houd ikzelf 'Lanseloet vander
Merken' voor mogelijk - maar niet meer dan dat - dat is de
Middelnederlandse vertaling van La Marche, een regio in Frankrijk die
aan Auvergne grenst.
Dat Averne volgens de Oosthoek encyclopedie
geen koninkrijk is,
zegt me niet zo veel. Auvergne was ten tijde van de abele spelen
eigendom van de Franse kroon en werd in 1360 in leen gegeven aan Jean
III, de fameuze hertog van Berry en Auvergne. Jean III (1340-1416) was
zoon (van Jan II, le Bon), broer (van Charles V) en oom (van Charles
VI) van een Franse koning, en tijdens de krankzinnigheid van Charles VI
diens plaatsvervanger. De staat die hij voerde was meer dan royaal.
Tijdens de Honderdjarige Oorlog komt Jean definitief in het bezit van
de Poitou en daarmee van het slot te Lusignan, het kasteel dat door de
fee Melusine gebouwd zou zijn en waarop een vloek rustte: het bleef
niet langer dan dertig jaar in dezelfde handen, en bij een wisseling
van eigenaar zou Meluzine verschijnen.
Jean die dit in 1392-1393 door Jean d'Arras had
laten uitzoeken en
te boek stellen, wil het met eigen ogen aanschouwen. Aan het slot van
de 'historie' brengt Jean daarom de nacht door op het bewuste kasteel
en inderdaad, hij ziet Melusine in haar gedaante van 'alvinne': boven
de navel een vrouw en daaronder een serpent.
En niet alleen Jean, ook de vrouw die het bed
met hem deelt. Nee,
niet zijn echtgenote, maar een bijvrouw, een minnares, een maîtresse.
Hoe haar naam luidt? Zandrine...
Willem.Kuiper@Let.UvA.NL
|