|
Col: 9801.20
Date: Wed, 14 Jan 1998 17:04:34 GMT
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 9801.20: Column Coppen: Linguïstisch Miniatuurtje XLIII: Allerlei rare gedachtenkronkels
Linguïstisch Miniatuurtje XLIII:
Allerlei rare gedachtenkronkels
Het eigenaardige feit doet zich voor dat, terwijl de wetenschappelijke
dilettant een onbekommerde openheid van geest tentoonspreidt, de
gespecialiseerde onderzoeker juist gekenmerkt wordt door een zekere
bewustzijnsvernauwing. Waar de eerste bereid is om op basis van halve
evidentie een compleet wereldbeeld omver te werpen, ziet de laatste
juist in vage waarnemingen bevestigingen van een bestaande theorie.
Iedere taalwetenschapper zal deze observatie herkennen. Wie zich
bezighoudt met small clauses ziet overal small clauses, wie werkt aan
verb of predicate raising ziet zelfs in zinnen zonder predicaat wel
verborgen aanwijzingen voor dit fenomeen.
Ik denk niet alleen dat deze omstandigheid onvermijdelijk is, ik acht
haar ook een gezonde zaak. Juist door een bepaalde analyse tot aan haar
grenzen door te trekken, kan haar waarde pas goed vastgesteld worden.
Alleen door die grenzen af en toe te overschrijden kan de
taalwetenschapper ze aftasten. Wetenschappelijk onderzoek kan niet
zonder oogkleppen.
Twijfel is voor de halfhartigen. Of voor degenen die af en toe een
miniatuurtje schrijven en hun bedenksels tegenover een
ongespecialiseerd publiek aannemelijk willen maken. Dat kan niet zonder
afstand te nemen. En afstand zorgt altijd voor twijfel. Probeer het
maar eens uit.
Ik heb ooit een dissertatie geschreven over NP-specificeerders.
Telwoorden en determinatoren, voor de jongeren onder u. Hoewel de
theorie tegenwoordig radicaal anders lijkt, geloof ik nog steeds dat
mijn analyse van destijds in essentie juist is (dit onderstreept wat ik
boven constateerde over oogkleppen). De meeste plooien waren netjes
gladgestreken, en de gesignaleerde verbanden moeten onder de huidige
theoretische opvattingen nog steeds verantwoord worden.
Zo had ik een aardig idee over telwoorden als "alletwee" en "allebei".
De gedachte dat "alletwee" gelezen moest worden als "al de twee" was
niet zo erg opzienbarend. Maar hoe kon je daarmee "alletwee de boeken"
verklaren? Een afleiding uit "al de twee de boeken" was natuurlijk
ondenkbaar. Dus redeneerde ik als volgt: de basis voor zo'n NP is "al
de twee boeken". Van daaruit kun je twee dingen doen. Ofwel je versmelt
die hele specifier tot "alletwee" (in de huidige analyse waar je Q en D
als functionele projectie zou beschouwen kun je dat mooi met
hoofdverplaatsing doen), ofwel je verplaatst het telwoord "twee" naar
"al", zodat je krijgt "al+twee de t boeken". Insertie van schwa om "al"
en "twee" aan elkaar te plakken, en je hebt de gewenste structuur. Als
bonus verklaar je waarom je niet kunt hebben "alletwee die weinige
boeken". "Weinige" staat als telwoord namelijk op de plaats waar "twee"
gestaan zou hebben.
Nu liep ik onlangs aan tegen een voorbeeld dat hier sterk op lijkt: wat
moeten we met het woord "allerlei"? De varianten "tweeërlei",
"velerlei", generlei", en "allerhande", "velerhande" laten zien dat er
variatie is in het eerste deel van deze woordvorming, maar ook
-weliswaar beperkt- in het tweede. De nieuwe ANS beschouwt het eerste
lid van de samenstelling als een telwoord of onbepaald voornaamwoord,
en het geheel als onbepaald voornaamwoord.
In het licht van mijn eigen analyse zou ik me in eerste instantie
afvragen: is "allerlei" een telwoord of een determinator? De tweede
hypothese lijkt af te vallen: als "allerlei" een determinator is,
waarom kunnen we het dan niet combineren met een telwoord? "twee
allerlei boeken" is fout, evenals "allerlei twee boeken" en "twee van
de allerlei boeken". Niet eens twijfelachtig, maar radicaal fout.
Maar ook de benoeming als telwoord lijkt problematisch. Naast "twee
zulke boeken" is "allerlei zulke boeken" prima, maar in tegenstelling
tot "die twee boeken" is "die allerlei boeken" slecht. Is "allerlei"
dan te vergelijken met complexe QPs zoals "een paar"? Immers, "een paar
zulke boeken" is goed en "die een paar boeken" is fout. Maar ook daar
duikt een probleem op: "een paar van die boeken" is goed, maar
"allerlei van die boeken" is vreemd. Misschien niet echt fout, maar
zeker vreemd.
Volgende hypothese. Is "allerlei" dan, net als "alletwee", gevormd uit
het telwoord "al" en een element dat uit een lagere positie verplaatst
is? Kijk, daar hebben we het. Volslagen onaannemelijk van een afstand
beschouwd, maar als je eenmaal vrede hebt met die verplaatsingsanalyse
bij "alletwee" een logisch gevolg. Onder deze gedachtenkronkel zou
"allerlei boeken" gevormd moeten zijn uit iets als "al de lei boeken",
waarna verplaatsing van "lei" via "de" naar "al" een samenklontering
tot "allerlei" tot gevolg moet hebben. Nou is "lei" natuurlijk geen
telwoord, en we zouden het als een adjectief moeten beschouwen. Bonus?
De samenstelling "allerlei" heeft zowel een quantificationeel
betekenisaspect als een modificerend. De betekenis van "allerlei
boeken" is te omschrijven als "een onbepaald aantal boeken van
verschillende soort".
Hoewel ik een korte tijd gecharmeerd ben geweest van deze gedachte,
komt ze me nu onaantrekkelijk voor, om een aantal redenen. Ten eerste
zou je op grond van deze analyse verwachten dat het quantificationele
betekenisaspect geen existentiële quantor zou inhouden ("een onbepaald
aantal") maar juist een universele ("alle"). En ten tweede is de
historische ontwikkeling van de constructie natuurlijk van dien aard
dat "al" oorspronkelijk een quantor bij "lei" is geweest en niet bij de
nominale kern van de totale NP.
Exit leuke gedachte (afstand)? Nou nee (oogkleppen). Misschien is er
nog iets van te redden. Neem nou een woord als "verschillende". Dat kan
op twee manieren gebruikt worden: als adjectief en als telwoord. "Die
verschillende boeken" is dus dubbelzinnig. Uiteraard is "verschillende"
oorspronkelijk een adjectief (tegenwoordig deelwoord van een werkwoord,
zelfs). Als het op een gegeven moment opgevat wordt als telwoord, is
dit dan een categorieverandering, of neemt het als adjectief de
telwoordpositie in? Met andere woorden, als je de NP "verschillende van
die boeken" hebt, onderhoudt "verschillende" dan nog een relatie met
die adjectiefpositie? Een mogelijke aanwijzing hiervoor is het contrast
tussen "enkele van die vele boeken" en "verschillende van die vele
boeken". Waar de eerste NP ongemarkeerd is, is de tweede op z'n minst
vreemd. Als "verschillende" vanuit adjectiefpositie verplaatst is, via
de postdeterminerpositie voor telwoorden naar de predeterminerpositie,
dan volgt dit gedrag automatisch.
Maar daarmee is toch weer een opening gegeven voor een analyse van
"allerlei". Als "allerlei" eigenlijk een adjectief is, en verplaatst
moet worden naar de voorste telwoordpositie, dan onderhoudt het dus een
spoor-antecedentrelatie. Deze verhindert invulling van de tweede
telwoordpositie, en is blijkbaar ook enigszins gevoelig voor de
partitiefconstructie. Dit haalt de scherpe kantjes van de eerdere
analyse af (geen syntactische afleiding van "al" en "lei"), maar
handhaaft het verplaatsingsidee. Beetje lef heb ik nog wel.
Peter-Arno Coppen
|