9804.17 Terug
Vooruit 9804.19

Rub: 9804.18

Date: Mon, 20 Apr 1998 08:56:38 +0200
From: Paul Dijstelberge <P.Dijstelberge@ubu.ruu.nl>
Subject: Rub: 9804.18: Rubriek Uit de STCN, no. 10: Pamfletten

Rubriek Uit de STCN, no. 10: Pamfletten

Ik houd van pamfletten. Zoveel dat ik de neiging heb het altijd en overal over pamfletten te willen hebben, in herhalingen vervallend en gelijksoortige, of zelfs identieke observaties makend. Het is kortom het soort liefde waarbij het stadium van verliefdheid maar blijft voortduren, jaar in, jaar uit. In het dagelijks leven wordt een dergelijke obsessie op den duur onverdraaglijk - zoals bij Proust valt na te lezen - maar pamfletten zijn gelukkig van papier en ongevoelig voor mijn neiging om ze steeds maar weer uit het magazijn tevoorschijn te laten komen en uit hun dozen te nemen.

Iedere keer zie ik weer andere details. Ik moet tot mijn schande bekennen dat ik mij in mijn fantasie vergelijk met een licht verdorven bezitter van een serail, die zijn vrouwelijke schare iedere keer weet te verleiden om voor hen te paraderen en de ene dag met een kennersoog de anatomie vergelijkt, de andere dag naar hun muziek luistert of in melancholieke poëzievoordrachten vergetelheid zoekt.

De laatste tijd wordt mijn oog vooral getroffen door het uiterlijk. Pamfletten zijn niet de mooiste gedrukte werken, maar toch ogen ze soms nog intrigerender dan boeken. Op een gegeven moment herken je anoniem drukwerk aan de initiaalletters van Broer Jansz en Joost Broersz of aan de uitbundige opmaak van Cornelis Bastiaensz. De vraag die dan oprijst is deze: zagen tijdgenoten dat ook? Hoe anoniem zijn die anonieme pamfletten eigenlijk?

Ik hoop in de nabije toekomst in een wat langer artikel aannemelijk te maken dat het zeer waarschijnlijk is dat de potentiële koper al aan het uiterlijk van een pamflet zag wat voor vlees hij in de kuip had. Hieronder zal ik uiteen zetten welke kant mijn gedachten uit gaan.

Pamfletten, de in een blauw papiertje ingenaaide boekjes, enkele katernen groot, waren enorm geliefd bij alle lagen van de bevolking. Af en toe vang je een blik op van dat publiek: als beschreven wordt hoe de Leidse wevers luidruchtig te hoop lopen bij een boekverkoper in afwachting van het laatste nieuws over de aanslag op Amsterdam of als de burger bij een boekhandelaar arriveert om te vragen of er nieuws is. "De boekverkoper haalde een pakket uit Amsterdam van onder de toonbank, maakte het open en naaide met een enkele steek een katern op een reepje perkament." Een pamflet kostte een paar cent en was dus betaalbaar voor bijna iedereen - in een land waar rond de tachtig procent van de bevolking kon lezen en waar iedereen een mening had over alles. Boeken werden niet in alle lagen van de bevolking gelezen; ze kostten teveel geld en het ritme van de dag leende zich er niet voor. Voor de spanningsboog van een boek is immers een wat langere tijd nodig waarin men ongestoord lezen kan en dat was voor de meesten nu eenmaal niet weggelegd. De woningen waren klein, de verlichting was slecht, de werkdag duurde vaak van zonsopgang tot zonsondergang. De neiging bestaat om medelijden te hebben met onze hardwerkende voorouders, maar die lange zeventiende-eeuwse arbeidsdag werd voortdurend en op alle mogelijke tijdstippen onderbroken voor allerlei activiteiten. Het huidige arbeidsethos, acht uur per dag hard werken met regelmatige pauzes is hoofdzakelijk het gevolg van de mechanisering van het arbeidsproces, die in de achttiende eeuw begon. In de zeventiende eeuw werd zonder twijfel hard gewerkt, maar regelmaat, zoals wij die kennen, bestond niet. Zo'n voortdurend onderbroken arbeidsproces leende zich goed voor het consumeren van het laatste nieuws, het lezen van een hoofdstuk uit Amadis de Gaule, theologische discussies of een wandeling naar het galgenveld.

En boekhandelaars speelden daar op in, door hun gevel vol te hangen met het laatste nieuws, waarbij het nieuws dat minder populair was bij de overheid vermoedelijk achter de kleine ramen of zelfs achter de toonbank te bezichtigen was. Van vrijheid van drukpers was geen sprake, maar de overheid voerde een gedoogbeleid dat enigszins doet denken aan het optreden van de burgemeester van Amsterdam tegen de meer smakeloze ansichtkaarten die op een gegeven moment overal in de stad te koop werden aangeboden. Er werd verordonneerd dat dergelijke kaarten voortaan niet meer vanaf de straat zichtbaar mochten zijn.

Zo bestond in de Republiek nauwelijks echte censuur terwijl er toch geen vrijheid van drukpers was. Dat was geen kwestie van bestuurlijk onvermogen - zoals sommige onderzoekers denken - maar van bestuurlijke onwil die weer de resultante was van pragmatisme en particularisme. Wat er precies werd getolereerd en in welke mate was een kwestie van politiek.

Er zijn een paar momenten in de Nederlandse geschiedenis waar de wisseling van de wacht gepaard gaat met een verandering in het drukwerk. Naast de jaren 1660-1675 is in dit opzicht de periode van ongeveer 1607 tot 1630 het interessantst, een tijdspanne die wordt gekenmerkt door ernstige godsdiensttwisten. De remonstranten hebben eerst de macht en worden bestookt door een schare anonieme auteurs die gebruik maken van even anonieme drukkers. Maar zoals auteurs herkenbaar zijn aan hun stijl, zo zijn drukkers niet minder herkenbaar door initialen en ornamenten. De contra-remonstranten nemen na 1618 de macht over en dan komen de anonieme drukkers boven de grond: voortaan zien we hun naam en adres voluit op de nu respectabele maar niet minder virulente pamfletten.

Omgekeerd duiken remonstrantse auteurs onder en verschijnt hun werk anoniem, zoals "Te Harderswijk" wat hier niets met Harderwijk maar alles met de uitgeweken herders te maken heeft. Tegen het eind van de jaren twintig, als Maurits alweer een tijdje dood is, keren de remonstranten langzaamaan terug op het toneel en vindt de toegenomen tolerantie - alweer - zijn weerslag in de pamfletten.

Ik geloof zeker niet dat de contemporaine lezer een initiaalletter bekeek en dan dacht, "Aha, dit boekje is afkomstig uit de drukkerij van Blaeu/Broersz/etc." Wel dat een bepaalde opmaak, het gebruik van een bepaald type ornament op de titelpagina of van een gefingeerd adres duidelijk maakten met wat voor een tekst men te doen had. Onderzoek naar de drukkers van anonieme pamfletten kan dan ook een belangrijke bijdrage leveren aan het historisch onderzoek naar de zeventiende eeuw. Wat waren hun netwerken? Hoe distribueerden zij hun uitgaven? Hoe kwamen zij met hun auteurs in contact en hoe onderhielden zij die contacten? Dit zijn vragen die deels door archiefstudie zullen moeten worden beantwoord, maar ook materiële aspecten van het drukwerk spelen in dit type onderzoek een belangrijke rol. Juist daarom is boekgeschiedenis zonder een grondige bibliografische onderbouw eigenlijk een futiele bezigheid.

Want het is niet goed mogelijk om algemene uitspraken te doen over zaken als censuur, over produktie, distributie en consumptie zonder dat je precies weet wie wat deed voor wie en waarom. Teveel uitspraken worden gedaan op basis van het soort overgeleverde kennis waar grote vraagtekens bij kunnen worden gezet. "De slechterik Janssonius drukte altijd de edele Blaeu na" is zo'n idee re‡u: waarschijnlijk drukte Blaeu niet minder Janssonius na en wordt de grootsheid van zijn plannen verward met zijn karakter. Hoe komt het dat je in anoniem drukwerk gradaties van anonimiteit ziet? Met name pamfletten die zich richten tegen machtige potentaten uit het buitenland of tegen binnenlandse grootheden als de VOC zijn een stuk anoniemer dan de pamfletten die zich bezighielden met de godsdienst. Het lijkt erop dat men banger is voor particuliere knokploegen dan voor de schout en zijn rakkers.

Antwoorden op een aantal van de hierboven gestelde 'wetenschappelijke' vragen verwacht ik pas op de lange termijn te vinden - als ze ooit gevonden worden. Gelukkig hebben de pamfletten ook op korte termijn een wat algemenere wijsheid te leren. Dat fanaten de ruimte die je ze geeft zullen gebruiken om je te vuur en te zwaard te bestrijden en dat een tolerant mens, als hij pech heeft, op een dag voor de keuze komt te staan tussen zijn integriteit en zijn bestaan. En dat humor en verstand het op korte termijn verliezen van boosaardigheid en stompzinnigheid, maar dat op de lange termijn het omgekeerde het geval is. Lessen die resulteren uit de diepe weerzin die de geschriften van de contra-remonstranten bij mij oproepen. Door de zelfgenoegzaamheid waarmee ongevraagd pseudo-martelaarschap wordt geëtaleerd en opgedrongen, door het primitieve geloof dat nog het meest doet denken aan het boerencommunisme van Pol Pot. Maar Salieri wordt alleen nog maar beluisterd vanwege Mozart en met de even domme als boosaardige en humorloze contra-remonstranten is het eigenlijk niet anders: ze dienen als de duistere achtergrond waartegen Wttenbogaert of Passchier de Fijne des te beter uit de verf komen. De nooit geleerde lessen van de geschiedenis: hoe tragisch een leven ook kan verlopen, vroeger of later wordt het tot verstrooiing. Een vlucht in een boekenkist een anekdote voor kinderen, een hongerdood een dramatisch gegeven voor een nooit geschreven roman.

[Noot: Vanzelfsprekend refereer ik aan de film over Salieri en Mozart, niet aan de geschiedenis.]

Paul Dijstelberge


[Dit nummer][Uit de STCN]