| Vorige Miniatuurtje |
|
Volgende Miniatuurtje | ||
| Vorige Artikel |
|
Volgende Artikel |
LINGUISTISCH MINIATUURTJE XXXII
Als dit 't nou eens wasVerschenen in: NEDER-L, september 1996
Ik heb altijd gedacht dat het naamwoordelijk deel van het gezegde in het Nederlands in de oblique naamval stond. Immers, je zegt "als ik jou was" en niet "als ik jij was". Nu ik echter wat beter naar die constructie kijk, blijkt dat het helemaal niet zo eenvoudig ligt. Zoals altijd bij die naamwoordelijke gezegdes lijkt de zogeheten "kooplieden-constructie" weer roet in het eten te gooien. Wie z'n klassieken een beetje kent, zal weten waar ik op doel. In de jaren zestig, zeventig woedde er een discussie onder Nederlandse grammatici over de traditionele ontleding van de constructie "dat zijn kooplieden". Kort gezegd kwam het hierop neer: is in deze zin het woordje "dat" het onderwerp, of is "kooplieden" het onderwerp? De verborgen dubbelzinnigheid gaf destijds de doorslag in de opvatting dat het woordje "dat" inderdaad als onderwerp benoemd zou kunnen worden. Je kon de zin aanvullen met: "die mensen daar, dat zijn kooplieden", of met "geraffineerd, dat zijn kooplieden". Aangezien in het tweede voorbeeld het woordje "dat" terugverwijst naar een onbetwistbaar naamwoordelijk deel, en deze zin een karakteristieke intonatie heeft die de eerste zin mist, kunnen we betogen dat in de eerste zin blijkbaar het woordje "dat" een andere functie vervult. Onderwerp is de enige mogelijkheid. Het probleem dat dit het enige voorbeeld is waarin het onderwerp niet met het gezegde congrueert, moeten we dan maar op de koop toenemen. Dan nu het oorspronkelijke probleem: als we in de "kooplieden-constructie" een enkelvoudig voornaamwoord invullen, krijgen we problemen. Je zegt "dat ben ik", en niet "dat ben mij". Als in die constructie "ik" het naamwoordelijk deel is, waarom staat het dan in de eerste naamval? En waarom is zowel "dat is hij" en "dat is 'm" goed? Als we de "kooplieden-test" toepassen op het eerste geval krijgen we "die jongen daar, dat is hij" en "geraffineerd, dat is hij". Als de eerste aanvulling zou betekenen dat "dat" het onderwerp is en "hij" naamwoordelijk deel, waarom mag dat naamwoordelijk deel dan in beide naamvallen staan? En waarom mag dat niet bij de andere personen? Ik ben eigenlijk nog nooit een overtuigende generatieve analyse van de kooplieden-constructie tegengekomen. Hij zal er wel zijn, maar ik ben er dan ook niet speciaal naar op zoek gegaan. In ieder geval, een miniatuurtje is een mooie gelegenheid om eens wat randvoorwaarden voor zo'n analyse te verkennen. Laten we eens even aannemen dat er, conform gangbare analyses in het generatieve kader, vier plaatsen zijn waar het subject kan resideren: spec-CP, spec-TP, spec-AGRs en spec-VP. Dan kunnen we constateren dat in de bijzin de eerste mogelijkheid wegvalt. Wat krijgen we nu in die bijzin? We hebben "als 'm dat is", "als-ie dat is", marginaal ?"als dat 'm is" maar zeker niet *"als dat hij is". Bij andere pronomina krijgen we alleen "als ik dat ben". Het feit dat in de bijzin *"als dat hij is" onmogelijk is, klopt ook met de hoofdzin met een bepaling op de eerste zinsplaats. Immers: "volgens mij is 'm dat" is prima, "volgens mij is-ie dat" ook, ?"volgens mij is dat 'm" is marginaal en *"volgens mij is dat hij" is fout. De conclusie die hieruit getrokken kan worden is, dat in de variant met "hij" en "dat" het element "dat" achter "hij" staat of op de eerste zinsplaats, een positie die normaliter alleen door verplaatsing bereikt kan worden. In de variant met "'m" en "dat" kan "dat" probleemloos v'o'or en na "hij" staan. Gesteld dat we, vanwege de dubbelzinnigheid, zowel een basisstructuur toestaan met "dat" op de subjectplaats als een met "dat" als object. In dat geval moeten we dus verantwoorden dat "hij" de eerste naamval krijgt als het v'o'or "dat" staat, tenzij "dat" naar de eerste zinsplaats is gegaan. De structuur met "hij" als subject (spec-VP) en "dat" als object (compl-VP) is in dat verband onproblematisch. Het probleem begint als "dat" het subject is en "hij" het object. In dat geval is de vraag: waar komen beide elementen terecht, zodanig dat ze beide de correcte naamval krijgen? In ieder geval kunnen we constateren dat een voornaamwoord in de eerste naamval congrueert met het werkwoord. We zouden dus verwachten dat "hij" naar Spec-AGRs gaat, zodat agreement met het werkwoord gegarandeerd is. Daar wordt tevens eerste naamval uitgedeeld, zodat ook dit aspect verantwoord is. De vraag is dan: waar krijgt "dat" z'n naamval? Er zijn twee mogelijkheden: ofwel "dat" blijft staan op de subjectpositie, ofwel "dat" wordt verplaatst naar een positie tussen AGRs en VP. In deze positie moet vervolgens naamval gecheckt worden. Maar als zo'n positie er is, waarom is "hij" daar dan niet al terechtgekomen? De enige conclusie lijkt dat een voornaamwoord als "hij", met een duidelijke naamvalsmarkering, zelf kieskeurig is met betrekking tot z'n landingspositie. "Hij" versmaadt blijkbaar de minderwaardige positie waarin "dat" later terechtkomt, om meteen door te stomen naar de machtige AGRs-plaats. Daar gebeurt het tenslotte allemaal. Dat is wel een heel aparte interpretatie van het principe GREED.
Peter-Arno Coppen |