Subject: Col: 9711.24: Column Coppen: Linguistisch Miniatuurtje XLI:
'Besmetting bij tussenlanding'
Column Coppen: Linguïstisch Miniatuurtje XLI:
'Besmetting bij tussenlanding'
Een van de aardigste eigenschappen van de moderne theoretische
taalkunde is de ruime aandacht voor irreëel taalgebruik.
Discussies tussen beoefenaren van deze wetenschappelijke
discipline stijgen vaak verbazend snel tot etherische hoogten,
waar de subtiele nuance tussen "kan wel, maar zou ik niet zeggen"
en "kan eigenlijk niet, maar komt wel voor dacht ik" notationeel
weergegeven kan worden met een of meer vraagtekentjes, al dan
niet voorafgegaan door een sterretje. Mooi werk is dat. Alleen
voor de fijnproevers, dat wel, maar een verademing in deze
utilitaristische maatschappij waarin alles altijd meteen ergens
goed voor moet zijn.
Boze tongen beweren soms naar aanleiding van deze omstandigheid
dat de term "theoretisch" in "theoretische taalkunde" eerder slaat
op het virtuele karakter van het object van deze wetenschap, dan
op het streven om een verklarend model te ontwikkelen dat dient
om daadwerkelijke feiten te verantwoorden.
Al deze kritische kanttekeningen ten spijt heb ik echter in het
verleden vaak moeten ervaren dat een zorgvuldige analyse van op
het eerste gezicht volslagen onwaarschijnlijke zinnen mij
uiteindelijk een groter inzicht in de verschijnselen heeft geboden
dan het telkens maar weer de eenvoudige gevallen de revue te
laten passeren. Deze laatste strategie leidt al gauw tot een
herhaling van zetten, of, nog erger, tot een patstelling in het
onderzoek.
Ondertussen is het natuurlijk evident dat het volgen van de
andere strategie enige goedwillendheid vooronderstelt. Het bij
voorbaat uitroepen van "ja maar, dat kun je helemaal niet ZEGGEN!"
maakt iedere discussie onmogelijk. De grondhouding voor een
vruchtbare tweespraak is de gedachte dat je eigenlijk alles kunt
zeggen, maar dat het een wat beter is dan het ander.
Tijd voor een voorbeeld. In het Nederlands kennen we de zogeheten
"voorlopige" zinsdelen: het voorlopig onderwerp, het voorlopig
lijdend voorwerp en het voorlopig voorzetselvoorwerp (voorbeelden
beneden). Daarnaast kent het Nederlands de mogelijkheid om uit
voorwerpszinnen elementen te extraheren naar de eerste zinsplaats.
Het aardige is nu, dat deze twee constructies onverenigbaar lijken.
Als je een voorlopig zinsdeel hebt, kunnen uit de bijzin geen
extracties gedaan worden. Ik geef een voorbeeld met een voorlopig
lijdend voorwerp. Prima is: "welk boek dacht je dat je moest lezen?"
maar slecht is: *"Welk boek haatte je het dat je moest lezen?".
Laatste zin wordt wel een beetje beter zonder "het", maar blijft
rottig.
Nou is "haten" een werkwoord dat normaliter verplicht een voorlopig
lijdend voorwerp heeft. Bij een werkwoord dat kan kiezen blijkt de
variant zonder "het" bij extractie vrijwel prima, maar met "het"
blijft slecht: "welk boek betreurde je (het) dat je moest lezen?".
Bij onderwerpszinnen zijn de zinnen over het algemeen slechter, maar
het patroon is hetzelfde: "welk boek is duidelijk dat we moeten
lezen" is wel gek, maar beter dan "welk boek is het duidelijk dat
we moeten lezen". Bij predikaten die per se "het" als voorlopig
onderwerp willen zijn beide gevallen slecht, en maar een beetje
verschillend: "welke vrucht is (het) gezond dat we eten?".
Nu de voorlopige voorzetselvoorwerpen: "welke boeken reken je erop
dat we moeten lezen" is slecht. "Welke boeken reken je op dat
we moeten lezen?" is niet veel beter. Nou moet "rekenen" per se
dat voorlopige voorzetselvoorwerp hebben. Bij "schrikken" is het
optioneel: "welke boeken schrok je ervan dat je moest lezen?" is
dan ook slecht, "welke boeken schrok je van dat je moest lezen?"
eigenlijk ook. Helaas is ook "welke boeken schrok je dat je moest
lezen?" maar marginaal beter.
Een eigenaardige variant is nu: "waar schrok je van dat je moest
lezen?". Echt waanzinnig slecht kun je deze zin niet noemen, hij
lijkt in ieder geval beter dan de variant met "ervan". Maar hoe
kan dat? Het lijkt wel of het object uit de bijzin ("wat") bij
extractie "besmet" wordt door de prepositie "van" en daardoor de
er-vorm gaat aannemen.
Als dit zo is, dan moet de constructie nog beter worden als het
te extraheren element in z'n oorspronkelijke positie al een
er-vorm heeft. Eens even kijken: "waar schrok je van dat je
over moest praten?" Hm, niet zo gek, toch?
Wat een wonderlijke constructie hebben we hier: extractie
van een er-woord uit een voorzetselvoorwerpszin is goed, terwijl
het voorzetsel uit de matrixzin nog aanwezig blijft. Opvallend
is dat dit verschijnsel niet verklaard kan worden uit een
algeheel liberale houding ten aanzien van extractie van er-woorden.
Bij objectzinnen of subjectzinnen waar normaliter geen extractie
mogelijk is, leveren er-woorden geen beter resultaat op: "waar haat
je het dat we over praten?" is bar slecht, en "waar is het gezond
dat we ons vol mee stoppen?" kan ook niet echt door de beugel.
Sterker nog: "waar schrik je dat we over praten?" is zelfs slechter
dan "waar schrik je van dat we over praten?".
Hoewel marginaal, lijken de patronen in deze observaties stabiel. Als
dat zo is, dan suggereren ze sterk dat de analyse van voorlopige
voorzetselvoorwerpen een positie moet bevatten waar ofwel het
woordje "er" moet staan, ofwel een geëxtraheerd element uit de
bijzin gepasseerd moet zijn. In technische termen betekent dit een
non-argumentpositie die de bijzin c-commandeert. Bij tussenlanding
krijg je een soort "herbevestiging" van de vorm. Zijn beide vormen
hetzelfde (R-vorm), dan is alles OK. Zijn ze verschillend, dan
genereren we weerzin tegen deze passage. Deze suggestie is
overigens in tegenspraak met de geldende analyse, waar het voorlopige
zinsdeel zelf het voorzetselvoorwerp is, en de bijzin een adjunct.
Bestaat er meer evidentie voor deze "tussenlanding-analyse"?
Misschien wel. Neem de zinnen: "hij denk ik dat gekozen zal worden"
en "hem denk ik dat ze zullen kiezen". Beetje gek, maar vooruit.
Nu deze: "hij betreur ik dat gekozen zal worden" en "hem betreur ik
dat ze zullen kiezen". Groter verschil? Dan komt dat omdat het
geëxtraheerde element de objectpositie van "het" passeert. Waar
niet-nominatieve naamval zit.
Zijn deze feiten te zeer drijfzand om een fatsoenlijke analyse op te
baseren? Uiteraard. Maar als we een theorie kunnen ontwikkelen die
de eenvoudige feiten net zo goed kan verantwoorden als de bestaande,
maar die ook nog eens deze twijfelachtige gevallen kan verklaren,
dan hebben we dacht ik wel een betere theorie.
Peter-Arno Coppen