| 9805.31 |
|
|
|
9805.b | Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 9805.32
Date: 09 May 1998 22:21:28 +0200
Linguïstisch Miniatuurtje XLVI: Beleefd zijn valt niet mee, vergis u nietHet Nederlands is niet af. En dan heb ik het nog niet eens over onze woordenschat, die aan voortdurende verandering onderhevig is, en naar de jongste onderzoekingen uitwijzen met enkele tientallen neologismen per dag aangevuld wordt. Het wordt vast allemaal nog veel duizelingwekkender als we gaan turven met hoeveel nieuwe exemplaren van woordgroepen of zelfs zinnen het vaderlandse taaleigen dagelijks wordt uitgebreid. Waarschijnlijk zal blijken dat het doenlijker is om bij te houden hoeveel *dezelfde* zinnen er iedere dag gebruikt worden. Maar, zal de enigszins geschoolde Nederlander tegenwerpen, al die nieuwe zinnen en woordgroepen zijn toch alleen maar toepassingen van een weliswaar uitdijende woordenschat, maar in ieder geval van een vaststaande grammatica? Deze grammatica zal ongetwijfeld aan enige vorm van evolutie onderworpen zijn, maar de verschuivingen daarin zijn toch niet zo snel en spectaculair. In principe is de grammatica statisch, en voor iedere afzonderlijke Nederlander af. Of, in meer technische termen: binnen ieders individuele taalvermogen is de grammatica een voltooid systeem. Dat lijkt een voor de hand liggend inzicht, maar het klopt niet. Menig taalkundige zal het gesteggel over de grammaticaliteit van geconstrueerde voorbeeldzinnen nog vers in het geheugen liggen, maar ook de niet-taalkundige kan bij zichzelf af en toe grammaticale onzekerheden waarnemen. Een heel eenvoudig voorbeeld van zo'n onzekerheid is het gebruik van de beleefdheidsvorm "u" in plaats van "jij". Is dat nou een derde of een tweede persoon? In veel gevallen kan de beleefdheidsvorm gebruikt worden zonder dat het antwoord op deze vraag bekend is. Immers, de meeste werkwoorden hebben voor de tweede en de derde persoon dezelfde vorm. Er zijn maar een handjevol gevallen waar het uitmaakt. Dat zijn de werkwoorden "zijn" en "hebben" (is het "u bent" of "u is", en "u hebt" of "u heeft"?), de modale hulpwerkwoorden "kunnen" en "zullen" ("u kunt" of "u kan", "u zult" of "u zal"?), en natuurlijk de reflexieve constructies. Aangezien het reflexivum zich richt naar het onderwerp, krijgen we de keuze tussen "u vergist zich" en "u vergist u". Vreemd genoeg zien we de taalgebruikers in deze gevallen vaak gemengde keuzes maken. Zo vind ik zelf "u is" aanmerkelijk slechter dan "u heeft", terwijl ik ook iets heb tegen "u kan" en "u zal". Bij reflexieven zal ik vaker voor "zich" kiezen, en bij "vergist u zich niet?" versus "vergist u u niet?" kan ik vanwege de botsing tussen die twee "u's" al niet eens meer kiezen. Maar wat betekent dat nu voor mijn individuele grammatica? Is "u" daar nu zowel tweede als derde persoon? Of moet ik aannemen dat mijn interne systeem een ratjetoe is van onsamenhangende voorkeuren die zelfs met elkaar in tegenspraak lijken? Het wordt allemaal nog veel gekker als we de imperatieven erbij halen. Normale imperatiefconstructies zoals "hou op" of "kom hier" kunnen probleemloos beschouwd worden als constructies met impliciet onderwerp. Dat lege onderwerp is tweede persoon, zoveel is duidelijk. Immers, de reflexieven in "vergis je niet" en "scheer je weg" tonen dat wel aan. Bovendien kun je het onderwerp weer toevoegen in adhortatieve constructies als "kom jij maar eens hier" en "wees jij maar op je hoede". De vorm "wees" in het laatste voorbeeld bewijst dat we hier wel degelijk met een imperatief van doen hebben en niet met een gewone vooropgeplaatste persoonsvorm. Nu de beleefdheidsvorm. Naast "kom hier" hebben we natuurlijk de vorm "komt u maar eens hier" . De zin "weest u maar niet bang" toont weer aan dat er sprake is van de imperatief. De t-deletie die bij geïnverteerd "jij" optreedt blijft hier achterwege. Zo op het eerste gezicht niets aan de hand dus. Net zoals "jij" kan "u" in die imperatiefconstructies weggelaten worden. Ook de verschijnselen bij reflexieven lijken in eerste instantie onproblematisch. Opvallend is alleen dat naast de vorm "vergist u zich maar niet" de vorm "vergist u u maar niet" geen reële keuze lijkt. Maar dat zal dan wel liggen aan die botsende "u's". Maar wat gebeurt er nu als we in een reflexiefconstructie "u" weglaten? We krijgen dan niet "vergist zich niet", ook niet "vergist u niet", maar juist "vergis u niet". Dat wil zeggen, we krijgen de persoonsvorm met t-deletie alsof er "jij" heeft gestaan en de reflexiefvorm die juist bij "u" onmogelijk was! Ook bij niet-inherente reflexieven zien we dit patroon: naast "wees vooral uzelf" is onmogelijk "wees vooral zichzelf", net zoals "weest vooral zichzelf". De variant "weest vooral uzelf" is alleen interpreteerbaar als de archaïsche meervoudsimperatief. Ik vind dit een zeer opvallend verschijnsel, naar de aard waarvan ik op dit moment alleen maar kan gissen. Zo kan ik wel bedenken dat de onmogelijkheid van "zich" in imperatieven te maken moet hebben met de reconstrueerbaarheid van het subject, maar hoe dat geoperationaliseerd is, is me onduidelijk. Ook kan ik verzinnen dat de reflexief "u" juist weer mogelijk (en misschien daarom juist verplicht?) wordt doordat de blokkade van de botsende "u's" opgeheven is, maar deze optimaliteitsgedachte wordt een beetje tegengesproken door de voorbeelden "weest u vooral uzelf/zichzelf", waar bij niet-botsende "u's" de variant "zichzelf" toch acceptabel blijft. En wat te denken van de t-deletie? Maar goed, om toch dit miniatuurtje met een min of meer afgeronde gedachtegang te besluiten, constateer ik het volgende: t-deletie treedt op bij de tweede persoon enkelvoud, tenzij het de vorm "u" betreft. Bij imperatieven zonder de vorm "u" is t-deletie verplicht, ook als het reflexivum de beleefdheidsvorm heeft. De vormgeving van het reflexivum is afhankelijk van de vorm van het subject: tweede persoon enkelvoud is "je" of "u" afhankelijk van de beleefdheid, maar een subject van de vorm "u" staat zowel "zich" als "u" toe. Bij botsende "u's" heeft "zich" de voorkeur. Bij imperatieven met weggelaten "u" is "zich" geen keuze omdat het subject niet de vorm "u" heeft: alleen "je" of "u" zijn mogelijk. Peter-Arno Coppen
|