|
Col: 9711.15
Date: Tue, 04 Nov 1997 10:14:05
From: Willem Kuiper
Subject: Column Willem Kuiper, no. 35: 'Opsporing
verzocht'
Column Willem Kuiper, no. 35: Opsporing verzocht
Vorige week vrijdag weer eens in Groningen geweest. Daar werd het
vierde deel in de reeks Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de
Nederlanden ten doop gehouden. Na het Geraardsbergse handschrift, het
Handschrift-Jan Philipszoon en het Tubingse Sint-Geertruihandschrift is
nu het even fameuze als volumineuze Comburgse handschrift integraal in
een diplomatische editie beschikbaar. Voor neerlandici-medievisten is
dat heel groot nieuws.
Het begon ooit allemaal met een oproep in Dokumentaal. Normaal
gesproken is zo'n initiatief kansloos, want ook in de wereld van de
wetenschap heerst de Wet van de Prostitutie: geen geld, geen liefde.
Maar gelukkig waren er nu eens geen dovemansoren. Sterker nog, het
Constantijn Huygens-Instituut (voor tekstedities en intellectuele
geschiedenis) nam het project over en zorgde voor de onmisbare
ondersteuning. Zonder zo'n vliegwiel houd je een project van deze
omvang en diepgang niet draaiende.
De presentatie van Comburg werd luister bijgezet met een studiedag
over verzamelhandschriften en convoluten. Om u een gang naar het
woordenboek te besparen: een convoluut is een boek(band), waarin
meerdere boeken zijn samengebonden die tot op dat moment vreemden voor
elkaar waren. Een verzamelhandschrift daarentegen is een boek waarin
bewust teksten bijeen gebracht zijn. Het Comburgse handschrift is
alletwee, vier van de zes handschriften die samen de Comburgse codex
uitmaken zijn verzamelhandschriften. Vandaar het thema van de
studiedag.
Ongeveer een jaar geleden werd mij gevraagd hieraan een bijdrage
te leveren, en die uitnodiging heb ik graag aanvaard. Het leek me een
ideale aanleiding een handschrift (in een convoluut) te onderzoeken dat
ik al jaren op mijn nog-te-doen-lijstje heb staan.
Omstreeks 1150-1160 schreef een onbekende Franse auteur het
wereldberoemd geworden verhaal over Floires en Blancheflor, hij de zoon
van een Saraceense koning, zij de dochter van een Franse edelvrouwe die
als oorlogsbuit aan de Saraceense koningin cadeau gedaan werd. Een
bijzondere band ontstaat er tussen laatstgenoemde vrouwen als zij
erachter komen dat zij in dezelfde nacht zwanger zijn geworden, en
beiden bevallen dan ook op dezelfde dag: Pasques Florie (Bloemenpasen,
ons Palmpasen). Vandaar de bloemennamen van de kinderen.
Blancheflors moeder treedt als beider verzorgster op en zo kan het
gebeuren dat de kinderen al op de commode smoorverliefd op elkaar
worden. Zo onafscheidelijk zijn ze dat ze later samen naar school gaan
om daar lezen en schrijven te leren en Latijn, welke kennis en
vaardigheden geheel en al in dienst van de liefde gesteld worden:
Ovidius! Op een gegeven moment vindt Floires' vader dat hun
kalverliefde lang genoeg geduurd heeft; straks gaat zijn zoon nog
protesteren als hij een Saraceense prinses moet huwen.
Indachtig het gezegde 'uit het oog, uit het hart' stelt hij voor
het meisje te onthoofden. Gelukkig kan de koningin haar echtgenoot dit
uit het hoofd praten en nadat Floires met een smoesje uit logeren
gestuurd is, wordt het meisje aan buitenlandse kooplieden verkocht. Die
nemen haar mee naar de emir van Babylon, die zo verrukt van haar is dat
hij de kooplieden zeven maal haar lichaamsgewicht in goud uitkeert.
Blancheflor krijgt een ereplaatsje in zijn harem.
Ondertussen is Floires er na een mislukte zelfmoordpoging achter
gekomen dat het graf van Blancheflor leeg is - zijn ouders hadden hem
namelijk wijsgemaakt dat Blancheflor was overleden - en hij reist haar
achterna.
Door de haremwachter met schaken en geschenken om te kopen weet
Floires in een mand met bloemen in Blancheflors kamer door te dringen.
Hun vreugde echter is van korte duur. Door zich te verslapen verraadt
zij Floires' aanwezigheid.
Maar in plaats van hen op een gruwelijke manier van het leven te
beroven schenkt de emir hen hun vrijheid. Floires en Blancheflor keren
terug naar Europa en worden koning en koningin van Hongarije en
Bulgarije, en wat later de vader en moeder van Berta met de Brede
Voeten, de moeder van Karel de Grote.
Dit verhaal werd ook in het Middelnederlands vertaald, en wel door
Diederic van Assenede, van wie wij feitelijk niets weten, maar die door
de traditie vereenzelvigd wordt met een laat-dertiende-eeuwse Dierekin
van Hassenede, clerc en ontvanger van de Vlaamse gravin Johanna van
Constantinopel. Die vertaling bleef bewaard in een waarschijnlijk nog
dertiende-eeuws fragment en in een veertiende-eeuws handschrift dat
deel uitmaakt van het convoluut Letterkunde 191.
Curieus genoeg bestaat dit handschrift uit twee handschriften.
Iets meer dan de helft is geschreven door een andere, jongere hand. De
kopiist van het oudste stuk wordt door mijn taalkundige collega Evert
van den Berg in (het zuiden van) Oost-Vlaanderen gelokaliseerd, het
nieuwe stuk bevat Hollandse dialectkenmerken.
De gangbare verklaring wil dat er op een zeker moment iets met het
(oude) handschrift gebeurd is, en dat daarom besloten werd de tekst
opnieuw af te schrijven. Als legger (voorbeeld) zou de oude tekst
gediend hebben.
Deze verklaring heeft mij nooit overtuigd, en ook kan ik niet
geloven dat onze Diederic dezelfde is als zijn ambtelijke naamgenoot.
Niet omdat Thomas mijn tweede naam is, maar omdat het wishfull thinking
is. Mijn negentiende-eeuwse vakbroeders beschouwden een literaire tekst
als een individuele creatie die alleen maar goed begrepen kon worden
als je de maker kende. Een tekst zonder auteur was een vondeling, een
vaderloos kind.
Met behulp van inmiddels drs. Martijn van Bezuijen, die aan deze
kwestie zijn doctoraalscriptie wijdde, hoopte ik in Groningen aan te
tonen dat het aangeheelde gedeelte geen kopie van het verloren gegane
gedeelte geweest kan zijn, maar dat het naar een derde, niet bewaard
gebleven redactie werd afgeschreven. Helaas, deze tegen-stelling bleek
(vooralsnog) onbewijsbaar.
Maar zoals zo vaak gebeurt: vind je niet wat je zoekt dan vind je
iets dat je ook zocht.
In het tweede stuk van de Ferguut - zelfde convoluut - wordt de
vrouwelijke hoofdpersoon Galiene in haar stad Rikenstene belegerd door
ene koning Galarant van Amarie, die haar als vrouw begeert. Niet om
haar schoonheid maar om haar bezit. In de Oudfranse voorbeeldtekst
draagt die koning geen naam - dat moet iets betekenen al weet ik niet
wat - maar zijn neef heet Artofilaus. Omdat de Fergus een
exemplarische Arturroman is, ben je geneigd een link te leggen tussen
de legendarische koning Artur en dit romanpersonage. Ten onrechte denk
ik, Artofilaus is afkomstig uit de wereld van Alexander de Grote. In
Jacob van Maerlants Alexanders geesten wordt hij door Clitus, broer
van Alexanders voedster, in een ridderlijk tweegevecht naar de andere
wereld geholpen.
De tweede Ferguut-auteur heeft ontegenzeggelijk de klok horen
luiden, want hij noemt 's konings neef Macedone, letterlijk de
Macedonier, een toenaam van Alexander de Grote. Maar waarvandaan haalde
hij koning Galarant van Amarie? De praktijk van het werken aan het
Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten
heeft namelijk geleerd dat namen als deze niet verzonnen zijn maar
ontleend.
Floires et Blancheflor bleef behalve in de hierboven samengevatte
'aristocratische versie' ook (gedeeltelijk) bewaard in een 'seconde
version'. Die versie moet hier te lande bekend geweest zijn getuige de
Roman van Heinric en Margriete van Limborch (ca. 1300). De passage
waarin Margriete door Echites van de brandstapel geplukt wordt, is
rechtstreeks uit de tweede Floires-versie gekopieerd.
In de eerste versie komt Floires' vader uit Naples - dat is niet het
Italiaanse Napels, maar een uit het Chanson de Roland (on)bekende
Spaanse stad - in de tweede versie uit Aumarie, dat is Almeria in
Zuidoost-Spanje. In de eerste versie heet Floires' vader Phenis, in de
tweede Galerien. Is koning Galarant van Amarie dezelfde als koning
Galerien van Aumarie? En zo ja, kende de tweede Ferguut-auteur hem
via Floires et Blancheflor-versie twee? - of uit het chanson de geste
La Prise de Cordres, waarin hij ook voorkomt? Of doe ook ik aan ...?
Willem.Kuiper@Let.UvA.NL
Over de reeks:
- D. Hogenelst en W. van Anrooij, 'Pleidooi voor tekstedities van
verzamelhandschriften', in: Dokumentaal 20 (1991), p. 69-71.
- De verkenningscommissie "MVN", 'Discussiedag over een reeks van
edities van verzamelhandschriften', in: Dokumentaal 22 (1993), p.
8-9.
- Paul Wackers, 'Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de
Nederlanden', in: Dokumentaal 23 (1994), p. 59-60.
- Gerard Sonnemans (red.), Middeleeuwse Verzamelhandschrriften uit de
Nederlanden. Congres Nijmegen 14 oktober 1994. Hilversum [Verloren]
1996.
- Marie-Jose Govers e.a. (eds.), Het Geraardsbergse handschrift
[...]. Hilversum [Verloren] 1994.
- Herman Brinkman (ed.), Het handschrift-Jan Philipsz. [...].
Hilversum [Verloren] 1995.
- Hans Kienhorst en Gerard Sonnemans (eds.), Het Tübingse Sint-
Geertruihandschrift [...]. Hilversum [Verloren] 1996.
- Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds.), Het Comburgse handschrift
[...]. Hilversum [Verloren] 1997.
|