9802.20 Terug
Vooruit 9802.22

Col: 9802.21

Date: Wed, 11 Feb 1998 17:10:22 +0100
From: Marc van Oostendorp <oostendorp@rullet.leidenuniv.nl>
Subject: Col: 9802.21: Column Marc van Oostendorp: NederNed, no. 19: Theo Welpen

NederNed, no. 19: Theo Welpen

Onverhoeds haalde de man die in de trein tegenover me zat het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde tevoorschijn. Ik keek nog eens goed: ik wist zeker dat ik deze man nog nooit op de TiN-dag had gezien. Kennelijk had hij in de gaten dat ik hem bespiedde want hij keek op en glimlachte.

'Het nieuwste nummer van Nederlandse Taalkunde,' zei ik. 'Ja', zei hij. 'Kent u dat blad?' Ik legde uit dat ik in een ver verleden wel eens een recensie van een proefschrift bij de redactie van NT had ingeleverd en dat dit stuk nog steeds op publicatie wachtte.

'Ach,' zei hij. 'U bent ook taalkundige. Nu ja. Er staan deze keer mooie stukken in hoor; maar liefst twee artikelen over de /h/ bijvoorbeeld. Dat vindt u misschien vreemd, maar daar smul ik van!'

Nu had ik al gehoord dat er artikelen zouden verschijnen van Trommelen & Zonneveld en Nijen Twilhaar, maar ik had nog niets gezien. 'Wat schrijven ze?' vroeg ik.

'Als ik het goed begrijp is de h volgens Nijen Twilhaar en die anderen helemaal geen medeklinker, maar alleen een kenmerk [-stem] op de klinker. Dat is op zichzelf natuurlijk geen nieuws, de oude Grieken wisten het al, maar deze auteurs zetten een aantal argumenten voor deze hypothese op een rijtje.'

De man stond op en pakte een bruine aktetas uit het bagagerek. 'Hun argumentatie is voornamelijk gebaseerd op het feit dat lettergrepen die met een h beginnen zich gedragen als onsetloze lettergrepen. Dat komt volgens hen doordat dergelijke lettergrepen onsetloos zijn. Kunt u mij nog volgen?' Ik knikte. Uit zijn aktetas pakte de man een degelijk opschrijfboek en een potlood en tekende twee lettergrepen:


S S
| |
R R
| |
a a
|
[-stem][+stem]

'Dit zijn de lettergrepen [a] en [ha] volgens Trommelen en Zonneveld. Een voorbeeld van een verschijnsel waarbij beide lettergrepen zich hetzelfde gedragen is reductie. Normaal gesproken kunnen de klinkers van onbeklemtoonde lettergrepen gereduceerd worden tot sjwa: /reformer/ wordt [r@former]. Een uitzondering hierop zijn echter onsetloze lettergrepen: de e in /egal/ blijft altijd een e. Een andere klasse van uitzonderingen zijn de lettergrepen die beginnen met een h: de e in /helas/ blijft ook altijd een e, hoe informeel je ook spreekt.

Op dezelfde manier geven die Utrechters nog enkele meer of minder sterke argumenten voor de overeenkomsten tussen /a/ en /h/. Bent u enigszins bekend met deze materie?' Ik haalde mijn schouders op en mompelde wat. 'Toch lijkt me hun conclusie overhaast. Ze beweren dat ze hiermee hebben aangetoond dat 'binnen de syllabe de constituent waardoor h onmiddellijk gedomineerd wordt niet de Onset maar het Rijm is.' Hij tikte met zijn potlood op het opengeslagen tijdschrift.

'Maar die conclusie is toch helemaal niet onoverkomelijk? Hij lijkt me gebaseerd op een ongefundeerde aanname, namelijk dat de lettergreep a geen onset heeft.'

'Misschien hebt u gelijk,' gaf ik toe. 'Het is best mogelijk om vol te houden dat ook de lettergreep /a/ met een onset begint, waarin dan bijvoorbeeld een glottale stop zit. De overeenkomst tussen [?a] en [ha] is dan dat deze onset nagenoeg leeg is.' De man tekende driftig de vereiste structuren:


S S
/ \ / \
O R O R
| | | |
? a h a

'En daarmee zijn al die feiten die men in Utrecht bestudeerde toch ook te verklaren? Dat begrijp ik nu niet. Net zoals ik niet begrijp hoe zij denken verklaard te hebben dat een h niet aan het eind van een lettergreep kan voorkomen. Als een klinker gespecificeerd kan zijn als [-stem][+stem] kan hij toch ook gespecificeerd zijn als [+stem][-stem]?'

'Ik weet het niet', bekende ik. 'Ik heb het artikel niet gelezen. De man glimlachte weer. 'Mag ik u nu iets vragen?' zei ik. 'Waarom stelt u eigenlijk belang in deze kwestie?'

'Nu, eigenlijk ben ik econoom,' zei hij. 'Ik probeer de taalkunde een beetje bij te houden, als hobby. Als je zo'n artikel leest, waarin zoveel voorbeelden gegeven worden, dan begin je automatisch na te denken over tegenvoorbeelden en mogelijke andere analyses. En u?'

'Ik ben wel taalkundige,' zei ik, en ik noemde mijn naam.

'Uw beroep had ik al geraden,' zei de man. 'Ik ben bang dat ik van uw werk nog nooit gehoord heb. Ik heet overigens Theo Welpen.' Die naam kwam mij wel bekend voor, maar thuisbrengen kon ik hem niet.

Marc van Oostendorp


[Dit nummer][Columns Van Oostendorp]