| Vorige Miniatuurtje |
|
Volgende Miniatuurtje | ||
| Vorige Artikel |
|
Volgende Artikel |
LINGUISTISCH MINIATUURTJE XXX
Beter fout en op tijd dan goed en te vroegVerschenen in: NEDER-L, mei 1996
De publicatie van Steven Abney uit 1986 waarin een "sententiele analyse" van de Engelse Noun Phrase wordt voorgesteld lijkt me een goed taalkundig voorbeeld van een theorie die voornamelijk aanslaat omdat ze op het juiste moment wordt uitgesproken. Dit verschijnsel is ook bekend uit andere wetenschappen. De kunst is om ideeen pas voor het voetlicht te brengen als de tijd rijp is. Argumentatie lijkt minder belangrijk. Ik heb Abneys argumentatie destijds herhaaldelijk gelezen en ik ben er nog steeds van overtuigd dat hij een paar jaar eerder geen schijn van kans gehad zou hebben. Voor wie niet weet waar het over gaat een korte samenvatting: Abney signaleert een overeenkomst tussen de Engelse woordgroepen "John is singing in the choir" en "John's singing in the choir". Beide woordgroepen zijn afgeleid van het werkwoord "to sing", maar de eerste woordgroep is sententieel en de tweede is nominaal. Het sententiele aspect wordt in de theorie verkregen door een zogeheten functionele categorie: de inflectie van de zin is gesitueerd in een categorie I, die conform de principes van de X-bartheorie het hoofd is van een woordgroep IP. De verbale woordgroep van "to sing" is het complement van de IP. Het subject van de VP verhuist bij aanwezigheid van inflectiekenmerken naar de specifierpositie van IP. De hoofdpositie in de IP wordt ingenomen door de auxiliary, indien aanwezig. Aldus krijgen we de woordvolgorde "John is singing in the choir". Welnu, zegt Abney, als we nou eens voor het nominale aspect dezelfde manoeuvre uitvoeren. We nemen hiervoor een aparte functionele categorie aan, zeg D (voor "Determiner"), en maken de VP het complement in een DP. Net als bij de IP kan het subject van de VP naar de specifierpositie en we krijgen de woordvolgorde "John's singing in the choir". Als ik het zo samenvat klinkt het niet eens zo onaantrekkelijk. Natuurlijk, de determiners vormen net als de hulpwerkwoorden een gesloten klasse. En alleen op deze manier wordt de gelijke basis van de twee besproken woordgroepen verantwoord. Bovendien past de analyse met functionele projecties in het tijdsbeeld. Wat willen we nog meer? Toch is de analyse niet zo onproblematisch als ze lijkt. Het ergste is nog dat Abney zelf slechts een paar pagina's verder het voorbeeld dat het uitgangspunt voor zijn argumentatie vormt, een verrassende andere analyse geeft. Het zal duidelijk zijn, dat ook in mijn samenvatting gesuggereerd wordt dat de hoofdpositie van de DP, de D, ingenomen wordt door het genitiefsuffix "'s". Immers, juist op die manier wordt de overeenkomst tussen de twee woordgroepen benadrukt. Helaas blijkt dat Abney iets anders in gedachten heeft. De genitiefconstructie krijgt een andere analyse waarvoor een nieuwe functionele projectie wordt verzonnen (de KP), waar niemand sindsdien iets van vernomen heeft. Ook als we de argumentatie voor Abney's analyse proberen te kopieren naar het Nederlands komen we voor problemen te staan. We zouden, enigszins geforceerd, naast elkaar kunnen zetten "Jan is hockeyen", met hulpwerkwoord van aspect "zijn", en "Jan's hockeyen", met genitiefsuffix (nieuwe spelling). Maar iedereen die even verder denkt komt onmiddellijk de problemen tegen: "Jan is een bos bloemen kopen" gaat prima, maar "Jan's een bos bloemen kopen" kan al niet meer. Ook de meer theoretische implicaties van de analyse zijn voor het Nederlands problematisch. Neem bijvoorbeeld het woordje "te". In het Engels is het aannemelijk te maken dat het woordje "to" de plaats inneemt van de auxiliary, met andere woorden, "to" is het hoofd van de IP. Maar in het Nederlands is daar geen argumentatie voor te vinden. Immers, als de VP het complement is van de IP, dan zou je verwachten dat de objecten van de V tussen de I en de V in zouden staan, net zoals ze ook tussen hulpwerkwoord en zelfstandig werkwoord komen te staan. Maar scheiding van "te" en het bijbehorende werkwoord is in het Nederlands absoluut onmogelijk. Hoe de analyse van "te" in het Nederlands ook zou zijn, onder Abney's theorie zou je verwachten dat het lidwoord zich hetzelfde zou gedragen. Maar terwijl een woordgroep als "(om) te een bos bloemen kopen" volstrekt ongrammaticaal is, kan "het een bos bloemen kopen" er nog best mee door. De linguisten die Abney's theorie overnemen zijn natuurlijk niet dom. Een aantal problematische zaken in de analyse van de Noun Phrase vallen onder de DP-theorie inderdaad op hun plaats. Niet alleen de geslotenheid van de klasse van determiners wordt zo verantwoord, maar ook de analyse van pronomina is ineens erg gemakkelijk. Persoonlijke voornaamwoorden zijn gewoon DP's zonder complement. Daarmee worden pronomina beschouwd als determiners, iets wat Paul Postal in 1969 ook al eens beweerd had. Ondanks dat Postal's argumentatie beter was dan die van Abney later, werd hij destijds stevig aangepakt in een artikel van Delorme en Dougherty. Eigenlijk was hij gewoon te vroeg.
Peter-Arno Coppen |