Vorige Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgende Miniatuurtje
Vorige Artikel Terug
Vooruit Volgende Artikel

LINGUISTISCH MINIATUURTJE XXXI

Alles kan

Verschenen in: NEDER-L, juli 1996

Taalgebruikers hebben de neiging om zich aan alles en nog wat te storen. De eerlijkheid gebiedt mij te verklaren dat ik mezelf daar ook nog wel eens op betrap. Zo maakte ik het afgelopen jaar nog mee dat in een door mij geschreven folder iemand van onze afdeling Studentenzaken alle voorkomens van de frase "je kunt" had veranderd in "je kan". Nou zal ik niemand erop aankijken die zo schrijft, maar als mijn eigen naam eronder staat doet dat me nog wel iets. Waarom eigenlijk?

Het gebruik van "kan" en "zal" in de tweede persoon, in plaats van "kunt" en "zult", hoor je wel vaker. In een discussie hierover in de internet-nieuwsgroep nl-taal vergeleek iemand dit verschijnsel met de tegenstelling "u heeft" tegenover "u hebt", maar dat lijkt me onwaarschijnlijk.

Zelf werd ik bij het schrijven van een formele grammatica eens geconfronteerd met deze gevallen. Ik was op zoek naar een puur formele, zuinige codering voor werkwoordvormen. Als je kijkt naar de verschillende werkwoordvormen in het Nederlands, dan kun je opmerken dat er wat betreft de finiete werkwoorden maar een paar relevante criteria bestaan. De werkwoordvormen worden bepaald door het getal (enkel- of meervoud), tijd (tegenwoordige of verleden tijd), en persoon (eerste, tweede of derde persoon). In een fantasieloze implementatie zou je hiervoor twee binaire features kunnen gebruiken en een driewaardig. Je zou dan in staat zijn om 12 verschillende werkwoordvormen te onderscheiden.

Als je zo'n implementatie evalueert, dan merk je op dat dit een vreselijk redundant systeem is. Immers, er is geen enkel werkwoord in het Nederlands dat 12 finiete vormen heeft. Zelfs de meest variabele werkwoorden ("zijn" en "hebben") hebben er maar 5. De conclusie is dan ook, dat het in het Nederlands blijkbaar anders in elkaar zit.

Een zuiver formele benadering levert al het volgende op: werkwoorden met een markering voor verleden tijd of meervoud maken geen persoonsonderscheid. Dat betekent: bij zo'n markering kunnen persoonskenmerken als irrelevant worden weggelaten. Dat levert in het meervoud en de verleden tijd maar drie klassen op in plaats van negen.

Alleen in het enkelvoud van de tegenwoordige tijd spelen persoonskenmerken een rol. Het maximale aantal klassen daarbij is drie. In theorie zou dat met twee binaire features beschreven moeten kunnen worden. Nu maken de meeste werkwoorden alleen een onderscheid tussen eerste persoon ("slaap") en tweede-of-derde-persoon, zeg maar: niet-eerste persoon. Het ligt dus voor de hand om dit te beschrijven met een binair feature [+eerste] versus [-eerste]. Er is een heel kleine groep werkwoorden (ruwweg de modale hulpwerkwoorden), die een andere opdeling maken: deze werkwoorden maken traditioneel een onderscheid tussen tweede persoon en eerste-of-derde persoon, zeg maar: niet-tweede persoon. Bij deze werkwoorden (kunnen, zullen, willen, mogen, moeten) is de derde persoon steeds gelijk aan de eerste. In geval van "mogen" en "moeten" is de tweede persoon ook daaraan gelijk, maar daar kom ik beneden nog op terug. In ieder geval ligt hiervoor een feature [+tweede] versus [-tweede] voor de hand.

Met een aldus afgeleid featuresysteem kunnen ook gemakkelijk de twee overblijvende werkwoorden "hebben" en "zijn" beschreven worden als de enige twee werkwoorden die een combinatie van de systemen gebruiken. Eerste persoon is daar [+eerste], tweede persoon is [+tweede], en derde persoon is [-eerste,-tweede]. De markeringen [+eerste] en [+tweede] sluiten elkaar (natuurlijk) uit.

Is dit wat er werkelijk aan de hand is met het Nederlandse werkwoordsysteem? Zijn de veranderingen die het werkwoord ten opzichte van de stamvorm ondergaan inderdaad gestuurd door deze features? In dat geval kunnen we eenvoudigweg stellen dat meervoud correspondeert met schwa (eventueel met /n/), en verleden tijd met dentaal gevolgd door schwa. De eigenschap die de uitgang /t/ in de tweede en derde persoon enkelvoud oplevert is dan [-eerste] (maar we kunnen dat ook positief formuleren als [+ander dan ik]). Bij de modalen "kunnen", "zullen" en "mogen" zien we dat het feature [-tweede] (of [+ander dan jij]) een klinkerverandering ten opzicht van de stam oplevert, terwijl [+tweede] alleen de uitgang /t/ met zich meebrengt.

Onder deze aannames is ook duidelijk welke ontwikkeling hier plaatsgrijpt: de taalgebruiker ziet een afwijkend systeem, en probeert dit te herstellen door de tweede persoon gelijk te schakelen met de eerste en derde. Hierdoor valt de hele persoonsmarkering bij de betreffende werkwoorden weg. We zien dat al doorgevoerd bij "moeten" en "mogen" (was dat vroeger ook niet "jij moogt"?), en bij "willen" is "jij wil" niet eens zo gek. De andere twee houden het nog een tijdje vol, maar het is de vraag hoe lang nog.

Met de gevallen "u heeft" versus "u hebt" heeft dit alles natuurlijk niets te maken. In de gevallen van "kunnen" en "zullen" is naar mijn smaak "jij kan" en "jij zal" nog beter dan "u kan" en "u zal". Deze laatste vormen lijken zich nog het sterkste te verzetten tegen gelijkschakeling. Ongetwijfeld doordat bij inversie "kun je" en "zul je" de /t/ toch al wegvalt. Hetgeen bij "kunt u" en "zult u" niet het geval is.

Peter-Arno Coppen


[Alle Miniatuurtjes]