| 9806.17 |
|
|
|
9806.19 |
|
Col: 9806.18
Date: Tue, 04 May 1998 13:51:36 +0200
Column Willem Kuiper, no. 39: De LeverzeeAls Walewein in ruil voor het Zwaard met de Twee Ringen het op zich genomen heeft voor koning Amoraen van Ravenstene prinses Ysabele van Endi te ontvoeren, ziet hij na een hoop gedoe en nog meer mijlen een rivier en aan de overkant ervan een kasteel. Walewein besluit die rivier te volgen totdat hij een brug of doorwaadbare plaats vindt. Volstrekt normaal, zouden u en ik ook gedaan hebben. Penninc echter, de auteur van het verhaal, slaat alarm. Al oogt het water kalm, het is uiterst verraderlijk.Na een tijdje ziet Walewein een brug. Dichterbij gekomen blijkt dat geen gewone brug, maar een vlijmscherp zwaard te zijn. Dat is Walewein te link, dan maar te water. Om te peilen hoe diep het daar is, steekt Walewein zijn lans in het water om er vervolgens de sensatie van een blikseminslag aan over te houden. Verderop nog maar eens proberen, denkt Walewein. Maar ook daar blijkt het water levensgevaarlijk. Geen doorwaden aan en Walewein trekt zich terug onder een lindeboom. Terwijl hij dat doet, ziet hij het water weer tot rust komen en een gouden glans aannemen. Nog één keer dan, denkt Walewein, maar zodra hij het water aanraakt ontbrandt het. Ongelooflijk, immers water en vuur zijn elkaars tegenoverstelden. Later zal de vos Roges, de betoverde zoon van de koning van Ysike, Walewein uitleggen dat deze doodstille rivier deel uitmaakt van het Vagevuur, en hij wijst hem vogels aan die er zwart invallen en er wit uitkomen: dat zijn zielen. Dan pas zijn zij in staat om over de Zwaardbrug richting hemel te gaan. Nog later zal Roges zeggen:
Samengevat: al rijd je meer dan 500 mijl langs het water, je kunt niet
aan de andere kant komen, en al kwam je aan de andere kant dan nog kun
je nergens oversteken. De rivier ontspringt in de Hel, de zielen worden
erin gekweld, en hij mondt uit in de Leverzee.
Interessant in dit verband is een passage in Jan van Ruusbroecs Van den Gheesteliken Tabernakel:
En iets verder in dezelfde 'paragraaf' CIII (ed.-Stracke, 1934):
Het heeft er veel van weg dat Penninc, de Walewein-auteur, hiervan op de hoogte is en bij de optimale verstaander deze kennis bekend veronderstelt. Een lokalisering vinden we wel in Vanden levene ons Heren, een dertiende-eeuwse epische bewerking van het leven van Jezus van Nazareth, zoals beschreven in de canonieke evangeliën en het niet-canonieke evangelie van Nicodemus. Daarin refereert een Jood aan de weldaden die God het Joodse volk bewees:
Geen twijfel mogelijk, hier wordt de Rode Zee bedoeld die - als je de
naam letterlijk zou nemen - inderdaad voor leverkleurig door zou kunnen
gaan. Heeft de auteur het een met het ander geassocieerd en de
ontsnapping door de Rode Zee tot een nog groter wonder willen maken
door daar de Leverzee van te maken?
Je zou bijna aan Atlantis denken.
Brandaen heeft ook al de nodige ellende achter de rug als hij "meneghen wint grooten" hoort opsteken en:
Een stem van Godswege zegt Brandaen oostwaarts te varen, want op de
bodem van de Leverzee liggen stenen die schepen met ijzer aantrekken.
Wie daar verzeild raakt, keert nooit weerom. Volgens W.P. Gerritsen,
Brandaen-kenner, situeren middeleeuwse geografen de Leverzee, die ook
als de Gestolde Zee werd aangeduid, ergens in het Noorden, en wordt de
onderzeese magneetsteen in die Leverzee gelokaliseerd.
Hier is de Leverzee - vindplaats niet opgenomen in het Register van
Namen en Plaatsen achterin de verder nagenoeg volmaakte editie van Het
Comburgse Handschrift - geen bedreiging maar een wonder!
Hier is de helderheid van het water belangrijk voor de wonderlijkheid van de plaats, die verder doet denken aan het verdronken land uit de Middelnederlandse vertaling van het Elucidarium. De laatste vindplaats komt het handschrift KB Brussel 15.140, waarin de oudste, compleet bewaard gebleven Zuidmiddelnederlandse vertaling van de Legenda aurea staat opgetekend. Aan het slot van de legende Vanden vindene des heilechs crucen lezen wij over hoofdrolspeelster Helena van Constantinopel, de eerlijke vindster:
Ik realiseer me dat ik mij op glad ijs begeef, maar omdat ik zeker weet
dat u zich afvraagt: Hoe haalt iemand het in zijn hoofd zo'n kostbaar
reliekwie als een Kruisnagel overboord te werpen? - durf ik u mede te
delen dat - als ik de tekst goed begrepen heb - de vierde nagel de
nagel was waarmee het opschrift INRI - Jhesus Nazarenus Rex Judeorum -
op last van Pylatus aan het Kruishout bevestigd was, dankzij welk
opschrift Helena het heilig Kruis kon identificeren. De goede en de
slechte moordenaar zijn blijkbaar ongetiteld terechtgesteld.
Waaraan dankzij die Kruisnagel een einde kwam. Zo veel is zeker dat de Leverzee geen plek voor een pleziervaart is. Maar waarom het water niet deugt, is onduidelijk. Is het kleverig, zoals de Duitse overlevering wil - en zo ja, waarom? Kom je er vast te zitten in een magnetisch veld? Of is er sprake van ernstige waterverontreiniging door de hel? En waar ligt hij nou? En waarom kent of noemt Jacob van Maerlant hem niet?
Literatuuropgave:
|