| 9710.22 |
|
|
Rub: 9710.23 Date: Tue, 7 Oct 1997 15:10:22 -0400 Boekenrubriek, no. 5: Boekbespreking Arctic Routes van M. Spies
Al in het begin van de zestiende eeuw probeerden velen de reis naar India en China (of eigenlijk naar het mysterieuze, maar zeer rijke Cathay) te bekorten door te zoeken naar noordelijke doorvaarten. De dominantie van Spanje en Portugal over de zuidelijke routes had hier ook zeker mee te maken, maar ook het avontuurlijke aspect trok velen aan om nog maar niet te spreken van de gigantische winsten die kooplieden dachten te kunnen gaan maken als er een kortere route naar deze nieuwe handelslanden gevonden zou worden. Zo kreeg John Cabot - een Genuees die eigenlijk Giovanni Caboto heette - al in 1496 toestemming van de Engelse koning Hendrik VII om naar een noordwestelijke doorvaart te zoeken en het vooruitzicht op een monopolie op de eventuele handelsroute die hij zou ontdekken. Helaas kwam Cabot nog niet veel verder dan Newfoundland, maar hij dacht zelf Azië bereikt te hebben. Zijn beschrijving van het goede klimaat en de rijke visvangsten voor de kust zouden nog vele anderen naar deze landstreken lokken en hebben zeker bijgedragen aan de rijkdom van Engeland in de 16e eeuw. Alhoewel Cabot dus niet de felbegeerde route naar Azië had gevonden, stond er toch weer een nieuw stukje land op de - gebrekkige - kaarten ingetekend. Cabots zoon, Sebastian, zou in 1544 een wereldkaart produceren (nu in de Bibliothèque Nationale, Paris). Maar niet alleen in Engeland trok het avontuur, ook in de Nederlanden waren kooplieden en zeelui zeer geïnteresseerd in een alternatieve route. Sinds de oudheid stonden de noordelijke zeeën bekend als gevaarlijk en waren de noordelijke (ei)landen bevolkt met wonderbaarlijke wezens. De wereldkaart van Ptolemeus (2e eeuw) en zijn "Mare congelatum" gaven de indruk dat een zeeroute naar de Oost net langs de noordelijke kusten mogelijk moest zijn. De oudste Nederlandse zeekaart van 1543 liep echter nog niet verder dan tot iets voorbij Bergen in Noorwegen. Olivier Brunel werd uitgezonden om vanaf Kola (op de noordkust van Lapland) naar Kholmogory (aan de mond van de Dvina) te varen om daar Russisch te leren. Maar waarom nu toch om de Noord heen? De gebruikelijke route naar Rusland liep door de Sont en via de Hanzesteden naar Novgorod waar de Nederlanders een handelspost hadden. Dit monopolie van de Hanze ging velen echter de keel uithangen en Engelse en Nederlandse kooplieden zochten naar alternatieve routes. Ook de Russische Tsaar, Ivan IV, ging meer aandacht schenken aan het Westen. Zo hadden de Engelsen in 1553 al drie schepen uitgezonden om om de Noordkaap heen te varen en rechtstreeks te gaan handelen met Moskou. Een van de schepen bereikte inderdaad de monding van de Dvina (Richard Chancellor). Wilden de Nederlanders hun concurrentiepositie ten opzichte van Engeland niet verliezen dan moesten ze haast maken en ook een handelspost aan de Dvina zien te stichten. Helaas hadden de Engelsen al zo'n voorsprong dat ze de Tsaar ertoe konden bewegen om hen in 1567 een monopolie te verlenen op de handel in de Witte Zee. Brunel werd beschuldigd van spionage en een aantal jaren in de gevangenis gezet. Het Engelse monopolie was echter geen lang leven beschoren, aangezien Elizabeth I van Engeland weigerde met de Tsaar te trouwen. Later zette Brunel samen met Jan van de Walle een nieuwe handelsmaatschappij op voor de handel met Rusland via Kola. In Nieuw Kholmogory (oftewel Archangel) ontstond een grote Nederlandse handelsnederzetting met van de Walle als agent voor Gillis Hooftman, een Antwerps zakenman. De Lutherse Hooftman was een van de rijkste kooplieden van Antwerpen en had een enorme kennis van de zeeroutes. Hij verzamelde zeekaarten en instrumenten en gaf Abraham Ortelius opdracht om kaarten van klein formaat te verzamelen en deze uit te geven als boek. In 1570 publiceerde Ortelius zijn "Theatrum Orbis Terrarum". Natuurlijk had Ortelius contact met de andere grote kaartenmaker van die tijd, Gerard Mercator, die worstelde met het projectieprobleem. Mercator op zijn beurt had weer contact met John Dee, de Engelse geograaf (en nog een heleboel andere dingen) die samen met Sebastian Cabot de adviseur was van de English Company. Ongeacht de politieke situatie tussen de Nederlanden en Engeland, wisselden de geleerden gegevens over recente zeereizen uit. Zo - maar ook via zijn eigen vertegenwoordiger in Londen, Johan Radermacher - kwamen die gegevens weer terecht bij Gillis Hooftman. John Dee was niet zozeer geïnteresseerd in de noordelijke route vanwege de handelsvoordelen, als wel vanwege het bredere probleem van de oorsprong van de wereld en het vinden van de Waarheid. In Antwerpen ontstond een kring van geleerden rondom de drukker/uitgever Christoffel Plantijn die van Plantijns drukkerij een centrum van geleerd Europa maakten. De historische geografie waar deze geleerden (o.a. Guillaume Postel, Benito Arias Montano en Joannes Goropius Becanus) zich mee bezig hielden was voornamelijk op joodse en christelijke traditie gebaseerd. Deze heren probeerden de oude teksten en kaarten te relateren aan de nieuwe gegevens van de ontdekkings- en handelsreizen. Op hun beurt, probeerden de handelaren (en dus de zeelui) hun voordeel te doen met deze wetenschappelijke ideeën en publicaties. Zeekaarten werden na iedere reis aangepast en uitgebreid met nieuw ontdekte eilanden of stukjes kustlijn. Maar het uiteindelijke doel was en bleef toch een route naar het fabelachtige Cathay, maar hoe ze ook zochten, een noordelijke route zat er niet in. Vele eenvoudige zeelui lieten het leven op deze gevaarlijke tochten naar het onbekende en slechts een enkeling verkreeg onsterfelijke roem zoals Willem Barentz met zijn overwintering op Nova Zembla. Voor het merendeel zullen het echter toch koude en barre tochten zijn geweest met aan het eind een ijzige dood. De uitgevers en boekhandelaren voeren wel bij al deze tochten, want zij publiceerden vele reisverhalen, zoals o.a. het beroemde verhaal van Gerrit de Veer, een van de overlevenden van de barre winter op Nova Zembla (Gerrit de Veer, "Waerachtighe Beschryvinghe Van de drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort", Amsterdam, Cornelis Claesz, 1598). Marijke Spies beschrijft deze strijd om de zeeweg naar het Noorden en de wel of niet bestaande fabelachtige landen in de koude zeeën in dit prettig leesbare boek vol met feiten en feitjes, maar ook met verzonnen stukjes dialoog tussen de hoofdrolspelers in dit ijzige vervolgverhaal. Maar waarom heeft ze dit boek nu geschreven en waarom op deze manier? Helaas bevat het boek geen voorwoord of introductie, zodat we niet weten wat de motivatie achter het schrijven van dit boek geweest is. Misschien gewoon pure belangstelling? Jammer dat we dat nu niet te weten komen, want dat zou wellicht verklaren waarom werkelijkheid - in de vorm van grote hoeveelheden feiten - vermengd is met fantasie. Het blijft zo wat onduidelijk voor wie dit boek bedoeld is en wat we als wetenschappelijke "waarheid" kunnen beschouwen en wat niet. Marja Smolenaars
|