Vorige Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgende Miniatuurtje
Vorige Artikel Terug
Vooruit Volgende Artikel

LINGUISTISCH MINIATUURTJE XXIX

Alweer raak

Verschenen in: NEDER-L, januari 1996

In mijn allereerste miniatuurtje schreef ik over de constructie "je treft het dat ik thuis ben". Het probleem bij deze zin was dat een traditionele ontleding in alle gevallen vreemde resultaten opleverde. Ten eerste is "het" niet te benoemen als een voorlopig lijdend voorwerp. Immers, in dat geval zou de bijzin "dat ik thuis ben" het lijdend voorwerp moeten zijn en het werkwoord een subcategorisatieschema moeten hebben als "iemand treft iets". Bovendien kun je niet zeggen *"dat ik thuis ben tref je (het)", of *"wat tref ik dat je meegenomen hebt?" Een dichtbijzijnde parafrase als "het treft (voor jou) dat ik thuis ben" leek syntactisch geen haalbare kaart. Mijn oplossing was indertijd om de constructie te analyseren als "motiverende dat-zin", naar analogie van een constructie als "het is zeker feest, dat er overal lichtjes branden".

Nou ben ik over het algemeen nooit te beroerd om terug te komen op een analyse, maar de bovengeschetste overwegingen lijken me nog steeds geen onzin. Onbevredigend is het eindresultaat ondertussen w`el: het woordje "het" zou nu als loos lijdend voorwerp benoemd moeten worden, en de constructie heeft geen relatie met semantisch verwante constructies als "dat treft". Is er nou echt niets te verzinnen waar die relatie mee gelegd kan worden?

Het Nederlands kent een uitgebreid scala van zogenoemde "psych-verbs"; werkwoorden die op de een of andere manier naar gevoelens of ervaringen van personen verwijzen. Voorbeelden zijn "storen, ergeren, bevallen, verheugen, ontroeren, verbazen". Ze komen allemaal voor in de constructie "iets V iemand": "iets stoort iemand, iets ergert iemand, etc". Het subject in deze constructie heeft een thema-betekenis, en het object lijkt een datief. Ook het werkwoord "treffen" heeft een betekenis waarmee het in dit rijtje past. Wanneer het "ontroeren" betekent, krijg je "iets treft iemand". De iemand lijkt hier een doel/datief-rol te vervullen. Wanneer de doel-betekenis impliciet blijft, en de datief een zuivere belanghebbende wordt, krijg je "iets treft (doel) voor iemand". Dat is onze betekenis.

Veel psych-verbs kennen een alternatieve constructie. Naast "iets ergert iemand" heb je "iemand ergert zich aan iets", naast "iets verbaast iemand" "iemand verbaast zich over iets". Niet alle psych-verbs doen dit: "bevallen, irriteren, raken, ontroeren" kennen deze constructie niet.

De twee varianten zouden syntactisch afgeleid kunnen worden van een onderliggende vorm waar de datief en het thema beide als interne argumenten (objecten) bij het werkwoord staan. Een soort ergatieve analyse dus. Zo zou je bijvoorbeeld krijgen "iemand (over) iets verbazen". Als "over" er niet bij staat gaat "iets" naar voren om de subjectpositie in te nemen, en als "over" er wel bijstaat, moet "iemand" naar voren. De plaats van "iemand" wordt dan ingenomen door de dummy "zich", waarvan geargumenteerd kan worden dat het geen nieuwe thematische rol vervult (dit is niet geheel oncontroversieel overigens).

Stel we doen dat met onze treffen-constructie ook zo. Dan zouden we voor de betekenis die we willen hebben ("geluk hebben") kunnen voorstellen: "(voor) iemand iets treffen". Stel nu, dat "voor" erbij staat. Dat gaat "iets" naar de subjectpositie en krijgen we "iets treft voor iemand". Als "iets" een bijzin is, wordt dat "het treft voor iemand dat er iets gebeurt". Prima. Stel nu dat "voor" er niet bij staat. In dat geval zouden we moeten krijgen "iemand treft iets", ofwel, met pronomina "ik tref iets". En dat gebeurt niet.

Kunnen we hier nog uit komen? Misschien wel. Allereerst zouden we kunnen proberen onze constructie als een "taalfout" te brandmerken. Vanuit de "goede" constructie "jou treft het dat ik thuis ben" zouden we dan kunnen krijgen "jij treft het dat ik thuis ben". Heel verleidelijk, maar het kan niet goed zijn. Ten eerste zouden we verwachten dat de "goede" constructie dan nog zou voorkomen (hetgeen niet het geval is), en ten tweede lijkt de "fout" zodanig ingeburgerd dat hij in ieder geval tot de grammatica van de huidige generatie behoort. En hoe moet de constructie daar dan geanalyseerd worden?

Een andere mogelijkheid is, om te stellen dat de "treffen"-constructie geen thematische rol heeft voor het iets-object. In dat geval krijgen we nooit "iets treft voor iemand", maar alleen "het treft voor iemand" met "het" als loos onderwerp, en "iemand treft het" met "het" als loos lijdend voorwerp. De onderliggende structuur is dan "(voor) iemand het treffen". De bijbehorende dat-zin is dan in beide constructies te beschouwen als de bekende "motiverende dat-zin". Met andere woorden: in de zin "het treft voor jou dat ik thuis ben" is "het" geen voorlopig, maar loos onderwerp. Net zoals in "jij treft het dat ik thuis ben" het woordje "het" ook loos is. Ten slotte is "dat" in "dat treft" dan ook te beschouwen als een versterkt maar themaloos onderwerp, te vergelijken met "dat regende en regende maar". Je kunt vrijwel geen andere referentiele expressie voor "dat" invullen: *"je thuiskomst treft", *"deze uitslag treft".

Samenvattend: "treffen" is ergatief, subcategoriseert voor object en indirect object, zonder thema voor het object. Bovendien accepteert de constructie de motiverende-datzin. Had ik toch gelijk.

Peter-Arno Coppen


[Alle Miniatuurtjes]