| Vorige Miniatuurtje |
|
Volgende Miniatuurtje | ||
| Vorige Artikel |
|
Volgende Artikel |
LINGUISTISCH MINIATUURTJE XX
Zie dat maar eens uit te leggenVerschenen in: NEDER-L, februari 1995
Alhoewel niemand weet of het begrip subcategorisatie eigenlijk wel bestaat, en zo ja, wat het dan precies inhoudt, is de gemiddelde taaltechnoloog gedwongen om op de een of andere plaats in zijn grammatica aan te geven wat de beperkingen zijn op de diverse argumenten bij werkwoorden of andere semantische kernwoorden. De klassieke opvatting ten aanzien van subcategorisatie houdt ongeveer in dat voor ieder werkwoord (laten we ons even tot werkwoorden beperken) lexicaal bepaald is welke argumenten het neemt, en wat voor vorm die aannemen. Zo subcategoriseert "wachten" voor een voorzetselvoorwerp met "op", en "verwachten" wil juist een lijdend voorwerp in de vorm van een NP of een zin. Hele generaties werken met de klassieke subcategorisatie, en zeker in praktische toepassingen, dus "iets" moet ervan kloppen. Ik kan er niks aan doen, maar toch loop ik iedere keer weer tegen problemen aan die ik binnen de bestaande kaders niet kan oplossen. Als ik dan even doorredeneer, kom ik allerlei angstaanjagende consequenties tegen. Loopt u even mee? Wat is het subcategorisatieframe van het werkwoord "zien"? Een NP, goed: "ik zie een probleem". Een dat-zin (CP), ook goed: "ik zie dat het regent". Een infinitiefzin zonder "te" met raising to object, of een VP, of hoe je 't ook wil noemen: "ik zie hem dansen". Allemaal niks op aan te merken. Maar wat moet ik nou met de constructie: "zie dat maar eens uit te leggen"? Op basis van dit laatste voorbeeld zou je zeggen dat "zien" ook subcategoriseert voor een infinitiefzin met "te", met raising to object, of scrambling, of welk ander konijn er dan ook uit de hoge hoed getoverd dient te worden. Maar het kenmerk van subcategorisatie is juist dat de syntactische vorm waarin de zin gegoten wordt, er niet toe doet: imperatief, verleden tijd, perfectum, dat mag allemaal niet uitmaken. Maar waarom kun je dan niet zeggen: *"ik zag dat gisteren pas uit te leggen"? Bij nader inzien blijkt de constructie met "zien" en een te-zin beperkt tot die omgevingen waarin een modale bepaling zoals "maar eens" ("nou eens", "nog", "weer") staat, en het werkwoord gemodificeerd is door een imperatiefvorm, of door een modaal hulpwerkwoord. Kijk maar: "ik moet dat nog zien uit te leggen", "ik mag dat zeker weer zien uit te leggen", "jij zou dat toch zien uit te leggen?". Twee modale hulpwerkwoorden gaan niet echt goed, "willen" en "kunnen": ?"ik wou dat vorige week al zien uit te leggen", en *"ik kan dat maar niet zien uit te leggen". De reden lijkt me dat "willen" met een menselijk subject (dat nodig is voor "zien") moeilijk in z'n modale betekenis te dwingen is, en in geval van "kunnen", dat de constructie met "zien" zelf al die betekenis van "kunnen" in zich draagt. Maar goed, modale bepaling dus, plus een modaliteit in het gezegde. Deze toevoegingen veranderen overigens het hele subcategorisatieframe. Ook de dat-zin moet een of-zin worden: "zie maar eens of je dat kunt uitleggen" (hee, wat moet dat "kunnen" daar in de bijzin?). De overeenkomst tussen het modale hulpwerkwoord en de imperatief lijkt uiterst suggestief. Is de imperatiefvorm een abstract modaal hulpwerkwoord? Dit is een interessante gedachte die nader onderzoek waard lijkt. Daar zal ik hier niet nader op ingaan. Zouden we naar aanleiding van dit soort voorbeelden niet het verschijnsel subcategorisatie anders moeten organiseren? Waar het op lijkt is, dat het uiteindelijke subcategorisatieframe van de zin een gevolg is van de keuze voor het werkwoord "zien", EN de dubbele modale modificatie (hulpwerkwoord en "maar-eens"-bepaling). Met andere woorden: is subcategorisatie compositioneel? Het compositionele karakter van subcategorisatie kan met een aantal verschijnselen onderbouwd worden. Zo zijn daar bijvoorbeeld de constructies met "laten". Wat moeten we daar eigenlijk mee? We kunnen observeren dat toevoeging van "laten" een element aan het subcategorisatieframe toevoegt ("iemand doet iets" en "iemand laat iemand iets doen"), maar tegelijkertijd dat (in ieder geval het causatieve) "laten" niet echt een eigen subcategorisatieframe heeft: "iemand laat iets" is niet het causatieve "laten". Een analyse in het klassieke model maakt van het causatieve "laten" toch een zelfstandig werkwoord, en roept de hulp in van raising to object, scrambling, of ander konijn. Waar je dat bij "zien" nog kunt verkopen, lijkt dat bij " laten" problematisch. En dan zijn er ook nog de beroemde voorbeelden als "van Vestdijk heb ik een roman gelezen". In een artikel in 1993 heb ik ooit de stelling verdedigd dat in deze constructies het nomen "roman" subcategoriseert voor een PP met "van", maar dat de NP "een roman" samen met het werkwoord "gelezen" een complex gezegde vormt "een roman gelezen", dat vervolgens als geheel de subcategorisatie van de PP overneemt. Daardoor wordt de PP "van Vestdijk" een soort compositioneel gegenereerd voorzetselvoorwerp bij het gezegde "een roman gelezen". Uiteraard zijn er ook andere analyses mogelijk (subcategorisatie is vrij, en bepaalde combinaties genereren bepaalde betekenissen), maar de gedachte dat subcategorisatie compositioneel is lijkt niet echt gek. Kunnen we hiermee ook Verb Raising niet heranalyseren? Peter-Arno Coppen |