Vorige Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgende Miniatuurtje
Vorige Artikel Terug
Vooruit Volgende Artikel

LINGUISTISCH MINIATUURTJE XXXIII

Erop of eronder

Verschenen in: NEDER-L, oktober 1996

De meeste spellingkwesties zijn vanuit taalkundig oogpunt niet bijster interessant. Over het algemeen hoef je geen volleerd grammaticus te zijn om goed te scoren bij het Nationaal Dictee, en andersom zullen de meest geniale grammatici niet veel beter dan gemiddelde spellers zijn. De commotie rond de recente spellingwijziging is daar maar weer eens het schrijnende bewijs van.

Toch zijn er een paar kluifjes in de Nederlandse spelling waar de doorsnee taalkundige nog wel wat vlees aan ziet zitten. Zo heb je de spelling van de werkwoordvormen, die vrij aardig met wat morfologische argumentatie onderbouwd kan worden, en de spelling van de voornaamwoordelijke bijwoorden en werkwoordelijke partikels, die in feite op taalkundige criteria gebaseerd is. De vraag van Rob van der Wildt in Neder-L 9609b, en het commentaar van Ben Salemans hierop, tonen aan dat de theorie hierover niet algemeen bekend is.

Uiteraard is bij kwesties als deze niemand gebaat bij ezelsbruggetjes. Wanneer je je op een vuistregel moet beroepen, betekent dat in feite dat de algemene gedachte niet toepasbaar is op de concrete gevallen. Een beetje gechargeerd zou ik wel durven beweren dat de ezelsbruggetjes de doodssteek vormen voor het grammatica-onderwijs.

Geen ezelsbruggetjes dus. Maar wat is dan die algemene gedachte waarop we ons moeten baseren? Met andere woorden: hoe moet je bepalen of je "erop" of "er op" moet spellen, en "opgelopen" of "op gelopen"?

Een cruciale regel in de Nederlandse spelling is dat we woorden zonder spaties spellen, en alleen tussen woorden een spatie realiseren. Zelfs in samenstellingen, waar allerwegen de Angelsaksische gewoonte doordringt om de delen door spaties te scheiden, schrijft de nieuwe spelling nog op z'n minst koppeltekens voor.

Hieruit volgt, dat we "erop" moeten schrijven als het 'e'en woord betreft, en "er op" als het om twee woorden gaat. Hetzelfde geldt voor "opgelopen" en "op gelopen".

Losse partikeltjes als "in", "op", "over" kunnen als gevolg van drie grammaticale constructies in de zin optreden: ze kunnen het voorvoegsel zijn van een samengesteld werkwoord ("inrekenen", "opbellen", "overlopen"), het achtervoegsel van een voornaamwoordelijk bijwoord ("daarin", "waarop", "erover"), of ze kunnen het achterzetsel zijn bij een richtingsbepaling ("de garage in", "het dak op", "de brug over"). Een kleine groep kan verder nog optreden als achterzetsel in combinatie met een voorzetsel ("naar ... toe", "met ... mee", "van ... af"). De eerste soort schrijf je zo mogelijk vast aan het werkwoord, de tweede zo mogelijk vast aan het er-woord ("daar", "hier", "waar", "er"), en de laatste ook nog eens vast aan het voorzetsel ("vanaf", "naartoe". Zo schrijf je "omdat de spion daar overloopt" als hij op een bepaalde plaats zijn diensten aan de vijand aanbiedt, maar "omdat de spion daarover loopt" als hij bijvoorbeeld op een landmijn trapt. In de hoofdzinsvolgorde krijg je dan "de spion loopt daar over" of "de spion loopt daarover". Verder schrijf je "hij gaf eraan toe" omdat het "toegeven aan iets" is, maar "hij liep ernaartoe", omdat "toe" hier het tweede lid van een voor-achterzetsel is.

Dit is gemakkelijk genoeg. Om te bepalen of zo'n partikel aan het werkwoord of aan het er-woord vast moet worden geschreven, volstaat het om het werkwoord te reconstrueren. Is er sprake van een samengesteld werkwoord, dan staat het partikel zo mogelijk vast aan het werkwoord en in ieder geval los van het er-woord. Je schrijft dus "wie doet er mee", omdat "mee" bij "doen" hoort ("meedoen"), en "ik doe het ermee", omdat "mee" hier niet bij "doen" maar bij "er" hoort. Hoe reconstrueer je het werkwoord? Door bijzinsvolgorde te maken, of een hulpwerkwoord "zou" toe te voegen: "wie zou er meedoen?" en "ik zou het ermee doen".

Een interessant punt vormen de achterzetsels. Van Riemsdijk heeft indertijd in zijn dissertatie betoogd, dat achterzetsels kunnen worden ge"incorporeerd in de werkwoordelijke eindgroep. De voorbeelden zijn: "omdat hij de garage in zou zijn gereden" en "omdat hij de garage zou zijn ingereden". Uit de literatuur is ook nog de Vlaamse volgorde van de werkwoordelijke groep bekend: "omdat hij daar niet heeft willen over spreken". Omdat hier sprake is van incorporatie, lijkt het goed te beargumenteren om in deze gevallen het partikel ook aan het werkwoord vast te schrijven. Dat geldt echter alleen voor de gevallen met richtingsbepaling, niet voor de Vlaamse voorbeelden.

Een botsing van voornaamwoordelijke bijwoorden, achterzetsels en partikels tegelijk is niet mogelijk. Bij het voorbeeld "hij zou de trap op zijn gelopen", waarbij "op" het achterzetsel is, is de pronominale variant niet "hij zou erop zijn gelopen", maar juist "hij zou 'm op zijn gelopen", waarbij "'m" lijdend voorwerp is. Overigens geldt ook hier, dat de ge"incorporeerde varianten "hij zou de trap zijn opgelopen" en "hij zou 'm zijn opgelopen" bij voorkeur als samengestelde werkwoorden worden gespeld.

Toch lijkt het vreemd om "opgelopen" te schrijven. Immers, het werkwoord "oplopen" bestaat niet in die betekenis. Waarom dan toch "opgelopen"?

Het bijzondere aan dit geval is dat het partikel niet als gevolg van een woordvormingsmechanisme in het woord "lopen" is opgenomen, maar tijdens de zinsvorming. Anders gezegd: het woord "opgelopen" is niet morfologisch gevormd, maar syntactisch. Daarom staat het woord niet in het woordenboek, maar bestaat het wel in de zin.

Peter-Arno Coppen


[Alle Miniatuurtjes]