Terug
Vooruit
9701.18 9701.20

Rub: 9701.19

Date: Tuesday, January 21, 1997 13:01:03 MET
From: Paul Dijstelberge <DISTEL@rulub.LeidenUniv.nl>
Subject: Rubriek 'Uit de STCN', no. 6

Rubriek 'Uit de STCN', no. 6:
T'samenspraak tusschen Samuel Coster en Coenraadt [van Beuningen?]

Ik schreef al eerder iets over de pamflettencollecties in de grote bibliotheken. Ze vormen een bron van kennis over de Republiek die weinig lijkt te worden gebruikt door historici en literatuur-historici. (Met gebruikt bedoel ik: anders dan incidenteel gebruikt. Natuurlijk kijkt iedere zich zelf en de wetenschap respecterende onderzoeker in Knuttel. Maar onderzoeken naar de pamfletten zelf, naar de wijze waarop daarin tegen de wereld wordt aangekeken, naar de literaire conventies die worden toegepast en overtreden, dat soort onderzoek zie je maar incidenteel). Dat is jammer: een literair-historisch onderzoek naar pamfletten zou nog wel eens verrassingen kunnen opleveren. Mijn indruk is dat bijna alle genres die we in de 18de eeuw zien opkomen, en dan met name de spectator-achtige tijdschriften, in de 17de eeuw in een experimenteel stadium verkeren.

Bij het eindeloze bladeren in pamfletten kom je soms zaken tegen die buiten de competentie van de bibliograaf vallen: handschriften. Veelal zijn dat overgeschreven pamfletten. De verzamelaar kon een bepaalde tekst niet te pakken krijgen en schreef die dan over (of kocht een afschrift). Het Leidse pamflet met de onmogelijke signatuur Pamflt 1685 II 177a:4a is zo'n pamflet. Het bevat drie gedichten in (lijkt mijn lekenoog toe) een laat-zeventiende-eeuwse hand.

Het gedicht 'Aan Hollandt' begint met de regels:

O! landt, dat geen land hoeft te wijken, mijn vaderland, ghij wint de prijs, geagt een tweede paradijs, met regt bij Eden te gelijken.

Aardiger is het tweede gedicht, waarvan ik hoop dat iemand het kent en de dichter weet van dit rijmwerkje over Willem III

T'samenspraak tusschen Samuel Coster en Coenraadt [van Beuningen?]

C. Is dit heer Samuel s'landts ongerepte maagt? S. Men noemtse soo van oudts; maar soo het mogt gevraagt sijn, met regt soo vraagde ik, of die schoone wel kan maagt sijn, dewijl haar kuijsheijd op het snoodtste werd belaagt, en onse Willem-buijr, op hollandtsch vleesch verslingert, Die schoone tast en voelt, en naar sijn lusten vingert. C. Dat's maegt sijn op sijn hoofsch. S. maar vraagt het eens een boer 'kwed haer die plompaert scheld voor afgeregte hoer. C. Daarom ook weert s'haar soo, alsof sij lag gebonden. S. Was Willems raedtschap goed, zij was al lang geschonden. wat wonder? want hij kan sijn wijf met kindt niet maken; hoe souw dan Willem in dat maegde-gat geraacken?

Paul Dijstelberge STCN


[Dit nummer] [Uit de STCN]