| 9705.16 |
|
9705.18 | Vorige Miniatuurtje |
|
|
|
Volgende Miniatuurtje |
|
Col: 9705.17 Date: Wednesday, May 7, 1997 15:07:19 MET Linguistisch Miniatuurtje XXXV: "Maf ze"Op de Onze-Taal-scheurkalender van een aantal dagen geleden stond een constructie vermeld die in de Algemene Nederlandse Spraakkunst maar summier aandacht krijgt. Het betreft een regionale spreektaalvariant (geen Vlaams, maar juist Noord-Nederlands) van de gebiedende wijs. Zoals de ANS eenvoudigweg opmerkt is het bij sommige werkwoorden in de imperatiefvorm mogelijk om "ze" toe te voegen. Men wenst daarmee de aangesprokene een goed verloop toe van datgene wat door het werkwoord wordt uitgedrukt. Voorbeelden: "Maf ze", "Werk ze", "Eet ze". De taalkundige heeft aan deze observatie wel iets, maar belangrijke informatie ontbreekt. Immers: wat zou de ontleding van deze zinnetjes moeten zijn? Is "ze" hier een lijdend voorwerp? En zo ja, waarom kan dat dan bij intransitieve werkwoorden als "werken" of "maffen"? Gelukkig ziet de redactie van de Onze-Taalkalender dit in, en ze komt met de verklaring dat de constructie oorspronkelijk alleen voor transitiva gold ("mooie aardbeien! Eet ze!"). Door een soort "ontpersoonlijking" worden de lijdende voorwerpen betekenisloos, en naar analogie zet de taalgebruiker ze dan ook maar bij intransitiva. Ik heb grote moeite met deze verklaring. Het analogie-argument is me een beetje te gemakkelijk, en de hele verklaring miskent een belangrijk kenmerk van de constructie: dat ze juist bij intransitieve werkwoorden frequent lijkt. Tijd voor een nadere analyse. Als we de werkwoorden bekijken waarbij "ze" in de imperatief kan worden toegevoegd, dan valt op dat deze ofwel intransitief zijn, ofwel niet verplicht transitief. Om dit te toetsen voldoet de volgende "draagdialoog": "Ik ga vanmiddag ... O ja? Nou, .... ze (dan maar)!" Alle werkwoorden waarbij "ze" toegevoegd kan worden, passen in deze dialoog. Bijvoorbeeld: "ik ga vanmiddag tuinieren. O ja? Nou, tuinier ze dan maar!". Zo kunnen we voor "tuinieren" onder andere invullen: "slapen, eten, werken, behangen, volleyballen, kamperen, wandelen". Dat verplicht transitieve werkwoorden niet kunnen, wordt door het minimale paar "eten/verorberen" aangetoond. De uiting "verorber ze!" heeft een duidelijk referentieel "ze" als lijdend voorwerp en mist het "goede-wens-aspect". Maar ook andere duidelijke transitiva, zoals "snappen", "breken", "ontmoeten" of "verscheuren", kunnen niet met "ze" worden aangevuld. Werkwoorden met een niet-werkwoordelijke rest, inclusief de reflexieven, verdragen geen "ze". Zo kun je wel zeggen "slaap ze!", maar niet "slaap ze uit!". En ook "schaam ze!" of "schaam je ze!" is onmogelijk. Ten derde lijkt de constructie op de een of andere manier een duratief aspect toe te voegen. De genoemde correcte voorbeelden hebben alle werkwoorden met duratief aspect en zijn dus hiermee in overeenstemming. Als we werkwoorden met een niet-duratief aspect proberen, dan zien we soms het verschijnsel dat de constructie resulteert in een frequentatief. Neem als voorbeeld "springen". Gebruik je de imperatief "spring!", dan spoor je de aangesprokene aan tot een eenmalige sprong. Zeg je daarentegen "Spring ze!", dan is dat eerder een wens aan bijvoorbeeld een schoonspringer die net verteld heeft dat hij aan een serie sprongen gaat beginnen. Dus: alleen werkwoorden die niet per se een lijdend voorwerp nodig hebben, zonder partikels of reflexieven, verdragen onze constructie. Bovendien creeert ze een duratief aspect. Het eerste kenmerk is wel enigszins begrijpelijk: verplicht transitieve werkwoorden zullen dat "ze" meteen als referentieel lijdend voorwerp inpalmen. Hieruit kunnen we afleiden dat "ze" in onze constructie eigenlijk geen lijdend voorwerp is. Maar wat is het dan wel? Het feit dat partikels onmogelijk zijn duidt erop dat de partikelpositie al door iets anders ingenomen wordt. In aanmerking voor deze positie komen zinsdelen als richtingsbepalingen, maar ook resultatieve werkwoordbepalingen als "hij verft het hek groen". Resultatieve werkwoordbepalingen -ook dat is bekend- komen voor bij intransitiva. Zoals voor het Nederlands onder andere Van Gestel al aantoonde, kunnen constructies als "Jan loopt zijn schoenen stuk" het best geanalyseerd worden als een small clause bij het intransitieve werkwoord "lopen". De predicatie in deze small clause wordt geinterpreteerd als het resultaat van de door het werkwoord uitgedrukte handeling. Deze small clause constructie vertoont dezelfde weerzin tegen partikels: "hij loopt zijn schoenen stuk door" is fout, evenals bijvoorbeeld "hij sliep een gat in de dag uit", of "ik werk me een ongeluk mee". Ook lijkt er iets duratiefs aan de zinnen met small clause: de zin "de bom ontplofte een gat in het wegdek" lijkt toch wel erg slecht, terwijl "Jongejans sprong ze allemaal naar huis" prima is. Al met al meen ik te mogen concluderen dat de constructie "eet ze" in feite een intransitief "eten" bevat met een resultatieve small clause constructie waarvan "ze" het subject is, en het predicaat onvermeld blijft. Dat "ze" is dan het onpersoonlijke "ze", van "laat ze maar eens wat zien!" Maar wat is dan de invulling van dat predikaat? Mijns inziens moet dat gezocht worden in voorbeelden als "drink ze onder de tafel" of "speel de sterren van de hemel". Met andere woorden, de imperatief wordt gekoppeld aan een resultaat met betrekking tot het onpersoonlijke "ze". Het "goede wens"-betekenisaspect heeft dus niet zozeer te maken met het verloop van de handeling, als wel met het resultaat waaraan door de small clause gerefereerd wordt. "Werk ze" betekent dus letterlijk zoiets als: "Werk zodanig dat ze...jeweetwel!" Peter-Arno Coppen |