9806.18 Terug
Vooruit 9806.20
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 9806.19

Date: Thu, 28 May 1998 13:13:55 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 9806.19: Column Coppen: Linguïstisch Miniatuurtje XLVII: Kut op Dirk, waar slaat dat op?

Linguïstisch Miniatuurtje XLVII: Kut op Dirk, waar slaat dat op?

In zijn rubriek "woord na woord" in de NRC van maandag 24 mei 1998 bespreekt Ewoud Sanders de etymologie van de zin "dat slaat als kut op Dirk". Als kapstok voor deze bespreking dient een artikeltje van de Utrechtse hoogleraar Van Haeringen waarin deze enigszins geschokt reageert op het gebruik van zo'n "platte uitdrukking" in een "beschaafde conversatie". Van Haeringen had blijkbaar het hart niet om zijn artikel te voorzien van de uitdrukking in haar volle Bargoense rondborstigheid, en hij kiest voor de preutsere variant "Dat slaat als kip op Dirk". Sanders geeft geen volledige verwijzing naar het artikel, maar vermeldt alleen dat de observatie uit 1972 is. Een snelle blik in de BNTL (heb je toch nog eens iets aan die cursus Heuristiek) leert dat het artikel staat in de Nieuwe Taalgids van 1974. De BNTL, blijkbaar ook verlegen met het onderwerp, rangschikt het overigens komisch genoeg onder het trefwoord "drieletterwoorden". Gelukkig maar dat het woord "kip" ook drie letters telt.

Sanders' stukje, en ook het artikel van Van Haeringen, blijken typische exponenten van de bij leken zo populaire etymologische tak van de taalkunde, waarbij het achterhalen van de herkomst van een woord of uitdrukking het hoogste goed lijkt. Als we nou maar weten welke variant ouder is, en hoe de ene uitdrukking "verbastert" tot de andere, dan zijn we gelukkig (in ieder geval tevreden). Zo is "slaat" ontstaan uit "rijmt" of "sluit", als een "spelletje" met de "eigenlijke betekenis" en de betekenis "ergens betrekking op hebben", en "Dirk" is verbasterd uit "drek". Alom open monden, en einde verhaal.

Begrijpt u me goed: het is absoluut niet mijn bedoeling om badinerend te spreken over dergelijke taalhistorische speculaties en ik zal de laatste zijn om ze aan te vechten, ook al is het mijn persoonlijke indruk dat de menselijke fantasie een geloofwaardiger geschiedenis kan creëren dan de werkelijkheid zelf. Nee, waar ik naar toe wil is dat ik als syntacticus niet warm of koud kan worden van deze taalkundige archeologie.

Nu zult u zeggen: als je er dan niets over te zeggen hebt, kies je wel een erg goedkoop trucje om je lezerspubliek te vergroten door de gewraakte uitdrukking prominent als kopje boven je miniatuurtje te zetten! Maar ik heb wel degelijk iets te zeggen. En dat is: dat de uitdrukking "dat slaat als kut op Dirk" syntactisch minstens zo interessant is als om de historie van haar woordkeus.

Laat ik dan eens voortborduren op de aanzet die in het NRC-stukje wel degelijk aanwezig is: Sanders noemt een algemeen patroon waar de uitdrukking in past, namelijk "Dat dingest als x op y", waarbij je voor "dingest" de werkwoorden "klinkt", "lijkt", "past", "rijmt", "slaat" en "voegt" kunt invullen. Uit de gegeven voorbeelden blijkt verder nog dat in plaats van "op" ook andere preposities mogelijk zijn. De taalkundig geschoolde lezer zal dus het patroon [dat V als NP PP] kunnen herleiden.

We zitten dus met een patroon [dat V als NP PP]. In deze constructie lijkt allereerst de vraag relevant: is die PP bijvoeglijk of bijwoordelijk? In het eerste geval hebben we eigenlijk met het patroon [dat V als NP] van doen, en dat is redelijk eenvoudig. In het tweede geval zit de zaak ingewikkelder.

Welnu, een van de door Sanders aangehaalde voorbeelden ("dat klinkt als drek in een vilthoed") kan in ieder geval gezien worden als bijvoeglijk. Weliswaar lijkt ook een bijwoordelijke lezing mogelijk, maar waar bij alle andere voorbeelden de bijvoeglijke lezing uitgesloten is (bijvoorbeeld "dat slaat als een tang op een varken" of "dat lijkt als een koe op een eend"), is hier de bijvoeglijke lezing ten minste voorstelbaar. Daarmee kan deze geanalyseerd worden als de eenvoudige variant, waarvan ook andere voorbeelden bestaan ("dat klopt als een zwerende vinger", "hij lacht als een boer met kiespijn"). We zullen beneden zien dat er ook andere redenen zijn om de variant met "klinkt" op deze manier op te vatten.

Onze uitdrukking ("dat rijmt als kut op Dirk", "dat slaat als een tang op een varken", "dat sluit als een haspel op een vleespot", "dat past als een himphamp op een mosterdmolen") is dus ingewikkelder. Maar hoe zit de constructie in elkaar? Laten we eens van het rijmvoorbeeld uitgaan: "op Dirk" is het prepositionele object van een verbale constructie "kut rijmt op Dirk". Nu proberen we de proverbiale uitdrukking te vertalen naar een voorbeeld uit het hedendaags Nederlands. We nemen -willekeurig- het werkwoord "rekenen", dat verplicht een prepositioneel object "op iemand" neemt. En we construeren: "Jan rekent als Piet op Karel". Maar dat kan helemaal niet! Je kunt natuurlijk wel maken "Jan rekent op Kees als Piet op Karel", wat een betrekkelijk normaal voorbeeld van Gapping is, maar je kunt normaliter uit het eerste deel van zo'n vergelijkende constructie het prepositionele object niet weglaten.

Als in onze constructie het prepositionele object dan niet is weggelaten, is dan soms "op Dirk" het feitelijke prepositionele object van "rijmt"? Met andere woorden "dat rijmt (als kut) op Dirk"? Maar dat zou precies de verkeerde semantiek geven. Want het subject "dat" rijmt juist niet op "Dirk". Sterker nog, het heeft er niets mee te maken. De subject-objectverbinding is die tussen "kut" en "Dirk".

Maar waar is dan het prepositionele object bij het subject "dat" gebleven? Is het soms geïncorporeerd als gevolg van een soort inherente wederkerigheid? Ik bedoel: als je zegt "x rijmt op y", dan kun je parafraseren "x en y rijmen op elkaar" en daarin kun je "op elkaar" weglaten. Het is opvallend dat de meeste werkwoorden die Sanders in zijn voorbeelden noemt, deze eigenschap hebben: "x sluit op y", "x en y sluiten (op elkaar)"; "x lijkt op y", "x en y lijken (op elkaar)"; "x past op y", "x en y passen (op elkaar)". Het werkwoord "klinken" hadden we al weggeredeneerd, en een probleem vormt nog "slaan". Maar daar kom ik zometeen op terug.

Als deze veronderstelling waar is, dan moeten hedendaagse werkwoorden met deze eigenschap de constructie nu nog toelaten. Zo'n voorbeeld zou "overeenkomen" kunnen zijn: "x komt overeen met y", "x en y komen (met elkaar) overeen". Eens even proberen: "dat komt overeen als een pastoor met een politicus". Mmmja, dat is in ieder geval beter dan dat voorbeeld met "rekenen". Het is mijn indruk dat het nog beter zou worden met explicietere invullingen van de beide NPs, maar dat laat ik graag aan de dirty minds van mijn lezers over.

Akkoord. Laten we aannemen dat die deletie van een wederkerig prepositioneel object een factor is, dan zitten we nog met het "slaan"-voorbeeld. "Dat slaat als een tang op een varken" bijvoorbeeld. Je kunt uit "x slaat op y" niet concluderen dat "x en y slaan op elkaar", zo lijkt het, en je kunt al helemaal dat "op elkaar" niet weglaten. Exit hypothese?

Nu is het verleidelijk om simpelweg aan te nemen dat "slaan" "verbasterd" is uit "sluit", maar daar heeft de hedendaagse taalgebruiker niets aan. Die weet dat niet, en toch gebruikt hij de constructie en hij verbindt hem met het werkwoord "slaan" dat een prepositioneel object selecteert. Dat de constructie syntactisch ondoorzichtig is lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Een uitdrukking als "dat slaat als een lul op een drumstel" wordt inderdaad, zoals Sanders stelt, ervaren als een woordspeling waarbij "slaan op iets" in het ene geval als een constructie met prepositioneel object ("betrekking hebben op") en in het andere als een constructie met bijwoordelijke bepaling ("een slag geven op") wordt opgevat.

Een andere mogelijkheid is om het ontstaan van de uidrukking te koppelen aan het intransitieve gebruik van "slaan", in de zin van "het hart slaat", "een vogel slaat". In deze laatste zin komt "slaan" natuurlijk dicht bij de betekenis van "rijmt", en inderdaad blijkt dat deze betekenis in het WNT geboekstaafd is. Vervanging van "rijmt" door "slaat" zou vervolgens door de taalgebruiker geheranalyseerd kunnen zijn als de constructie met "slaan op", en we zijn waar we wezen willen.

Hoe aannemelijk ook, toch bevredigt deze gedachtegang me niet. Als de taalgebruiker de constructie [dat V als NP PP] reserveert voor werkwoorden die inherent wederkerig zijn, waarom kiest hij dan voor een heranalyse die deze beperking schendt? Omdat "slaan" in de betekenis "rijmen" ongebruikelijk is? Maar dat kan dan voor de huidige taalgebruiker geen reden zijn om maar klakkeloos zo'n constructie te gebruiken, want die zit niet in z'n syntactische repertoire. Is het soms zo dat de huidige taalgebruiker het predicaat "slaan op" toch inherent wederkerig interpreteert, in meer algemene zin als "verband houdend met"? In dat geval zou "dat" verwijzen naar twee zaken die geen enkel verband met elkaar houden: het feitelijk bedoelde, en de situatie waarin dat voorkomt. Dat klinkt niet eens zo gek. Maar of het ergens op slaat...

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]