|
Col: 9705.21
Date: Saturday, May 24, 1997 19:24:38 MET
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@Let.UVA.NL>
Subject: Column Willem Kuiper, no. 32: "De Kunst van de Liefde"
Column Willem Kuiper, no. 32: "De Kunst van de Liefde"
De afgelopen weken was Roel van Duijn, ex-provo, ex-kabouter, ex-kaasboer,
ex-noem maar op - maar nog altijd een van onze grootste kleinschalige denkers -
weer eens in het nieuws met zijn voorstel op de middelbare school de Kunst van
de Liefde als eindexamenvak in te voeren. Als trouw Radio 1-luisteraar mocht ik
meegenieten van de reacties van het deskundigen-circus, van spreekstalmeester
Roel in 't Veld, die zich wijselijk op de vlakte hield, tot en met kamerolifantje
Sharon Dijksma: jongeren weten zelf het beste wat goed voor hen is, ook in de
liefde.
Op het eerste gehoor is het natuurlijk een absurd voorstel, maar wie wat
langer meeloopt in onderwijsland heeft weet van niet-cognitief onderwijs. Zelf
ben ik er als gecommitteerde op diverse Pedagogische Academies mee in
aanraking gekomen. Daar overwoog men op een gegeven moment serieus om
sprookjes als Roodkapje en Hans en Grietje af te schaffen omdat ze onmenselijk
wreed waren. Tevens had zich in brede kringen de overtuiging gevestigd dat
cognitief onderwijs alleen maar tot maatschappelijke ongelijkheid en dus tot
ongelukkige mensen leidde: er behoorde ook les gegeven te worden in sociale
vaardigheden, in hoe met elkaar om te gaan, in respect hebben voor wat de ander
niet kon, enzovoort. Ter verdediging kan worden aangedragen dat tegelijkertijd
het kabinet van de koningin fors bezuinigde op Zeer Moeilijk Lerende Kinderen
door de 'zorgbreedte' van het basisonderwijs te vergroten - in woorden wel te
verstaan. Dat was vele malen erger.
Een grootstedelijke samenleving als de onze die meer en meer
individualiseert en vereenzaamt - twee van de drie huwelijken lopen binnen zes
jaar vast, schrijft Van Duijn in De Volkskrant van zaterdag 24 mei, en
liefdesverdriet is een van de voornaamste factoren voor stress en zelfmoord -
terwijl er door de mondialisering van de maatschappij een forse instroom is van
mensen uit heel andere culturen met heel andere gedachten, gevoelens en
gewoonten, kan inderdaad wat intermenselijk verkeersles gebruiken.
Met de Renaissance van de Twaalfde Eeuw kwam de klassiek Romeinse auteur
Publius Ovidius Naso (43 v.C.-17) weer in het centrum van de literaire
belangstelling te staan, en wel als gezaghebbend auteur in de Kunst van de
Liefde. Ovidius schreef namelijk - min of meer bij wijze van grap - een Ars
Amatoria, dat wil zeggen een Kunst van de Liefde. Daarnaast schreef hij de
Amores (minnedichten), de Heroides (minnebrieven) en de Remedia Amoris (hoe
er vanaf te komen). Daarmee was hij in zijn tijd in Rome de grootste autoriteit in
deze - Roels inziens - voor de mens zo cruciale kunst. Min of meer bij wijze van
grap, omdat de liefde van een man voor een vrouw in Rome allerminst in aanzien
stond. Men deed dat af als lust, niet als liefde. Grappig ook omdat De Neus voor
zijn ontboezemingen een literaire vorm koos die gereserveerd was voor het
hoogdravende en serieuze werk - wij noemen dit travestie: het haaks op elkaar
staan van vorm en inhoud.
Wie de moeite neemt deze boeken te lezen - er zijn goede Nederlandse
vertalingen - zal zich niet bedrogen voelen. Ovidius' Kunst van de Liefde is zo
fris en fruitig als de Trebbiano van Di Philippo uit Umbria. En na lezing van de
Remedia Amoris kan men met een beetje flair en de juiste uitstraling
probleemloos een peperduur therapietje voor - of is het nou tegen? -
onbeantwoorde liefde en het verdriet daarvan in elkaar draaien, waar het
alternatieve circuit U tegen zegt.
Zoals gezegd, in de twaalfde eeuw werd Ovidius als kenner van de Kunst van de
Liefde herontdekt door de clerken, mondaine, gestudeerde geestelijken. Die
clerken hielden zichzelf voor veel betere minnaars dan die stompe, botte,
geblutste en gekneusde ridders, die meer verstand van een paard dan van een
vrouw hadden. De grootste Oudfranse romancier, Chrétien de Troyes, claimt in
de proloog van zijn tweede roman Cligés dat hij "les commandemanz d'Ovide et
l'art d'amors an romans mist", dat wil zeggen uit het Latijn in het Frans vertaalde.
Helaas is dit werk niet overgeleverd. Van een Middelnederlandse
vertaling/bewerking van de Ars Amatoria ligt een flard in het Amsterdamse
massagraf I A 24.
Wat we wel hebben is het in drie 'boeken' opgedeelde traktaat van Andreas
Capellanus, De Arte honeste Amandi (Over de kunst van het op eerbiedige wijze
liefhebben) uit het eind van de twaalfde eeuw. Dit sterk op Ovidius geïnspireerde
boekje behandelt in boek 1: Wat is liefde en hoe krijg je het? In boek 2: Als je
liefde hebt, hoe houd je het? Terwijl in boek 3 wordt uitgelegd dat het
voorgaande allemaal onzin is. Er is immers maar één geoorloofde vorm van liefde
en dat is niet de liefde van de mens voor de andere kunne maar die van de mens
voor Zijn Schepper.
In de propedeuse mag ik het graag over Andreas Capellanus en de Liefde hebben.
Niet alleen omdat je met dit onderwerp zelfs een propedeusegroep stil krijgt,
maar ook omdat je aan de hand van Andreas Capellanus, Chrétien de Troyes,
Guillaume li Clers, Guillaume de Lorris, Jean de Meung en hun tijdgenoten zo
goed kunt uitleggen dat het fenomeen Liefde, dat zo 'gewoon' lijkt, in wezen
'conventioneel' is, en afhankelijk van tijd, plaats en cultuur.
Zo beschouwd is Roel van Duijns wens eigenlijk al verhoord. In feite is de
Kunst van de Liefde al een eindexamenvak, alleen het heet ... Literatuur. Dankzij
literatuur kan de mens - beter dan via wat dan ook - kennis nemen van wat de
ander denkt en voelt, ontroerd en geïnspireerd worden, droevig en vrolijk zijn,
opgewonden raken en ontspannen tegelijk. De ellende is alleen dat het
literatuuronderwijs het dreigt af te leggen tegen de verbale variant van de nieuwe
kleren van de keizer: taalbeheersing.
Begrijp me goed, ook ik ben ervoor dat taalgebruikers hun taal beheersen,
maar dat met 'taalbeheersing' leren is zoiets als de duivel uitdrijven met
Beëlzebub. Ga lezen, en doe dat net zo lang totdat lezen als iets normaals ervaren
wordt in plaats van iets bijzonders. En als je zover bent, is een praktisch boekje
als bijvoorbeeld William Strunks The Elements of Style, ooit mijn eye-opener,
voldoende om je op schrijfweg te helpen. Voor de theorie kan men zich met een
gerust hart blijven wenden tot de (gedurende de Middeleeuwen dankzij kerkvader
Hiëronymus nog aan Cicero toegeschreven) Rhetorica ad C. Herennium (ca. 50
v.C.).
Willem.Kuiper@Let.UvA.NL
|