| 9707.07 |
|
9707.09 | Vorige Miniatuurtje |
|
|
|
Volgende Miniatuurtje |
|
Col: 9707.08 Date: Thursday, June 26, 1997 15:59:03 MET Linguistisch Miniatuurtje XXXVII: "De tekst, de zanger en het wijsje"Het is een bekend gegeven dat reclameslogans vaak een grammaticaal eigenaardigheidje bevatten om de aandacht te trekken van de argeloze luisteraar of lezer. Doorgaans betreft het een dubbelzinnigheid, zoals bij "de bus laat je niet staan" of "in Nijmegen studeer je niet alleen", of een opvallende constructie, zoals in "hou je van vlees, braad je in Croma", waarbij het ontbreken van het woordje "dan" opvalt. De (onbewuste?) gedachte van de reclamemakers is dat de grammaticale machine van de taalgebruiker net even hapert voor backtracking en daardoor een fractie van een seconde langer bij de uiting blijft hangen. Is deze strategie ook toepasbaar in liedteksten? Afgemeten aan het succes van het nummer "Banger hart" van Rob de Nijs (tekst van Belinda Meuldijk), zou je misschien denken van wel. Ook hier vinden we namelijk een grammaticale anomalie, die -althans bij de taalgevoeligen onder ons- voor een lichte siddering kan zorgen. Het gaat om de zinssnede "want jij bent mijn jaloers bezit". Hoezo, "jaloers bezit"? De context is eenvoudig: man heeft relatie met vrouw, is bang dat anderen haar wegkapen of dat ze uit zichzelf opstapt. Uiteindelijk vindt hij zekerheid in haar kwetsbaarheid. Erg traditioneel allemaal, maar goed. Ergens in het midden van deze context valt het refrein: "ik wil jouw liefde zwart op wit, ik wil meer zekerheid dan dit, want jij bent mijn jaloers bezit". Als we even afzien van het mogelijk seksistische "bezit", dan is de eerste vraag die nu rijst: wie is er hier jaloers, en op wie of wat? Zijn andere mannen jaloers op de relatie van de zanger, of is de zanger jaloers op andere mannen en zo ja, vanwege wat? De derde mogelijkheid, dat de vrouw (het bezit) zelf jaloers is, mogen we gezien de context gevoeglijk buiten beschouwing laten. De term "jaloers" heeft volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse taal de basisbetekenis: "die vreest dat het gene dat hy lieft heeft aan eenen anderen gemeyn werde". Van daaruit zijn twee gebruikswijzen ontstaan: de eerste is dat je niet kunt verdragen dat anderen iets hebben dat je zelf niet hebt (je bent jaloers op iets of op iemand vanwege iets), en de tweede is dat je niet kunt verdragen dat anderen iets willen hebben dat je zelf wel hebt. Deze laatste betekenis wordt alleen gebruikt in zaken van liefde of genegenheid (de jaloerse minnaar). Mooi citaat: "Die de schoonheid eener vrouwe... alzoo bemint, dat hij bekommert is, dat een ander die schoonheid mogt genieten, werd gezeid jaloersch te zijn". Het gaat hier "bepaaldelijk" om "zinnelijke liefde", zoals het woordenboek fijntjes opmerkt. Deze tweede betekenis lijkt hier dus bedoeld. "Jij bent mijn jaloers bezit" moet blijkbaar betekenen dat de zanger "de schoonheid zijner vrouwe alzoo bemint dat hij bekommert is dat een ander die schoonheid mogt genieten". Mooi. Maar nu de vraag: staat dat er wel? Immers, als de zinssnede zou luiden "want jij bent mijn jaloerse vrouw", dan zou de bedoelde betekenis op geen enkele manier op de voorgrond treden. Hier hebben we een interessante taalkundige kwestie bij de kop: waar de constructie "een zus-en-zo persoon" normaliter betekent "een persoon die zus-en-zo is", kun je in geval van "een jaloers bezit" niet de parafrase "een bezit dat jaloers is" maken. Hooguit "een bezit dat jaloers maakt", maar ook dat lijkt niet de precieze parafrase. "Een jaloersmakend bezit" zou eerder suggereren dat het bezit de afgunst van anderen opwekt. Niet dat het de eigenaar zelf jaloers maakt. Ik weet zeker dat op dit punt een aantal lezers de handen ten hemel heffen en uitroepen: "Maar dat is dan toch gewoon FOUT?". Maar ja, dat is natuurlijk taalkundig gezien geen oplossing. Het brandmerken van een afwijkende constructie als ongrammaticaal is misschien voor sommige mensen erg geruststellend, maar het verklaart niet het optreden van de afwijking. Ook termen als "dichterlijke vrijheid" lijken het voorbeeld tot ongevaarlijke proporties te reduceren, maar hebben uiteindelijk geen enkele wetenschappelijke inhoud. Hoe kan het dat de tekstschrijfster de term "mijn jaloers bezit" denkt te kunnen gebruiken in de betekenis "bezit dat aanleiding geeft tot mijn jaloezie"? In taalkundige termen: waarom kan het impliciete subject van "jaloers" gecontroleerd worden door "mijn", het subject van "bezit"? Ik heb twee voorbeelden gevonden van soortgelijke constructies. Het betreft "mijn trotse bezit", en "hij was in het gelukkige bezit van iets". In het eerste geval is het bezit zelf niet trots maar de eigenaar. Ook in het tweede geval is niet het bezit gelukkig, maar degene die bezit. Met deze overeenkomsten is Belinda vrijgesproken van ongrammaticaal taalgebruik. Als de uitdrukking "mijn trotse bezit" geaccepteerd is in de betekenis "bezit dat aanleiding geeft tot mijn trots" is "mijn jaloers bezit" een acceptabele variatie hierop, die we eventueel best onder "dichterlijke vrijheid" mogen rangschikken. Echter, het werkelijke probleem hebben we hiermee niet opgelost. Want waarom is de constructie zo beperkt? En hoe zit hij in elkaar? Twee verklaringen dringen zich op: ten eerste valt op dat "trots", "jaloers" en "gelukkig" adjectivische tegenhangers zijn van de zogeheten "psychwerkwoorden", zoals "ergeren", "storen", "verheugen". Deze werkwoorden kennen doorgaans ergatiefconstructies, met hun karakteristieke omkeringen: "iets verheugt mij" tegenover "ik verheug mij op iets". Is er in onze constructie iets soortgelijks aan de hand? Met andere woorden, kunnen we stellen dat het adjectief "jaloers" geen subject heeft maar wel twee interne argumenten, die beide voor controle in aanmerking komen? Alhoewel dit een aantrekkelijke analyse lijkt, zouden we in dit geval verwachten dat "jaloers" of "trots" in alle constructies deze dubbelzinnigheid zou kennen. Maar in feite komt ze alleen voor bij "bezit". Een tweede mogelijkheid is dat "bezit" een werkwoordelijke oorsprong heeft en "jaloers" of "trots" een predikatieve toevoeging bij dit werkwoord is. Daarmee is de controle door het subject van "bezitten" verantwoord. Bij nominalisatie wordt de predikatieve toevoeging meegenomen en als attributief adjectief geheranalyseerd. Helaas heeft ook deze verklaring een aantal haken en ogen. Zo zou je verwachten dat het adjectief geen verbuiging zou hebben (je zegt immers ook "het groen verven" en niet *"het groene verven"). En bovendien verklaart deze analyse op geen enkele manier waarom de constructie alleen bij de nominalisatie "bezit" voorkomt. Waarom niet "mijn jaloerse gift", of "mijn trotse winst"? Misschien is de singulariteit te verklaren vanuit de constructie met "trots". Dit adjectief kan in overdrachtelijke zin voor dingen gebruikt worden "trotse kastelen", "trotse landerijen". Doorgaans zaken die zich door een zekere fierheid onderscheiden. Van daaruit naar "trots bezit" is maar een kleine stap. Stel nu dat de taalgebruiker, getriggerd door het werkwoordelijke karakter van het woord "bezit" en het daardoor opgeroepen subject, deze constructie -aanvankelijk abusievelijk- interpreteert als "bezit waarop je trots bent", dan is de kiem voor de afwijking gelegd. Classificatie van "trots" als psych-adjectief verklaart de extrapolatie naar "gelukkig" of "jaloers", en we zijn er. Een tevreden analyse? Peter-Arno Coppen |