| 9703.18 |
|
9703.20 |
Date: Friday, March 14, 1997 0:38:40 MET
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@Let.UVA.NL>
Subject: Column Willem Kuiper, no. 30: "Lachen om list
en lust"
Lachen om list en lust. Zo luidt de titel van het pas verschenen
proefschrift van collega - nomen est omen - Lodder. Het handelt over
een van de stiefkinderen van de Nederlandse letterkunde, de zogeheten
'boerden'. Voor wie dat niet weet, boerden zijn dertiende- en
veertiende-eeuwse, vaak obscene, komische vertellingen in gepaard
rijmende verzen. Gelukkig is die benaming niet, omdat het woord
gedurende de Middeleeuwen niet als genreaanduiding gebruikt werd, maar
als waardeoordeel. Bij Jacob van Maerlant is boerde synoniem met
'gelogen'.
In Frankrijk, waar er 127 bewaard zijn gebleven tegenover zo'n 16 à
17 in ons taalgebied, noemt men ze fabliaux, letterlijk 'fabeltjes'.
Ook geen terminologische voltreffer, immers onder een fabula verstond
men gedurende de (Oudheid en) Middeleeuwen een verhaal dat niet waar is
en niet waar kan zijn - vandaar ook dierfabel: dieren kunnen immers
niet praten. Boerden en fabliaux zijn realistisch en spelen zich
doorgaans af in een stedelijke entourage, vaak met burgers als
personages. Bezien met twintigste-eeuwse ogen hebben ze nog het meest
weg van anekdotes: een kort en grappig verhaal met een pointe, dat zich
presenteert als waar gebeurd, maar ... se non e vero, e ben trovato.
Zoals de titel van Lodders dissertatie terecht uitdrukt, gaan de
boerden over lust en list, en zijn ze om te lachen, wat niet wil zeggen
dat ze altijd appelleren aan ons gevoel voor humor. Ik geef een
voorbeeld:
Er waren eens twee jonge clerken - twee AIO's zouden we nu zeggen - die
in Parijs gestudeerd hadden en nu blut de thuisreis aanvaard hadden.
Onderweg komen zij een bejaarde man tegen - Gobert geheten - die zij om
onderdak vragen, wat hen gegeven wordt.
Eenmaal binnen laat de ene clerk zijn oog op de pronte vrouw des
huizes vallen, de ander op de jongvolwassen dochter.
Tijdens het bereiden van het avondmaal haalt de andere clerk
stiekem een ijzeren ring van een pan en steekt die bij zich, terwijl de
ene clerk onder het eten zijn blik niet van de vrouw des huizes kan
afhouden. Maar zij, noch Gobert heeft iets in de gaten.
Na het eten worden er drie bedden opgemaakt: een voor de twee
clerken, daarnaast het echtelijk bed en dan het bed van de dochter.
Voor het voeteneinde van haar bed plaatst de vrouw de wieg (met daarin
haar jongste kind).
Zodra er gesnurk uit het echtelijk bed opstijgt, gaat de andere
clerk trippel trappel naar het bed van de dochter. Zijn koude handen
vervullen haar vooral met angst voor haar vader. De clerk schuift de
ijzeren ring aan haar vinger, zegt dat hij van goud is, waarna zij
meestribbelt.
Als Gobert midden in de nacht buiten gaat pissen, staat ook de ene
clerk op. Hij pakt de wieg, zet die voor het logeerbed, kruipt bij de
slapende vrouw in bed en steekt van wal.
Weer binnen vindt Gobert de wieg niet op de plaats waar hij dacht
dat hij stond en kruipt daarom het logeerbed in.
De vrouw des huizes is inmiddels klaar wakker. Ze weet niet wat
haar overkomt. Haar dorre man lijkt herboren ... en dat is vier!
Uitgespeeld verlaat de andere clerk de dochter en keert terug naar
het logeerbed. Zo trots is hij op zichzelf dat hij zijn 'maat' wakker
port en hem in geuren en kleuren vertelt hoe hij de dochter heeft
beetgenomen. Een rechtse directe is het antwoord, waarna een chaotische
vechtpartij volgt.
De vrouw, die de herrie als storend ervaart, verzoekt 'haar man' de
ruziende studenten tot zwijgen te brengen, maar maant hem toch vooral
een hand voor zijn ballen te houden.
Met zijn tweeën kunnen ze de oude man wel aan. Ze slaan hem verrot
en vertrekken.
Moraal: haal geen AIO's in huis.
Om dit in onze ogen amorele verhaal - de daders gaan vrijuit, de
slachtoffers blijven met de brokken zitten - goed te begrijpen, moet de
lezer van nu zich realiseren dat men gedurende de Middeleeuwen
volstrekt anders dacht over dader en slachtoffer.
Net als nu was de dader slecht, maar anders dan nu was het
slachtoffer een sukkel.
Als je een kind van vijf jaar, dat alleen naar school mag lopen,
dagelijks op het hart drukt om toch vooral goed op te letten bij het
oversteken, want anders kom je onder een auto, en dan word je
platgereden, en dan ga je dood... dan kan het je overkomen dat het
kind, geconfronteerd met een overreden kat, geen greintje medelijden
met het beest heeft: had die stomme kat maar moeten uitkijken! Met
dezelfde ogen moet het hierboven vertelde verhaal gelezen worden.
Een bejaarde man met een geslachtsrijpe dochter en een baby is het
levende bewijs van een niet-eenkennige vrouw. Dat hij beide clerken
onderdak verleent, is op zijn zachtst gezegd onverstandig. Een vrouw
die niet merkt dat zij begeerd wordt. Een man die dat ook niet in de
gaten heeft. Een dochter die zich door een wildvreemde met een 'gouden'
ring laat bedriegen. De vrouw die beter zou moeten weten maar blind
geniet van de potentie van de clerk. De man die in zijn eigen huis zijn
richtinggevoel niet vertrouwt. Alles wat de slachtoffers doen is dom,
dom, dom - en omdat zij dom zijn, maken zij zichzelf tot slachtoffer.
Het verhaal praat het gedrag van die clerken niet goed, maar laat
zien wat je kan overkomen als je zo stom bent hen in huis te halen.