9711.13 Terug
Vooruit 9711.15

Rec: 9711.14

Date: Thu, 30 Oct 1997 15:43:00 +0100 (MET)
From: Wim Hüsken
Subject: Boekbespreking A. Sneller, Met man en macht, Kampen 1996

Boekbespreking

A. Agnes Sneller, Met man en macht: Analyse en interpretatie van teksten van en over vrouwen in de vroegmoderne tijd. Kampen: Kok - Agora, 1996; 280 pagina's Prijs: fl. 49,50.

Voor de positie van de vrouw in de vroegmoderne samenleving is de belangstelling de laatste jaren sterk toegenomen. Vooral in 1994 verscheen er een aantal opmerkelijke publicaties. In de eerste plaats zagen twee lezingenbundels het licht: De vrouw in de Renaissance, geredigeerd door Arie-Jan Gelderblom en Harald Hendrix (Amsterdam, 1994) en Women of the golden age, uitgegeven door Els Kloek e.a. (Hilversum, 1994). Twee vrouwen uit de zeventiende eeuw hebben met name de aandacht van de onderzoekers getrokken: Maria Tesselschade Roemers Visscher en Anna Maria van Schurman. Van de eerste verscheen in het genoemde oogstjaar een biografie door Mieke B. Smits-Veldt, Maria Tesselschade: Leven met talent en vriendschap (Zutphen, 1994), alsmede een editie van het weinige aan poezie dat ons van deze dichteres rest: De Gedichten van Tesselschade Roemers, uitgegeven door A. Agnes Sneller en Olga van Marion (Hilversum, 1994). Twee jaar eerder was aan het werk van Anna Maria van Schurman aandacht besteed in een uitgave van haar gedichten door Pieta van Beek, Verbastert Christendom: Nederlandse gedichten van Anna Maria van Schurman (Houten, 1992) en in de bundel Anna Maria van Schurman (1607-1678): Een uitzonderlijk geleerde vrouw, bezorgd door Mirjam de Baar e.a. (Zutphen, 1992). Ook het in deze recensie besproken proefschrift van A. Agnes Sneller geeft aan deze twee vrouwen een prominente plaats.

De voorplaat van Met man en macht wordt gesierd met een detail uit De briefschrijfster van Johannes Vermeer. Het schilderij lijkt voor Sneller een signaalwaarde te bezitten. In een notitie "Bij de voorplaat" merkt zij namelijk op dat uit dit doek Vermeers bijzondere aandacht voor vrouwen spreekt: `Zij zijn steeds in huis te vinden, maar we kunnen naar haar kijken met respect door de manier waarop deze schilder, misschien tegen zijn tijd in, vrouwen als waardige en krachtige personen heeft uitgebeeld' (p. 7). Dit citaat suggereert dat Sneller ervan uitgaat, dat zeventiende-eeuwse vrouwen door de tijdgenoot in alle omstandigheden beschouwd werden als de mindere van de man, zelfs binnen de muren van hun eigen huis. Vermeer zou een uitzondering vormen op die regel door zijn vrouwen `als waardige en krachtige personen' uit te beelden. Het is echter de vraag of Snellers vooringenomenheid haar hier geen parten speelt. Sinds jaar en dag was de huiselijke woning immers het domein bij uitstek van de vrouw. Zij was het, en niet de man, die er, in overeenstemming met de eigentijdse normen, de scepter zwaaide en de dagelijkse gang van zaken bestierde. Ruth Kelso omschreef deze speciale plaats van de vrouw in het huishouden in haar Doctrine for the Lady of the Renaissance (Urbana etc., 1956, p. 111) als volgt: `The part that belonged to the wife in household management, as was foreseen in her training, included supervision of all the many activities within doors, knowledge of how each operation is carried out, and even ability to perform many of the tasks herself [...;] she will not run to [her husband] about matters that she should be able to settle for herself.' Vermeers portret van kracht uitstralende vrouwen in hun huiselijke omgeving is dus eerder een bevestiging van de heersende moraal dan een vermeend afwijkend getuigenis van een schilder. Aanzienlijk correcter is de wijze waarop Sneller deze problematiek bespreekt naar aanleiding van Johan van Beverwijcks boek Van de Wtnementheyt des vrouwelicken geslachts (p. 76-77).

Centraal in Snellers proefschrift staat de interpretatie van poezie van en over vrouwen, op meer dan een niveau en met behulp van verschillende theoretische en methodische uitgangspunten, waarbij een analyse vanuit gender-perspectief veelal het sluitstuk van beschouwing vormt. Zo bespreekt zij van Tesselschade onder andere de gedichten `Myn Lief ik min uw' en `Gelijck als Onder 't Juck van sinne slavernijen'. Dit laatste gedicht dient om aan te tonen welk nut een filologische gender- analyse bezit inzake een begrip als `eer', ter aanvulling van een meer traditioneel-filologische interpretatie a la Veenstra over Hooft. Gender-onderzoek, zo luidt de conclusie van Sneller, dwingt ons ertoe meer vragen te stellen dan bij een neutrale aanpak, omdat `rekening moet worden gehouden met niet geexpliciteerde genderboodschappen, die niet op dezelfde wijze traceerbaar zijn' (p. 56). Het vrouwelijke perspectief voegt dus iets toe aan de resultaten van een traditionele zienswijze.
    Het gevaar van interpretatieve studies is evenwel vooral gelegen in de interpretaties zelf. De duisterheid van Tesselschade's poezie is overigens zelf vaak debet aan eventuele misverstanden. Naar aanleiding van de dood van haar echtgenoot Allard Crombalch schreef Tesselschade in 1634 bijvoorbeeld een sonnet dat aldus aanvangt:

Ghelijck als Onder't Juck van sinne slavernijen
Doch ongheoorloft aenghenoemen Eyghen Last,
Hetgheen niet wel een blij Hoop Heemelhertie past
'Twelck van onhoulyck goet Qualyck is te vryen,

'tIs onRecht seij de Geest gheruste vreucht te myen,
Maer 't Lichaem Riep O Neen, en doopten d'Overlast
Met Naem van suchte-Plicht tot het in Traenen Plast
Soo Most de vlughe Geest van 't Logghe Lichaem Lijen.

Sneller parafraseert de eerste regels van dit gedicht als volgt: `[Ik voelde mij] als onder het juk van de slavernij van de zinnen, maar [...]' (p. 33). De smart die Tesselschade voelt over het verlies van haar overleden echtgenoot is, in de wetenschap dat hij dit aardse tranendal heeft verwisseld voor de hemelse vreugde, blijkens vers 12 (`Dees deed' dat ick de Sucht weerstribbich van my stiet') slechts van korte duur. De fysieke pijn waarop in deze verzen volgens Sneller wordt gezinspeeld ('De ik ervaart het verdriet kennelijk als lichamelijke pijn' [p. 36]), heeft echter niet betrekking op Tesselschade maar op haar man. Sneller heeft de enge samenhang tussen de verzen 1 en 8 van het gedicht blijkbaar niet doorzien. De eerste zin ('Gelijck als Onder 't Juck [...]') is daarom ook niet, zoals zij beweert, elliptisch maar vormt de opening van een vergelijking, die pas in de laatste regel van het tweede kwatrijn (`Soo Most de vlughe Geest [...]') wordt afgesloten. Voor een juist begrip van hetgeen Tesselschade onder woorden tracht te brengen, moet het woord `Lijen' van vers 8 dan ook aan de eerste regel worden toegevoegd, terwijl in vers 8 de woordgroep `Onder 't Juck' dient ingevuld. Vrij geparafraseerd lezen we dan: "Zoals slavernijen [lijden] onder het juk der zinnen ... Zo moest ook de vlugge geest lijden [onder het juk] van het logge lichaam." Anders gezegd: Wie verslaafd is, bijvoorbeeld aan het leven, lijdt onder het juk der zinnen; zo ook Allert wiens vlugge geest moest lijden onder het juk van zijn log lichaam.

De wijze waarop Sneller gender-analyse toepast op literaire teksten uit het verleden doet de interessante vraag opkomen of we hier te maken hebben met een (relatief) nieuwe methode of met een nieuw theorie (paradigma). Als theorieen gelden bijvoorbeeld de historische benadering tegenover de a-historische en de post-structuralistische theorie van het deconstructivisme tegenover de consistentietheorie, die rekening houdt met stromingen, ontwikkelingen en andere positivistisch getinte eenheidsprincipes. De gender-analyse zoals Sneller die hanteert heeft alle kenmerken van een theorie. Daarbij kiest zij expliciet voor het perspectief van de vrouw tegenover een lange tijd, bewust of onbewust, gehanteerde androcentrische aanpak. Tegenhanger van de gender-analyse - kenmerkend voor theorieen is dat zij zich in elkaar uitsluitende gehelen van vooronderstellingen manifesteren - is een sekseneutrale analyse. In het eerste hoofdstuk, `Inleiding' (p. 9-19), wordt op deze zaken, zonder dat dit met zoveel woorden is gesteld, nader ingegaan.
    Wellicht enigszins provocerend karakteriseert Sneller haar omgang met teksten van mannen als `lezen-in-verzet' (p. 15). De opzettelijk confrontatie die zij hier met de concurrerende theorie aangaat, is ingegeven door het feit dat gender-analyse in de historische letterkunde op dit moment nog vrij nieuw is. In principe zou een discussie met de concurrerende theorie overigens overbodig zijn; men is er immers van overtuigd dat de eigen theorie de enig ware is? Zolang zij nog niet gevestigd is, ligt het uitdagen van de traditie, het opzettelijk testen van haar zwakke schakels, niettemin voor de hand. Doel van Sneller is dan ook niet zo zeer het uitbouwen van de theorie maar, door zich af te zetten tegen het impliciete masculisme van het historisch-letterkundig bedrijf, het bewijs te leveren voor de bestaansgronden van de nieuwe visie. In dit streven is de auteur zeker geslaagd. Keer op keer laat zij zien dat ons begrip van oudere teksten toeneemt door ons ertoe te dwingen te kijken naar de speciale plaats die de vrouw in literatuur en samenleving inneemt. Dat haar beschouwingen tevens implicaties zouden moeten hebben voor het heden is een stellingname die Sneller nauwelijks lijkt te kunnen verhullen, zeker niet wanneer zij bijvoorbeeld - lichtelijk anachronistisch - een verhaal van Johan de Brune als `vrouwvriendelijk' (p. 90) en een opmerking van Anna Maria van Schurman als een vroeg voorbeeld van `positieve discriminatie' (p. 141) kenschetst. Een afsluitend hoofdstuk met gevolgtrekkingen uit de voorgaande analyses en aanbevelingen voor verder onderzoek ontbreekt in dit boek. Daaruit mogen we wellicht concluderen dat Sneller een voordien nog slechts aarzelend op gang gekomen discussie heeft willen intensiveren zonder vooralsnog zelf de balans op te maken van hetgeen de gender-analyse aan het historisch-letterkundig onderzoek bij te dragen heeft. In ieder geval mag Met man en macht gezien worden als een bewijs voor het toenemende belang van beschouwingen vanuit het gender-onderzoek binnen de historische neerlandistiek.

Wim Hüsken


[Dit nummer]