|
Col: 9708.06
Date: Fri, 18 Jul 1997 21:52:03 +0200
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@Let.UvA.NL>
Subject: Column Willem Kuiper, no. 33: "Onder de Groene Linde"
Column Willem Kuiper, no. 33: "Onder de Groene Linde"
Voorlopig weer even verzadigd: de Sampler Disk en de eerste zes CD-tjes
(The Southern Journey Series, 1959-1960) van The Alan Lomax Collection
[Rounder Records CD 1700-1706] gekocht. Wie is Alan Lomax, hoor ik u
denken. Alan Lomax is folklorist en musicoloog, de Amerikaanse Ate
Doornbosch.
Geboren in 1915 heeft Lomax zijn leven lang met een microfoon en
een opname-apparaat muziek verzameld. Volksmuziek, witte, bruine en
zwarte. Zo verscheen in 1936 van zijn hand een monografie van
Leadbelly, een van de aartsvaders van de country blues.
In datzelfde jaar promoveerde Lomax en werd hij hoofd van het
Archive of American Folk Song. Hij kreeg een radioprogramma, waarin hij
zijn obscure materiaal aan een groot publiek kon laten horen. Dankzij
Lomax kreeg een lokale grootheid als Woody Guthrie landelijke
bekendheid en kon hij uitgroeien tot held en voorbeeld van Robert
Zimmerman, beter bekend als Bob Dylan.
Dankzij Dylan en The Rolling Stones leerde ik de Amerikaanse stads-
en plattelandsmuziek kennen: Muddy Waters, Elmore James, Jimmy Reed,
Chuck Berry, Little Walter, Bo Diddley, Howlin' Wolf (en nog later weer
hun bronnen). Wij hadden net een pick-up in huis en mijn
platenverzameling leek sprekend op de privébibliotheek van een
middeleeuwer: weinig banden, maar de inhoud werd door en door gekend.
Een kapitale aanwinst uit die dagen die ik nog altijd koester is
een 3 LP-doos, verschenen in 1964, met daarin drie uur opnamen van
Woody Guthrie (1912-1967), opgenomen door ... u raadt het al, Alan
Lomax. Daar ken ik hem van. Guthrie vertelt als een Amerikaanse Louis
Paul Boon over de intense armoede op het platteland, de outlaws, de
corrupte bankiers, de hoboes, de stofstormen, de treinen, het beloofde
land Californie, en gaat al pratend als vanzelf over in een lied. Hij
schreef er zo'n 1000, vaak voor de vuist weg, naar aanleiding van. Hij
koos partij voor de landarbeiders die door de plantagehouders werden
uitgebuit en was een uitgesproken anti-fascist. 'This machine kills'
stond op zijn gitaar geschreven, zo sterk geloofde hij in de kracht van
het lied.
Rounder Records is nu begonnen met het (opnieuw) uitbrengen van de
veldopnamen van Alan Lomax op honderd CD's. De Sampler CD is een
staalkaart en voorproeve. Alles 20-bit remastered.
Ook in Nederland hebben wij een volksliedarchief, en wel op 'Het
Bureau', zoals het P.J. Meertens-Instituut dankzij Voskuils
geromantiseerde dagboeken is gaan heten. Nu nog uitkijkend over de
Keizersgracht wordt daar het oude Nederlandse lied bewaard - ruim
100.000 liederen - op band en in druk. Veel van die bandopnamen zijn
gemaakt door Ate Doornbosch - Jaring Elshout in 'Het Bureau' - en
uitgezonden in het VARA-radioprogramma 'Onder de Groene Linde'.
'Onder de Groene Linde' is ook de naam van een serie boeken, waarin
het oude Nederlandse lied thema-gebonden wordt uitgegeven. Deel 1
(1987) bevat liederen met magische, religieuze en stichtelijke
thematiek, deel 2 (1989) liederen over ontluikende liefde, werving,
vrijage en zwangerschap, deel 3 (1991) liederen over trouw en ontrouw
in de liefde, verleiding en verlating. Momenteel wordt gewerkt aan deel
4, liederen over liefde en standsverschil, dat volgend jaar zou moeten
verschijnen. En dan staat er nog een deel 5 over moordliederen op
stapel.
Door een speling van het lot is mij de eer te beurt gevallen zitting te
mogen nemen in de redactieraad van dit vierde deel. Een gemeleerd
gezelschap, ieder zijn eigen invalshoek. Voor mij zijn die liederen
vooral teksten, en een tekst wil begrepen worden.
Met deze liedteksten, opgetekend uit de monden van bejaarde vrouwen
die ze weer van hun moeder geleerd hebben - orale literatuur dus - valt
dat niet altijd mee. Als lezer word je geconfronteerd met een
grabbelton aan motieven die alles behalve naadloos aan elkaar gelast
zijn.
In zijn onlangs met lof beoordeelde proefschrift 'Dichten uit liefde,
Literatuur in Leiden aan het einde van de Middeleeuwen' wijdt Herman
Brinkman in het tweede hoofdstuk een aantal boeiende pagina's aan het
lied. Zijn wij opgegroeid met: Schelden doet geen zeer, slaan des te
meer - gedurende de Middeleeuwen lag dat heel anders. Op het zingen van
een onwelgevallig lied kon de doodstraf staan, zoals wij kunnen lezen
in de veertiende-eeuwse roman 'Die Borchgrave van Couchi'. Geen beter
medium om opstandige gevoelens te verspreiden dan door die in een lied
te verpakken. Vandaar de expliciete verbodsbepalingen in de Leidse
archivalia.
Een lied dat bij Brinkman uitvoerig aan de orde komt, verhaalt, of
zo u wilt bezingt, de schaking van de Leidse schependochter Catharina
de Grebber (21 sept. 1509). Op weg naar Wassenaar om daar de mis bij te
wonen werden vader, moeder en dochter De Grebber ter hoogte van het
kasteel Raaphorst opgewacht door Gerrit van Raaphorst en vier
handlangers. Hij rukte - ik citeer - "het jonge meisje (zij was nog
maar dertien jaar oud) van haar vaders schoot" en ging er met haar
vandoor. "Met een schuit ging het verder naar Leimuiden, waar het
meisje uiteindelijk door Gerrit werd verkracht, onder roepen en zingen
van de anderen." (p. 60).
Ach ja, zo ging dat vroeger. Vader Brinkman identificeert zich hier
iets te veel met Pieter Dirkszoon de Grebber en veel te weinig met
Gerrit van Raaphorst en Catharina. Om te beginnen is dertien jaar -
voor middeleeuwse begrippen - zo jong nog niet, en om te eindigen
verwed ik er het Onderwijsinstituut Neerlandistiek onder dat deze
schaking op zijn minst met voorkennis en zeer waarschijnlijk met
instemming van Catharina geschiedde. Uit hun gedrag na het vergrijp
blijkt dat Gerrit en Catharina als Beatrijs en haar minnaar geleefd
hebben totdat ook bij hen het geld opraakte.
In het lied, dat over deze maagdenroof gezongen werd, spitst alle
aandacht zich toe op de list waarmee vrijer Gerrit vader De Grebber in
de luren legt. Gerrit beschuldigt Catharina van het jagen op zijn
konijnen. Moet haast wel dubbelzinnig zijn. Catharina ontkent, maar pa
De Grebber stinkt erin. Om te laten zien dat het niet waar is, laat hij
- denk aan de wijze waarop Chantecler le coq in branche II aan de
moorddadige kaken van Renart ontsnapt - zijn dochter los (kennelijk
wist hij waar Gerrit op uit was!), opent de kist onder de zitting om te
laten zien dat die leeg is, en ziet vervolgens hoe Gerrit er met zijn
konijntje vandoor gaat. Onderwijl roepend: 't was mijner niet om hasen
of konijnen te doen, ick heb het wildt al dat ick sochte!"
Om u een argument te geven dat deze interpretatie - namelijk dat
konijn (ook) obsceen bedoeld is - niet te ver gezocht is - ik moet er
niet aan denken dat het Onderwijsinstituut Neerlandistiek niet zou
doorgaan - hier een liedje uit het zogenaamde Maastrichts Liedboek
(1554), waarvan ik een digitaal exemplaar bezit ex libris digitalibus
Benedicti Salemans (interpunctie enz. van mij, WK):
| | Lied 25: Componist: [anoniem]. Aantal stemmen: 4. |
| |
| Een aerdich meysken, seer jonck van jaren, |
| bewaerden haer hofken, daert stont aen een heye. |
| Een herderken ghinck hem by haer paren |
| om sijn verxken te drijven in haer weye. |
| Dmeysken sprack: "Drijft wech, dat u Godt gheleye! |
| Ghy sout mijn hofken al te seer om stueren." |
| 't Herderken sprack cloeckelijck sonder ghescreye: |
| "Waer 't verxken scade doet, ic sal 't verbueren. |
| Laet wroeten dat verxken, 't is sijn natuere. |
Aan het lied van Gerrit en Catharina moest ik denken toen afgelopen
woensdag tijdens een redactieraadvergadering het volgende lied op tafel
kwam:
| | Hoort vrienden hoort, daar is alweer een nieuw lied, |
| Wat hier onlangs al is geschied, |
| Alle van een koopmanszoontje, |
| Die vrijde met zo'n arreme dienstmaagdmeid |
| En hij had er zijn liefde voor over. |
| |
| Maar toen de vader er dat vernam, |
| Dat zijn zoontje bij zo'n arme dienstmaagd kwam, |
| Sprak hij: "Zoontje, wilt ge vrijen?" |
| Vrij er met zo'n arreme dienstmaagd niet, |
| Want je kunt er wel een rijker krijgen. |
Natuurlijk weigert de jongen. Nog liever gaat hij in ballingschap.
| | Maar toen op een zondagmorgenstond |
| Het knappe jonge meisje naar de kerk toe gong |
| Om daar Gods woord te horen |
| Toen ze op het midden van het kerkplein stond |
| En daar werd zij al doodgeschoten. |
De jongen hoort ervan, stort zich op het meisje en sterft van verdriet
in haar dode armen. De dader wordt gepakt en opgehangen. In sommige
varianten is dat de vader. Het paar wordt tezamen begraven:
| | Al achter op het kerkhof waar de lelien zo bloeit |
| En die lelie zal roossie dragen |
Wat door een de zegsvrouwen verbasterd wordt als:
| | Al onder een boom die Halelujah heet |
| Het graf dat zal roossies dragen |
Tijdens het opruimen - vanwege de aanstaande verhuizing van het P.J.
Meertens-Instituut - kwam een stapel grammofoonplaten boven water:
Van een heer die in een wijnhuis zat... en 15 andere mondeling
overgeleverde liederen, met daarop - welk een toeval - een opname
van dit lied uit 1963, gezongen door de toen 75-jarige Drentse Jantje
Haandrikman-Kamps.
Het lied is - bij nader inzien - opgebouwd uit strofen van vijf
versregels met als rijmschema: aabcb, ook wel bekend onder de naam
Lindenschmidstrofe en/of Morolfstrofe (naar het twaalfde-eeuwse
Spielmannsepos 'Salmon und Morolf'). Met deze kennis gewapend kunnen de
jonge(re) aangroeisels van de oude(re) kern onderscheiden worden. Hoe
zuiverder het rijm des te oorspronkelijker de tekst?
Het rijmschema aabcb is oud. Een snelle blik in mijn digitale editie
van het 'Antwerps Liedboek' leverde tien liederen op: 13 Een oudt
liedeken; 20 Een liedeken van sint Jacob; 35 Een oudt liedeken; 84 Een
nyeu liedeken; 90 Een oudt liedeken; 92 Vant Vriesken; 138 Een amoreus
liedeken; 195 Een nyeu liedeken; 207 Een nyeu liedeken; en 218 Een nyeu
liedeken. De laatste twee beginnen als 'Het Koopmanszoontje':
| 207 | Een nyeu liedeken |
| | |
| Wie wilt hooren een goet nyeu liet? |
| Wat te Haerlem in Hollant is gesciet, |
| Tsavonts te neghen uren? |
| Al van twee huepsche ghespelen goet, |
| Voor den reghen souden si cueren. |
| |
| enz. |
| 218 | Een nyeu liedeken |
| | |
| Wie wil hooren een goet nieu liet? |
| Van dat Thantwerpen is gesciet, |
| Al van drij vroukens reene? |
| Si hadden den cnape vanden huyse so lief, |
| Si en lieten hem niet slapen alleene. |
| |
| enz. |
Hoe oud of nieuw het lied is van de koopmanszoon die verliefd werd op
een dienstmaagd weet ik niet. Het verhaalgebeuren - en dan vooral het
slot met de lelies en rozen - doet heel in de verte denken aan een
mogelijk scenario binnen Florijs ende Blancefloer: rijke
jongeman wordt tegen de zin van zijn vader verliefd op arme jonge
vrouw. Om aan de dwaze liefde een einde te maken laat de vader het
meisje doden. Dit blijkt een zinloze daad, want nu sterft ook de
jongeman van verdriet. Toch lijkt het me vrijwel zeker dat de moeder
van mevrouw Haandrikman-Kamps (geb. 1888) en haar moeder en mogelijk
haar moeder dit nimmer beseft hebben.
Nu nog iemand vinden die deze liederen kan zingen op een manier dat ze
ontroeren.
Willem.Kuiper@Let.UvA.NL
|