9802.22 Terug
Vooruit 9802.0b

Rub: 9802.23

Date: Sat, 7 Feb 1998 04:51:27 -0500
From: Marja Smolenaars <msmolenaars@compuserve.com>
Subject: Rub: 9802.23: Boekenrubriek, no. 8: Schrijvende vrouwen

Boekenrubriek, no. 8: Schrijvende vrouwen

Bespreking van: Met en zonder lauwerkrans: Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850: van Anna Bijns tot Elise van Calcar. Hoofdred. R. Schenkeveld- van der Dussen, red. K. Porteman, L. van Gemert, P. Couttenier. Amsterdam: University Press, 1997. 970 blz., ill., ISBN 90 5356 268 0, Prijs: fl. 99,50.

Het boek zou in een zin te typeren zijn als een verzameling van in druk verschenen werk van vrouwen, maar zo'n simpele omschrijving doet geen recht aan het immense werk dat door de medewerkers is verzet. Er is namelijk niet slechts geprobeerd een lijst aan te leggen van vrouwenliteratuur, er is van iedere schrijfster een korte biografie opgenomen en tevens een aantal voorbeelden uit haar werk en een lijstje met bron en literatuurvermelding

Stelt u zich dat eens voor; zo'n 150 "lemma's" van literaire vrouwen van in totaal 850 bladzijden. De andere 100 bladzijden worden gevuld door inleiding en index. Ook de illustraties verdienen aandacht; het zijn niet de obligate portretten die we in ieder boek tegenkomen, maar een groot aantal originele en ten dele onbekende prenten. Het werk kan zeker monumentaal genoemd worden. Natuurlijk zijn er kritische kanttekeningen te plaatsen (1), maar naast negatieve zijn er nog veel meer positieve dingen te zeggen over dit boek. Zo is er niet uitsluitend gekeken naar formele literaire kwaliteiten van de teksten en komt (gelukkig) ook saai, vroom, niet-vernieuwend, en soms zelfs wat onbeholpen schrijfwerk aan bod.

Juist deze brede selectie geeft een veel beter overzicht van wat vrouwen zoal schreven, dan de gebruikelijke korte opsomming van steeds dezelfde auteurs die in andere overzichtswerken te vinden is. Natuurlijk heeft iedereen van het werk van Anna Maria van Schurman gehoord, en ook Anna Bijns en Belle van Zuylen zijn geen onbekenden, maar wie kent Wilhelmina de Reeck of Geertruide van Halmale? De makers van het boek hebben ook niet de pretentie een bloemlezing van de beste literaire producties te geven, veeleer willen zij de schrijvende vrouw zien in een sociale en culturele context. Er blijken bijvoorbeeld nogal wat vrouwen naaste (mannelijke) familieleden te hebben die wel naam hebben gemaakt in het literaire circuit, zoals Dorothea Petronella Beets, de zuster van Nicolaas Beets van de Camera Obscura, en Barbara Ogier, de dochter van Willem Ogier, een toneelschrijver uit het Antwerpse rederijkersmilieu. Mannelijke familieleden of vrienden hadden vaak ook een rol te spelen in het proces van uitgave van het werk van de vrouwen, al was het alleen maar een financiële.

Het heeft lang geduurd voordat vrouwen zich als professioneel auteur konden manifesteren; schrijven werd gezien als tijdverdrijf naast de "werkelijke" plichten als huisvrouw en moeder. Zeker in de vroege werken is er geregeld sprake van een verontschuldigende toon waarbij de auteur er de nadruk oplegt dat zij haar huiselijke plichten niet heeft verzaakt ten behoeve van het schrijven. Een prachtige prent op blz. 24 (J.H. Ramberg, De geleerde vrouw, 1802) laat zien hoe het huishouden een vreselijke bende wordt als de vrouw zich niets van haar plichten aantrekt en wegdroomt bij haar schrijverij. Dit was niet uitsluitend kritiek van mannen op vrouwen die zich aan het huishouden onttrokken, ook de schrijvende vrouw zelf vond dat haar eerste plicht man en kroost betrof. Zo schrijft Elisabeth Bekker (Betje Wolff),

'k Zal steeds het moeilijk lot eens braven mans beklagen,
Zo hij het huwlijksjuk met ene vrouw moet dragen,
Die, om Rousseau of Young, 'en kroost 'en man vergeet.
Die ongeregeld slaapt, die denkt ook als zij eet;
Die hare sex veracht, en die gij nooit moet zoeken
Dan in een morsig hok, in 't midden van haar boeken;
Die nooit de naald, maar steeds de pen heeft in de hand:
'k Weet wel, zo handelen geen vrouwen van verstand,
Die zijn onschuldig aan alle ongeregeldheden;
Die volgen met vermaak het wijs bevel der rede;
't Noodzaaklijke gaat voor; 't is uitgespaarde tijd,
Die iedre schrandre vrouw aan haren leeslust wijdt;

Het is geen wonder dat er weinig professionele broodschrijfsters waren als zelfs de vrouwen zelf vonden dat schrijven op de tweede plaats kwam. De vrouwen uit de betere standen hadden meer mogelijkheden om hun talenten te ontplooien want het eigenlijke huishoudelijke werk werd voor hen door dienstboden gedaan, maar ook dan zien we toch zelden een oeuvre van betekenis. Een geval apart is Anna Barbara van Meerten-Schilperoort die naast haar huishoudelijke taken - toegegeven: met behulp van haar moeder - en die van een domineesvrouw ook nog tijd had om o.a. een meisjeskostschool te runnen, om schoolboekjes te schrijven - zij was niet tevreden met de gebruikelijke leerboeken - en om tijdschriften, jeugdalmanakken en boeken te schrijven of te redigeren. Deze vrouw moet een onvoorstelbare energie gehad hebben om dit alles te doen en daarbij ook de opvoeding van haar eigen kinderen niet te verwaarlozen. En dan hebben we het nog niet eens over haar werk ten behoeve van de gevangenen in het Goudse Huis van Bewaring. (2)

Ook gebeurde het wel dat het werk van een vrouw werd toegeschreven aan haar man, zoals de "Hemelspraken" van Petronella Keysers, de echtgenote van Lambert Vossius, die in het postume "Alle de Wercken" van haar man belandden zonder vermelding van haar naam. Publiceren samen met een echtgenoot kwam geregeld voor, zoals bij Clara Badon wiens werk na haar dood uitkwam gebundeld met dat van haar man Johannes Ghyben. Nog in 1800 verontschuldigde Antonia Kleijn-Ockerse zich dat ze haar werk apart uitbracht en niet samen met dat van haar man! Sociale afkomst was tot op zekere hoogte van belang; slechts een enkele telg uit een arbeidersgezin had tijd, talent en doorzettingsvermogen genoeg om tot publicatie te komen.

De betere standen genoten een betere opleiding, hadden meer vrije tijd, verkeerden vaker in literaire kringen en hadden meer geld om een publicatie te financieren. De opleiding van vrouwen heeft lange tijd achtergelopen bij die van mannen. Het werd niet nodig geacht dat zij Latijn leerden, de universiteit was voor hen gesloten, als ze al een vreemde taal leerden was dat Frans en dus was het ontbreken van kennis van "de klassieken" een kenmerk van bijna alle literaire vrouwen. Deze kennisachterstand bestempelde hen dan ook meteen als amateurs en, met natuurlijk een paar uitzonderingen, is het duidelijk dat ze door hun mannelijke collega's niet voor vol werden aangezien. Schrijfsters met grote literaire vaardigheden lieten hun werk door mannen "verbeteren", zoals Tesselschade, die P.C. Hooft haar verzen toestuurde.

Toch waren er ook mannen die de prestaties van vrouwen op waarde wisten te schatten. Johan van Beverwijck, medicus, schreef in 1643 "de uitnementheyt des vrouwelicken geslachts", maar hij was niet de enige. Saskia Stegeman laat in een recent artikel (3) zien dat van Almeloveen, ook een medicus, allerlei gegevens verzamelde over "geleerde" vrouwen. Zijn correspondentie met de Haarlemse dichteres Elisa Koolaart-Hooftman is bijna volledig bewaard gebleven en zij was volgens Almeloveen de oorzaak van zijn verzameling - hij verzamelde trouwens ook allerlei gegevens over andere onderwerpen, maar was vooral geïnteresseerd in de geleerdengeschiedenis in het algemeen. Helaas wordt er met geen woord gerept over van Almeloveen in "Met en zonder lauwerkrans", ook niet specifiek in het lemma voor Elisa Hooftman. Het voornemen van van Almeloveen om een soort catalogus aan te leggen (wij zouden het nu een biografisch woordenboek noemen) veranderde langzamerhand in het idee om niet eerder verschenen werk van vrouwelijke schrijfsters te publiceren, maar uiteindelijk kwam er weinig van terecht.

Een interessante studie zou een vergelijking zijn tussen de onderwerpen die mannelijke en vrouwelijke auteurs behandelen in hun dichtwerken en proza. Is er verschil in onderwerpkeuze; hoe wordt het onderwerp benaderd; welke literaire vorm kiezen zij; welk genre? Over enkele schrijfsters is wel iets meer bekend dan zo op het eerste gezicht uit de inleiding van het boek blijkt, zoals over Elisabeth Maria Post wiens werk de aandacht heeft getrokken van J.C. Brandt Corstius en van A.N. Paasman (4). Maar tot een serieuze vergelijking van meerdere mannen en vrouwen is het nog niet gekomen. Wellicht dat de publicatie van dit boek hiertoe kan bijdragen. Het is in ieder geval een prachtig boek om zo nu en dan eens in te bladeren en onverwachte ontdekkingen te doen.

Marja Smolenaars.

  1. Zie ook de recensie van Kees Fens in de Volkskrant van 8-12-1997 en die van Maaike Meijer in het NRC van 16-1-1998.
  2. Zie ook F.J. Huiskamp, "Kijk, de vrouw van de dominee gaat voorbij: Het leven van Anna Barbara van Meerten, geboren Schilperoort (1778-1853)" in Boekenpost 33 (jan/feb.1998), blz. 25-27. Een compleet overzicht van haar oeuvre is te verkrijgen bij F.J. Huiskamp.
  3. S. Stegeman, "Geleerde vrouwen als verzamelobject. De voorgenomen uitgave over geleerde vrouwen van Theodurus Janssonius van Almeloveen (1657-1712)" in De Zeventiende Eeuw, jrg. 13/2 (1997), blz. 447-457.
  4. Zie behalve de literatuurlijst in "Met en zonder lauwerkrans" ook A.N. Paasman, "Dichters in Gelders Arcadia. 'Et in Arcadia ego' II" in "Nederlandse tuinen in de achttiende eeuw", handelingen van het symposium georganiseerd door de Werkgroep Achttiende Eeuw in het Rijksmuseum 'Paleis het Loo', 1985. Amsterdam, 1987, blz. 77-96.


[Dit nummer][Boekenrubriek]