|
Col: 9712.26
Date: Sun, 14 Dec 1997 23:59:59
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@let.uva.nl>
Subject: Col: 9712.26: Column Willem Kuiper, no. 36: Heb je al gehoord van de zeven, de zeven?
Column Willem Kuiper, no. 36: Heb je al gehoord van de zeven, de zeven?
Van mijn fysiotherapeut heb ik geleerd dat het normale aantal nakomelingen
van de mens en vergelijkbare zoogdieren gelijk is aan het aantal tepels
gedeeld door twee. Het is dus niet zonder recht en reden dat wij mensen een
tweeling als iets bijzonders ervaren, en dat nog hogere aantallen de krant
halen en op de televisie worden uitgestald. Maar eind vorige maand werd er
in Amerika een nieuw record gevestigd. Een 29-jarige vrouw baarde een
levende zevenling, vier jongens en drie meisjes.
Dat een vrouw meer dan een kind tegelijk kon krijgen was ook gedurende de
Middeleeuwen bekend; waarom dat kon, niet.
Kennis van vruchtbaarheid, conceptie,
zwangerschap en bevalling was in de middeleeuwse maatschappij nogal
ongelijk verdeeld. Medische wetenschap was net als alle andere takken van
wetenschap voorbehouden aan mannen. Middeleeuwse universiteiten lieten geen
vrouwelijke studenten toe. Aan de andere kant beschikten vrouwen over de
nodige praktische kennis en daar ontbrak het de mannen weer aan.
Tot diep in de dertiende eeuw bestond er geen
scheiding tussen weten en geloven. Een mens moest Zijn Schepper en Zijn
Verlosser kennen, weten
dat hij uit aarde gevormd was en tot aarde zou vergaan, en dat deze wereld
een met straffe hand door God bestierde penitentiaire inrichting is als
straf voor onze (erf)zonde. Hoe groter iemands geloof des te dichter men
bij de Schepper stond en des te groter de kans dat men mocht delen in Zijn
almacht en alwetendheid. Heiligen waren daarvan het levende bewijs, ook na
hun dood. Een dergelijk mens- en wereldbeeld liet weinig ruimte over voor
een discipline die trachtte het lijden te verlichten en het leven te
verlengen.
Kennis van het menselijk lichaam behoorde in het Romeinse Rijk tot de artes
mechanicae, de handvaardigheidskunsten. Het aantal hooggeschoolde medici
dat als lijfarts dienst deed van de aristocratische bovenlaag zal niet
groot geweest zijn. De medische zorg voor het gewone volk was in handen van
kwakzalvers, en daarnaast kon je je wenden tot een tovenaar (m/v) die toen
ongeveer dezelfde rol vervulde als de natuurgeneeskundige nu.
Met de ineenstorting van het Romeinse Rijk
verdween de medische wetenschap om pas weer terug te keren in de loop van
de twaalfde eeuw. Dan herontdekt men dankzij de Arabieren grootheden uit
het antieke verleden zoals Hippocrates en Galenus en staan er eigentijdse
geleerden op. Het zal tot de helft van de veertiende eeuw duren voordat er
medische geschriften in het Middelnederlands verschijnen.
In tractaten als Der Mannen ende Vrouwen
heimelijcheit en Der vrouwen heimlicheit, die traditionele
medische wetenschap voor niet-Latinisten toegankelijk maken, lezen wij dat
de baarmoeder zeven zwangerschapsplaatsen telt, drie rechts, drie links en
één in het midden. Het theoretische maximum aantal kinderen
is dus zeven. De posities rechts zijn bestemd voor de jongetjes, die links
voor de meisjes en de hermafrodiet zit in het midden.
De middeleeuwse literatuur kent de nodige tweelingen, en er is altijd iets
bijzonders mee aan de hand. Vaak worden ze na de bevalling van elkaar
gescheiden - zoals Valentijn en Nameloos - en vinden elkaar dan
langs vele omwegen weer terug.
De enige drieling mij bekend komt voor in de
Historie van Meluzine. Daar schenkt koningin Pryssine - die de
natuur van een fee heeft - haar echtgenoot koning Elinas van Albanien (d.i.
Schotland) in één keer drie dochters: Meluzine, Melior en
Palatijne.
Maar ik ken ook een zevenling. In Een schone
ende miraculeuse historie vanden Ridder metter Swane lezen wij hoe de
jonge, ongehuwde koning Oriant van Lillefoort uit jagen rijdt en een hert
achtervolgt. Het dier slaagt erin te ontkomen, maar Oriants teleurstelling
is van korte duur als hij een pracht van een vrouw in het bos ontwaart die
hem vraagt wat hij daar komt doen? Natuurlijk ontploft Oriant in zuivere
liefde voor deze schoonheid, Beatris geheten, en hij vraagt haar zijn
koningin te worden. Bescheiden stemt Beatris toe en samen keren zij
opgetogen terug naar Lillefoort.
Daar blijkt de koningin-moeder Matabrune -
Oriants vader was al uit zijn lijden verlost - allerminst ingenomen met de
partnerkeuze van haar enig kind. En daar valt wat voor te zeggen: vrouwen
die je in het bos opdoet, daar is wat mee. Maar Oriant drijft zijn zinnen
door, het huwelijk wordt voltrokken en een maand later is Beatris in blijde
verwachting.
Als er in haar directe omgeving een vrouw van
een tweeling bevalt, blijkt de zwangere Beatris te behoren tot die
gynaecologische leken die in de waan verkeren dat een tweeling het levende
bewijs van overspel is. Terzijde, dit misverstand bestond echt en heeft
menige boreling het leven gekost. Gelukkig is Oriant beter op de hoogte,
hij vertelt haar dat een vrouw bij Gods gratie zelfs zeven kinderen in
één dracht ontvangen kan.
Zoals wel vaker gebeurt in dit soort teksten
wordt de rust verstoord door de Saracenen die het land zijn binnengevallen.
Oriant moet zijn hoogzwangere echtgenote toevertrouwen aan haar
schoonmoeder en zich zelf richting slachtveld begeven.
Als de bevalling daar is ziet Matabrune haar
kans: zij laat de zeven baby's die Beatris baart verruilen door zeven pas
geboren honden, brult vervolgens het hele paleis bij elkaar en beschuldigt
de totaal uitgeputte Beatris van bestialiteit. Met alleen maar vijanden om
haar heen kan Beatris niet anders dan genade vragen voor de zonde die zij
niet begaan heeft. De koningin wordt opgesloten en de kinderen aan een
knecht meegegeven om in het woud discreet van kant gemaakt te worden.
Zoals wel vaker gebeurt in dit soort situaties
kan de knecht het niet over zijn hart verkrijgen de kinderen daadwerkelijk
te doden; hij laat hen achter. Zo worden ze gevonden door een kluizenaar,
die zich over hen ontfermt en hen grootbrengt met behulp van een geit die
hem daartoe van Godswege ter beschikking wordt gesteld.
Natuurlijk komt dit uit, maar weer ontsnappen
de kinderen aan de dood. Als hen de halsketting wordt afgenomen (een teken
van hun koninklijke afkomst), veranderen zij in zwanen. Behalve het kind
Helias, dat op dat moment afwezig was. Als Helias oud genoeg is, bevrijdt
hij zijn moeder, doodt zijn criminele grootmoeder, huwt de dochter van de
door hem overwonnen graaf van Frankenborch, verwekt bij haar een dochter
Ida geheten, bewerkstelligt de gedaanteverandering van zijn betoverde
broers en zusters en trekt zich tenslotte terug als heremiet. Ida wordt
door keizer Otto ten huwelijk gegeven aan graaf Eustachius van Boenen
(Boulogne-sur-Mer) en zij wordt moeder van drie zonen: Boudewijn, Eustaes
en Godevaert van Bouillon, de man die in 1099 Jeruzalem veroverde.
Dit verhaal over de Zwaanridder is een mooi voorbeeld van de interferentie
tussen epos en sprookje, een fenomeen dat we ook tegenkomen in Karel
ende Elegast, de Roman van Walewein en het zwevende schaakspel
en andere middeleeuwse teksten. Verscheen een paar jaar geleden bij
uitgeverij SUN te Nijmegen de prachtbundel Van Aiol tot de
Zwaanridder, waarin u een uitvoeriger samenvatting van het verhaal kunt
lezen en nog veel meer wetenswaardigs, nu is ook de achterkant van het
verhaal bereikbaar in een nieuwe prachtbundel Van Aladdin tot Zwaan
kleef aan.
Deze nieuwe loot aan de Van A tot Z boom is
voor het overgrote deel ontsprongen aan de afdeling Volkskunde van het P.J.
Meertens-Instituut. Ik zou dat niet hardop schrijven als dit instituut niet
in opspraak geraakt was, onder andere door de geromantiseerde dagboeken van
J.J. Voskuil. De manier waarop daar door sommige bewoners van Het Bureau
gereageerd is, was niet altijd even gelukkig. Wie met buitenstaanders over
deze boeken praat, komt er snel achter dat Maarten Koning - er zijn
bescheidener pseudoniemen - niet zozeer een gedetailleerde beschrijving van
het toenmalige P.J. Meertens-Instituut geeft, als wel van het kantoorleven
uit de jaren '50. Zo moet ik zelf voortdurend denken aan de verhalen die
mijn vader, kantoorbeambte aan de Amsterdamsche Bank op het Rembrandtplein,
onder het avondeten aan mijn moeder vertelde. Had ik het voor het zeggen
dan zou Voskuil al lang al zijn voorgedragen voor een eredoctoraat: alleen
een briljant volkskundige kan op deze manier het bureauleven in kaart
brengen.
Morgen vergadert het Hoofdbureau (KNAW) over het rapport Toekomst P.J.
Meertens-Instituut dat door een hooggeleerde commissie is opgesteld. De
rode draad van het rapport is 'actualiteit'. Als historicus in hart en
nieren moet ik aan Reynaert denken toen hij zijn beulen richting galg zag
gaan.
Willem.Kuiper@Let.UvA.NL
Literatuuropgave:
- W.P. Gerritsen en A.G. van Melle (red.), Van Aiol tot de
Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven
in literatuur, theater en beeldende kunst. Nijmegen [SUN] 1993.
- Ton Dekker, Jurjen van der Kooi & Theo Meder, Van Aladdin tot Zwaan
kleef aan. Lexikon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties.
Nijmegen [Kritak-SUN] 1997.
|