9711.23 Terug
Vooruit 9711.25
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 9711.24

Date: Tue, 11 Nov 1997 13:31:47 GMT
From: Peter-Arno Coppen
Subject: Col: 9711.24: Column Coppen: Linguistisch Miniatuurtje XLI: 'Besmetting bij tussenlanding'

Column Coppen: Linguïstisch Miniatuurtje XLI:
'Besmetting bij tussenlanding'

Een van de aardigste eigenschappen van de moderne theoretische taalkunde is de ruime aandacht voor irreëel taalgebruik. Discussies tussen beoefenaren van deze wetenschappelijke discipline stijgen vaak verbazend snel tot etherische hoogten, waar de subtiele nuance tussen "kan wel, maar zou ik niet zeggen" en "kan eigenlijk niet, maar komt wel voor dacht ik" notationeel weergegeven kan worden met een of meer vraagtekentjes, al dan niet voorafgegaan door een sterretje. Mooi werk is dat. Alleen voor de fijnproevers, dat wel, maar een verademing in deze utilitaristische maatschappij waarin alles altijd meteen ergens goed voor moet zijn.

Boze tongen beweren soms naar aanleiding van deze omstandigheid dat de term "theoretisch" in "theoretische taalkunde" eerder slaat op het virtuele karakter van het object van deze wetenschap, dan op het streven om een verklarend model te ontwikkelen dat dient om daadwerkelijke feiten te verantwoorden.

Al deze kritische kanttekeningen ten spijt heb ik echter in het verleden vaak moeten ervaren dat een zorgvuldige analyse van op het eerste gezicht volslagen onwaarschijnlijke zinnen mij uiteindelijk een groter inzicht in de verschijnselen heeft geboden dan het telkens maar weer de eenvoudige gevallen de revue te laten passeren. Deze laatste strategie leidt al gauw tot een herhaling van zetten, of, nog erger, tot een patstelling in het onderzoek.

Ondertussen is het natuurlijk evident dat het volgen van de andere strategie enige goedwillendheid vooronderstelt. Het bij voorbaat uitroepen van "ja maar, dat kun je helemaal niet ZEGGEN!" maakt iedere discussie onmogelijk. De grondhouding voor een vruchtbare tweespraak is de gedachte dat je eigenlijk alles kunt zeggen, maar dat het een wat beter is dan het ander.

Tijd voor een voorbeeld. In het Nederlands kennen we de zogeheten "voorlopige" zinsdelen: het voorlopig onderwerp, het voorlopig lijdend voorwerp en het voorlopig voorzetselvoorwerp (voorbeelden beneden). Daarnaast kent het Nederlands de mogelijkheid om uit voorwerpszinnen elementen te extraheren naar de eerste zinsplaats. Het aardige is nu, dat deze twee constructies onverenigbaar lijken. Als je een voorlopig zinsdeel hebt, kunnen uit de bijzin geen extracties gedaan worden. Ik geef een voorbeeld met een voorlopig lijdend voorwerp. Prima is: "welk boek dacht je dat je moest lezen?" maar slecht is: *"Welk boek haatte je het dat je moest lezen?". Laatste zin wordt wel een beetje beter zonder "het", maar blijft rottig.

Nou is "haten" een werkwoord dat normaliter verplicht een voorlopig lijdend voorwerp heeft. Bij een werkwoord dat kan kiezen blijkt de variant zonder "het" bij extractie vrijwel prima, maar met "het" blijft slecht: "welk boek betreurde je (het) dat je moest lezen?".

Bij onderwerpszinnen zijn de zinnen over het algemeen slechter, maar het patroon is hetzelfde: "welk boek is duidelijk dat we moeten lezen" is wel gek, maar beter dan "welk boek is het duidelijk dat we moeten lezen". Bij predikaten die per se "het" als voorlopig onderwerp willen zijn beide gevallen slecht, en maar een beetje verschillend: "welke vrucht is (het) gezond dat we eten?".

Nu de voorlopige voorzetselvoorwerpen: "welke boeken reken je erop dat we moeten lezen" is slecht. "Welke boeken reken je op dat we moeten lezen?" is niet veel beter. Nou moet "rekenen" per se dat voorlopige voorzetselvoorwerp hebben. Bij "schrikken" is het optioneel: "welke boeken schrok je ervan dat je moest lezen?" is dan ook slecht, "welke boeken schrok je van dat je moest lezen?" eigenlijk ook. Helaas is ook "welke boeken schrok je dat je moest lezen?" maar marginaal beter.

Een eigenaardige variant is nu: "waar schrok je van dat je moest lezen?". Echt waanzinnig slecht kun je deze zin niet noemen, hij lijkt in ieder geval beter dan de variant met "ervan". Maar hoe kan dat? Het lijkt wel of het object uit de bijzin ("wat") bij extractie "besmet" wordt door de prepositie "van" en daardoor de er-vorm gaat aannemen.

Als dit zo is, dan moet de constructie nog beter worden als het te extraheren element in z'n oorspronkelijke positie al een er-vorm heeft. Eens even kijken: "waar schrok je van dat je over moest praten?" Hm, niet zo gek, toch?

Wat een wonderlijke constructie hebben we hier: extractie van een er-woord uit een voorzetselvoorwerpszin is goed, terwijl het voorzetsel uit de matrixzin nog aanwezig blijft. Opvallend is dat dit verschijnsel niet verklaard kan worden uit een algeheel liberale houding ten aanzien van extractie van er-woorden. Bij objectzinnen of subjectzinnen waar normaliter geen extractie mogelijk is, leveren er-woorden geen beter resultaat op: "waar haat je het dat we over praten?" is bar slecht, en "waar is het gezond dat we ons vol mee stoppen?" kan ook niet echt door de beugel. Sterker nog: "waar schrik je dat we over praten?" is zelfs slechter dan "waar schrik je van dat we over praten?".

Hoewel marginaal, lijken de patronen in deze observaties stabiel. Als dat zo is, dan suggereren ze sterk dat de analyse van voorlopige voorzetselvoorwerpen een positie moet bevatten waar ofwel het woordje "er" moet staan, ofwel een geëxtraheerd element uit de bijzin gepasseerd moet zijn. In technische termen betekent dit een non-argumentpositie die de bijzin c-commandeert. Bij tussenlanding krijg je een soort "herbevestiging" van de vorm. Zijn beide vormen hetzelfde (R-vorm), dan is alles OK. Zijn ze verschillend, dan genereren we weerzin tegen deze passage. Deze suggestie is overigens in tegenspraak met de geldende analyse, waar het voorlopige zinsdeel zelf het voorzetselvoorwerp is, en de bijzin een adjunct.

Bestaat er meer evidentie voor deze "tussenlanding-analyse"? Misschien wel. Neem de zinnen: "hij denk ik dat gekozen zal worden" en "hem denk ik dat ze zullen kiezen". Beetje gek, maar vooruit. Nu deze: "hij betreur ik dat gekozen zal worden" en "hem betreur ik dat ze zullen kiezen". Groter verschil? Dan komt dat omdat het geëxtraheerde element de objectpositie van "het" passeert. Waar niet-nominatieve naamval zit.

Zijn deze feiten te zeer drijfzand om een fatsoenlijke analyse op te baseren? Uiteraard. Maar als we een theorie kunnen ontwikkelen die de eenvoudige feiten net zo goed kan verantwoorden als de bestaande, maar die ook nog eens deze twijfelachtige gevallen kan verklaren, dan hebben we dacht ik wel een betere theorie.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer]

[Alle Miniatuurtjes]