Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek
ISSN-0929-6514
Bulletin 9807.a, juli 1998
 
9807.01 Terug
Vooruit 9807.03

Art: 9807.02 (= http://www.neder-l.nl/bulletin/1998/07/980702.html)

Date: Wed, 8 Jul 1998 15:43:32 +0100 (WETDST)
From: Maarten Klein <M.Klein@let.kun.nl>
Subject: Artikel 'Wist een mensch ooit iets...'; _Van oude menschen_ in nieuw licht

 
'Wist een mensch ooit iets...'
Van oude menschen in nieuw licht
1

Maarten Klein


Samenvatting
Sinds de publicatie in 1960 van Bloks dissertatie Verhaal en lezer weten wij zoveel meer over het gedachtegoed van Louis Couperus, dat het gewenst is zijn grote roman Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... aan een nieuwe analyse te onderwerpen. In dit artikel wordt aangetoond, dat met name het godsdienstmotief in Bloks analyse te weinig aandacht gekregen heeft. Dit motief is, in Bloks terminologie, een abstract motief te noemen. Belangrijk onderdeel van dit motief is de vraag in hoeverre de geheimzinnige werkelijkheid die ons omringt, te kennen, te 'weten' is. De mensen kennen zichzelf niet, staan als sfinxen tegenover elkaar en weten niet wat er na dit leven komt. De Noordelijke mensen worden voorgesteld als tragische figuren die noodlottig hun verleden achter zich aan moeten zeulen.
Toch biedt deze roman ook een heel opwekkend perspectief: het paradijs, aan het einde van het eerste deel voorgesteld als een Dionysisch lusthof in Nice, waarin het leven steeds weer herboren wordt, dat paradijs is voor mensen in principe niet onbereikbaar. De Zuidelijke Ottilie en Aldo hebben het weten te bereiken! Om dat paradijs in te kunnen gaan, moet de mens aan een aantal voorwaarden voldoen. Hij moet zich los weten te maken van het verleden, hij moet zijn medemens de vrijheid geven de eigen levenslijn te volgen en hij moet inzien dat de wereld en de mensen niet te kennen zijn, niet te 'weten'. Voor Noordelijke weemoedszielen zijn dat echter onmogelijke voorwaarden.

Inleiding

Naast Eline Vere (1889), Noodlot (1890) en De boeken der kleine zielen (1901-1902) behoort Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... (1906) tot de meest gelezen romans van Louis Couperus. Dat is zeker niet altijd zo geweest. De eerste oplage van deze nu zo hogelijk gewaardeerde roman kon men, als vele andere boeken van hem, nog jaren na de dood van de auteur in de boekwinkel zien liggen. Pas in de jaren vijftig en zestig is de roman bij een groter publiek bekend geraakt, wat resulteerde in een televisiebewerking die de Avro in de winter van 1975-1976 heeft uitgezonden; een artistiek heel acceptabele bewerking, met de onvergetelijke Caro van Eyck als oma Ottilie, die op haar beurt weer heeft bijgedragen tot een nog grotere bekendheid van de roman.
        In 1960 promoveerde W. Blok op een proefschrift waarin hij Van oude menschen diepgaand analyseert.2 Deze dissertatie is in de neerlandistische wereld bijna even klassiek geworden als de roman die erin behandeld wordt zelf, niet alleen door de interpretatie die Blok van Couperus' meesterwerk geeft, maar ook door het feit dat hier voor het eerst een roman volgens voor die tijd geheel nieuwe methoden geanalyseerd werd. Ondanks het feit dat inmiddels vele, vele jaren voorbijgegaan zijn, is Bloks beschrijving van Van oude menschen eigenlijk nooit aan serieuze kritiek onderhevig geweest.
        Het komt mij voor, dat de tijd gekomen is opnieuw naar Van oude menschen te kijken. We weten nu veel meer over het gedachtegoed van de Haagse auteur dan Blok tijdens het schrijven van zijn dissertatie kon weten. In vele publicaties is Couperus' belangstelling voor theosofie en gnosis aan de orde gesteld, evenals zijn belangstelling voor het werk van de Amerikaanse filosoof-dichter Ralph Waldo Emerson, wiens Essays overigens in hoge mate de sfeer van theosofie en gnosis ademen.3 Vrij recent heb ik gewezen op invloed van Friedrich Nietzsches filosofie in Aan den weg der vreugde4, op Couperus' kennis van het Corpus Hermeticum5 en op de invloed van Plato's Phaedros en Plotinus' Enneaden op Psyche.6 Behalve voor het vrijwel altijd aanwezig zijnde noodlotsmotief heeft men veel meer oog gekregen voor de andere motieven in Couperus' werk, zoals wedergeboorte en evenwicht, harmonie.
        Alvorens op de vraag in te gaan wat deze nieuwe inzichten betekenen voor de interpretatie van Van oude menschen, zal ik eerst een beknopte samenvatting geven van de inhoud van deze roman. Vervolgens geef ik dan, aansluitend bij Bloks werk, een nieuwe analyse, waarbij ik zal laten zien dat met name het religie- en kunstmotief in Bloks beschrijving onbesproken blijven en dus ook onverklaard.7 Deze motieven blijken van groot belang te zijn voor een vollediger interpretatie van deze roman.

Beknopte inhoud van Van oude menschen

Deel I

Lot Pauws gaat trouwen met Elly Takma, maar waarom hij haar gevraagd heeft, is hemzelf onduidelijk. Zijn moeder, mama Ottilie, is, na twee ongelukkige huwelijken, getrouwd met Steyn. Ook dit derde huwelijk is een mislukking. De grootvader van Elly, de oude heer Takma, blijkt de vader te zijn van mama Ottilie, zodat Lot en Elly in feite neef en nicht zijn. Mama Ottilie, Lot en Elly weten dit echter niet, vermoeden hoogstens. Derksz, de tweede man van oma Ottilie is door Takma en haar vermoord. De beide oude mensen voelen hier wroeging over en vragen zich af of zij in de zestig jaar na de moord al genoeg gestraft zijn of dat zij ook in het hiernamaals nog moeten boeten.
        De oude mensen denken dat niemand van de moord op de hoogte is. Dit blijkt onjuist te zijn. Harold Derksz is als dertienjarige getuige geweest van de moord. Wat hij toen zag, wordt in het verhaal steeds aangeduid als 'het Ding'. Ook de katholiek geworden Therèse weet het geheim van de oude mensen. Zij heeft het gehoord toen haar moeder ziek was en lag te ijlen.
        Lot en Elly gaan op huwelijksreis naar Nice, waar zij Lots zuster Ottilie en de Italiaan Aldo ontmoeten, die een vrij huwelijk hebben. Zij worden voorgesteld als ware levenskunstenaars. Lot en Elly voelen zich herboren worden in het Zuiden en zijn heel gelukkig. Maar zal het altijd zo blijven?

Deel II

Daan Derksz komt terug uit Indië. Hij wordt gechanteerd door de zoon van de baboe van Harold, vanwege de moord van de beide oude mensen. Ina d'Herbourg, dochter van Harold, doet haar best om achter het geheim te komen, maar dat lukt niet.
        Takma sterft en Adèle, zijn nicht die het huishouden doet, leest op zijn kamer een brief en ontdekt het geheim. De erfenis gaat naar Elly, zijn kleindochter, Adèle en mama Ottilie, die wel vermoedt, dat Takma haar vader was, maar dat niet zeker weet. Elly en Lot komen thuis, minder gelukkig dan in Nice. Elly heeft Lot er niet tot groter werk kunnen brengen, wat zij wel vurig gewenst had. Roelofsz, de oude arts die meegeholpen heeft het geheim te bewaren, sterft en vervolgens ook oma Ottilie.

Lot ligt thuis ernstig ziek. Elly heeft hem verlaten; zij is als verpleegster naar Moekden gegaan. Zijn vader is bij hem. Deze is zeer verontwaardigd over Elly's handelwijze, maar Lot kalmeert hem. Ieder moet zijn eigen levenslijn kunnen volgen, vindt hij nu. Als hij is opgeknapt, gaat Lot naar Napels, waar Steyn hem bezoekt. Deze vertelt hem het geheim van de oude mensen. Zij denken dat niemand het geheim kent, behalve zijzelf en Adèle. Lot is bedroefd omdat Elly er niet is, maar zet zich erover heen door te werken. Hij wordt heel grijs aan zijn slapen.

Tijd

De gebeurtenissen die in de roman Van oude menschen beschreven worden, vinden plaats van september tot oktober 1904 (deel I) en van december 1904 tot april 1905 (deel II). Dat het verhaal begint in september, kunnen we afleiden uit Antons woorden na de begroeting van zijn moeder: 'Het is heel mooi weêr, voor September' (42). De maand waarin deel I eindigt, is al even duidelijk aangegeven: 'Het was Oktober' (119). Deel II begint in december, want die maand wordt door Anton Derksz terloops genoemd in verband met de komst van oom Daan, 'die lust had gehad in December uit Indië naar Holland te komen.' (145) Het einde van de roman valt in april: 'Het waren de zonnige dagen in het laatst van April' (249).
        De jaren 1904 en 1905 worden nergens expliciet genoemd, maar uit de mededeling dat Elly als Rode- Kruisverpleegster 'naar den oorlog' gegaan is (246), en wel naar Moekden, kunnen we afleiden, dat Elly de gewonden van de Japans-Russische oorlog verzorgt. Die oorlog duurde van februari 1904 tot september 1905.8

Personages

In Van oude menschen komt een groot aantal personages voor, waarvan Lot Pauws en Elly Takma de belangrijkste zijn. Behalve Lot zijn alle personages vrij statisch. Belangrijk voor de interpretatie van de roman is het feit dat nogal wat hoofdfiguren worden vergeleken met dieren. Drie van hen worden geassocieerd met vogels: Tante Stefanie (47, 49, 136, 140, 165, 171, 207), Takma (zijn stem maakt een vogelgeluid; 42) en oom Daan (papegaai; 149, 171, 207). Het vogelkarakter van Stefanie krijgt een extra accent doordat zij in haar woonkamer omringd is door gekooide vogels, die met haar meekwetteren (47-51, 135-137). Takma en Derksz worden vergeleken met 'bèesten, die om een wijfje vechten' (88), waarbij de oude Ottilie het wijfje is (88). Mama Ottilie kromt haar rug 'als van een kat, die zich ter verdediging opstelt.' (15) en is 'een nerveuze kat' (16). Zij leeft met Steyn als 'hond en kat' (123). Anton is een beest (46, 61, 212). De vrouwbeluste Theo Van der Staff, zoon van Therèse, is een sater en daarom deels een bok, en is bovendien 'elefantisch' in zijn gratie (108). De mens in het algemeen wordt door Lot vergeleken met een muilezel die zijn verleden meezeult (52). Al deze vergelijkingen benadrukken het instinctmatige, niet-rationele handelen van deze romanfiguren. Juist dat instinctmatige, impulsieve handelen, maakt hen tot gewillige slachtoffers van het noodlot, zoals we nog zullen zien.
        Behalve deze Noordelijke dieren is er in deze roman ook een Zuidelijk dier: de vogel fenix. Dit mythologische dier, dat uit zijn eigen as herrijst en daardoor symbool geworden is van onsterfelijkheid en wedergeboorte, wordt gentroduceerd op bladzijde 126 en wordt in de verdere tekst van deel I in verband gebracht met al het vreugdevolle dat het Zuiden te bieden heeft en dat gekenmerkt wordt door 'herleving' (131).
[Ottilie] -Maar de winter is hier weêr het leven, vernieuwd. Het leven vernieuwt zich iederen dag! Iedere dag, die komt, is nieuw leven...
[Lot] -Dus geen afsterving, maar altijd herleving? vroeg Lot met een glimlach.
[Ottilie] -Geen afsterving, altijd herleving!

Een paar bladzijden verder filosofeert Lot over het Noorden. Hij en Elly hebben 'Noordelijke weemoedszielen' en hij brengt het Noorden in verband met 'afsterven': 'Het leven vernieuwt zich daar niet... Daar sterft het af...' (132). Op de tegenstelling Noorden-Zuiden kom ik nog terug.

Van alle romanpersonages is Lot eigenlijk de enige die een duidelijke ontwikkeling doormaakt. Hij leert inzien, dat het huwelijk een verkeerde instelling is en dat Elly haar eigen levenslijn moet kunnen volgen:

Vader, zoo is ze nu eenmaal; zoo is de richting, de lijn van haar leven... We hebben ieder weêr een andere lijn... Trouwen, en twee lijnen willen doen samensmelten volgens wettelijke bepalingen, is eigenlijk toch onzin... Aldo en Ottilie hebben gelijk... (246)

De laatste zin slaat op het vrije huwelijk dat de Zuidelijke Aldo en de jonge Ottilie, Lots zuster, hebben. Het is opvallend dat deze Zuidelijke mensen totaal anders worden beschreven dan de Noordelijke romanpersonages. Zij worden geassocieerd met standbeelden en zijn dus levende kunst, levende schoonheid. Ottilies figuur heeft 'een statuesque volmaaktheid' (120), zoals Aldo 'een statuesk mooi mannelijf' heeft (128). Aldo doet Lot denken aan antieke beelden die hij in Italië gezien heeft:

aan den Hermes van het Vaticaan -neen, zoo intelligent was Aldo niet- ... aan den Antinous van het Kapitool, maar dan een mannelijker broeder... aan den Worstelaars van den Braccio Nuovo, maar niet zòo jong en forscher gebouwd...' (129)

Deze associatie met beelden uit de antieke oudheid maakt van Aldo en Ottilie jr. hedonistische karakters. Ook hun moraal - zij leven zoals zij dat willen, wars van burgerlijke, christelijke conventies - is van een totaal andere orde dan de Noordelijke.

Ruimte

Van oude menschen speelt zich voor het overgrote deel af in Haagse kamers, de kamers van Steyn en mama Ottilie, van tante Stefanie, van oom Anton en van de andere leden van de familie Derksz. Waarom in deze ruimten? Omdat daardoor het benauwende van de levensruimte van de personages benadrukt wordt, en hun isolement. De leden van deze Haagse familie leven in hun kamers even geïsoleerd als de vogeltjes van tante Stefanie in hun kooitjes en het is ook om die reden niet toevallig dat enkelen van hen (tante Stefanie, de oude Takma en oom Daan) met vogels vergeleken worden. Behalve om hun isolement, dat ook nog versterkt wordt doordat de familie in Den Haag gemeden wordt (12, 58, 116), lijken de Haagse romanfiguren om nog twee redenen op gekooide vogeltjes. De vogeltjes worden in hun kooitjes treurig oud 'tot dat ze [=tante Stefanie] op een goeden morgen hun stijve lijkjes vond.' (135) en zij komen in hun gekooide bestaan tot 'onnatuurlijk' seksueel gedrag:
[...] en met verkneuterende voldoening had zij eens opgelet in haar kooitje, dat twee mannetjes-sijsjes zich vergisten, en niet begrepen, waarom zij niet paren konden, tot dat zij, na vergeefsche liefde en weemoedig gepiep, heel stilletjes naast elkaâr op hun stokje waren gaan zitten en zoo hun kooivogeltjes-leven gesleten hadden, met treurige oogjes, trots klontjes suiker en blaadjes sla. (137)9

Nederlands-Indië komt in de roman vooral voor als de plaats waar de noodlottige gebeurtenis, de moord op Derksz, heeft plaatsgevonden. Zoals ook elders in het werk van Couperus10 hebben de Indische mensen een gepassioneerd zielenleven, heftiger dan de Europeaan. De moord wordt gepleegd met 'de kris, de mooie sierkris, een cadeau van den Regent, gisteren juist aangeboden...' (88). De toevoeging 'gisteren juist aangeboden' suggereert de hand van het noodlot, dat de Regent als instrument gebruikt heeft. Heeft de Regent geweten van Ottilies overspelige gedrag en heeft hij daarom Derksz, de vijandige Europeaan, de kris 'gisteren juist aangeboden'?
        Blok meent, dat het voor het verhaal niet wezenlijk is, dat het zich in Den Haag afspeelt.11 Daar ben ik het niet mee eens. Er was (en is) geen stad in Nederland zo nauw verbonden met Nederlands-Indië als Den Haag. Het is de enige stad in Nederland die nu als 'de weduwe van Indië' bezongen kan worden.12 De familie Derksz, met haar Indische tak, is een typisch Haagse familie. Het zou uitermate vreemd geweest zijn, als Couperus het verhaal in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Meppel of Nijmegen gesitueerd had, want dan zou hij nooit een natuurlijke band met Nederlands-Indië hebben kunnen leggen.

Dé grote geografische tegenstelling in het boek is Den Haag - Nice. Beide plaatsen zijn onderdeel van de in het boek genoemde ruimtetegenstelling Noorden-Zuiden, die met name door het bezoek van de Noordelijke Lot en Elly aan de Zuidelijke Aldo en Ottilie jr. voelbaar wordt. De Noordelijke mensen zijn conventiemensen; de Zuidelijke zijn los van conventies en hebben hun eigen moraal. Die tegenstelling wordt ondersteund door het weer: de Noordelijke herfst is koud, de luchten zijn grauw, men kan niet ademen. De natuur sterft af. Het Zuiden is in oktober warm, er is zon, er zijn vruchten, men kan er (her)ademen. De paradijselijke natuur herleeft er iedere dag, zelfs in de winter.
        Deze tegenstelling speelt vooral aan het einde van het eerste deel en van het tweede deel een belangrijke rol. Beide delen eindigen in het Zuiden. Maar hoe verschillend is het effect van het Zuiden op de Noordelijke weemoedszielen! Aan het eind van het eerste deel voelen Lot en Elly zich gelukkig in het brutale, erotische Zuiden13, maar de verteller voegt er direct onheilspellende woorden aan toe:

Zij [=Elly] drukte zijn hand; een glimlach om hare lippen. Zij ook, zoû dit levensoogenblik nooit vergeten, wat er ook verder zoû komen die verdere jaren: met hare Noordelijke weemoedsziel voelde zij het Zuiden en het geluk... en wat voorbij ging, zagen zij niet... (132)

De alwetende verteller kondigt hier, op het moment dat het geluk van Elly en Lot op het hoogste punt gekomen is, het verval ervan aan. Elly en Lot zien dat uiteraard niet, maar de verteller en de lezer wel. Voor Lot en Elly zal het paradijselijke Zuiden een mythe blijven. Dat blijkt uit het einde van het tweede deel. Waar zit Lot als hij inziet hoe het noodlot hem gefnuikt heeft? Juist, in het Zuidelijke Napels, in zijn geliefde Italië. Zonder Elly, van wie hij zoveel is gaan houden, brengt het Zuiden deze Noordelijke ziel totaal geen geluk, zelfs niet in april, in de lente. Het kan dan ook geen toeval zijn, dat het Zuiden op het toppunt van hun geluk vergeleken wordt met een mythologische vogel: de feniks (126). Als echte noorderling zal Lot altijd een muilezel blijven die zijn verleden achter zich aanzeult. Hij zal nooit uit de as van zijn verleden kunnen herrijzen.

Naast deze aardse ruimte speelt in het boek ook het hiernamaals een belangrijke rol. Over deze ruimte, als we dat zo mogen noemen, wordt in het boek gesproken vanuit christelijk standpunt: Tante Stefanie heeft 'een groote angst, die haar haar leven was bijgebleven: de angst, na haar dood, die toch naderde, in de verschrikking van de Hel te komen.' (47) en tante Therèse denkt zich het hiernamaals als katholiek gelovige (113). Maar ook vanuit Lots agnostische wereldbeschouwing wordt deze ruimte belicht, een visie die hem niet veel verder brengt dan Het Geheim (78) en de gedachte dat het leven niets dan een overgang is naar andere levens en andere meer geestelijke levens (118).
        Verder krijgen we natuurlijk met het dodenrijk te maken bij de 'hallucinaties' van oma Ottilie en Takma. Oma Ottilie ziet hem, dat wil zeggen: de schim van de vermoorde Derksz; Takma hoort hem (34-35 bijvoorbeeld). Of zij hem echt zien of horen, wordt in het midden gelaten. Als Takma zelf gestorven is, verschijnt hij aan oma Ottilie. Niemand heeft haar op de hoogte gebracht van zijn sterven, maar zij ziet hem toch: 'Zij sprak niet meer, maar zij ZAG. Langzaam rees zij op, starende, wijzende steeds; achteruit deinsde zij langzaam, heel langzaam...' (219) En een bladzijde verder: 'Zij had gezien, en... zij wist. Zij wist, dat hij Takma [...] dood was. Dat hij DOOD was.' (220; ook op blz. 234) De speelruimte van de romanfiguren is dus ook gevuld met de schimmen van de overledenen. De schim van de overleden Derksz en de met hem samenhangende 'dingen van vroeger' blijven het hele boek door nadrukkelijk aanwezig, aangeduid door woorden als spoken, sluiers, mist, slepen en ritselen.

Motieven

Blok ontwaart in Van oude menschen drie abstracte motieven: huwelijk, zinnelijkheid en noodlot, en het sluitmotief vergankelijkheid, het voorbijgaan der dingen. Dit sluitmotief is volgens hem het hoofdmotief: de tijd gaat voorbij, voor de een (te) langzaam, voor de ander (te) snel. Voor Harold Derksz gaat de tijd te langzaam, voor Lot te vlug, want het spook van de Ouderdom komt te snel dichterbij.14
        Het lijdt geen twijfel, dat deze motieven in Van oude menschen aanwezig zijn. Niemand zal dat ontkennen. Maar het lijdt evenmin twijfel, dat Blok maar een beperkt aantal motieven in zijn boek noemt, ja zelfs een te beperkt aantal om tot een afgeronde interpretatie van het boek te komen. Zo kan geen lezer er om heen, dat in deze roman een aantal godsdienstige overtuigingen een belangrijke rol spelen. Tante Stefanie is Calvinistisch, tante Therèse Rooms-Katholiek en Lot smeekt 'Dat, wat hij aannam als God: dat Licht, dat Geheim' om jong te mogen sterven (78). Een 'submotief' van dit godsdienstmotief is het 'hiernamaals' en de vraag of de oude mensen daar nog gestraft zullen worden of niet.
        Een ander belangrijk motief is 'kunst'. Lot, Elly en Ottilie jr. zijn alledrie kunstzinnig, maar voeren hun talent niet tot het uiterste. Lot rechtvaardigt zijn journalistieke, kortstondige kunst door badinerend te spreken over de grote Kunst, al heeft hij twee romans, twee werken van langere adem geschreven. Alle kunstenaars zijn volgens zijn kunstopvatting nu 'amuzeurs' (54). Elly heeft een novelle geschreven (25) en geboetseerd (25), maar heeft haar talent niet verder ontwikkeld, ondanks gebleken begaafdheid. Ottilie is zangkunstenares, maar treedt niet in opera's op, omdat zij zich niet lang in een rol kan inleven (122). Het onderwerp 'kunst' komt dus door het hele boek aan de orde en vormt zeker een abstract motief in de zin van Blok.
        Ten slotte en niet het minst: wie Van oude menschen grondig leest, kan niet anders dan tot de conclusie komen, dat het woord geheim vele malen genoemd wordt in geheel verschillende situaties. Nauw verbonden hiermee is het woord weten, dat op een zeer opvallende manier gebruikt wordt, namelijk als onovergankelijk werkwoord. Harold weet, Therèse weet, dat wil zeggen: zij zijn op de hoogte van het geheim van de oude mensen. Maar ook Lots zuster Ottilie weet. Dit laatste weten slaat echter op haar gevoelens jegens Aldo en betreft dus de zekerheid (of liever onzekerheid) van haar liefde jegens hem (124).

     Wie al deze motieven in ogenschouw neemt, komt voor een veel complexere Van oude menschen te staan dan de betrekkelijk eenvoudige roman die Blok in zijn dissertatie geanalyseerd heeft. Laten we alle belangrijke motieven eens nader bekijken.

Huwelijk en passie

Het eerste motief waarmee de lezer van Van oude menschen geconfronteerd wordt, is het huwelijksmotief. Vrijwel alle huwelijken in deze roman zijn slecht of zijn, in geval een van de partners is overleden, slecht geweest. Oma Ottilie is ongelukkig getrouwd geweest met een zekere De Laders en heeft haar tweede echtgenoot vermoord ten gunste van Takma. Mama Ottilie is driemaal getrouwd geweest en ook haar derde huwelijk, met Steyn, is zeer slecht. Steyn gaat uiteindelijk ook bij haar weg (228-229). De gepassioneerde tante Therèse (113) en de lijdende Harold (63) zijn ook al weinig gelukkig getrouwd geweest (76).
        Geleidelijk aan bemerkt de lezer dat 'huwelijk' en 'passie, zinnelijkheid' onderdeel vormen van een overkoepelend motief: de tegenstelling natuur-conventie. De heftige zinnelijke natuur bij het nageslacht van de oude mevrouw Derksz, van haar die 'een groote rol gespeeld [heeft]... vroeger... in het passioneele leven op Java (101), laat zich niet verzoenen met de sociale conventie die huwelijk heet. Het fatum van ongelukkige huwelijken (76) heeft dus een heel goed te beredeneren oorzaak: de Derkszen hebben een huwelijkoverschrijdende belangstelling voor sex in hun genen!
        Dat de oude Ottilie en Derksz de doorgevers van deze passie zijn, blijkt uit het feit dat tante Stefanie, telg van oma Ottilie en een zekere De Laders, haar eerste echtgenoot, niet met het passievirus besmet is. De kinderen uit oma Ottilies huwelijk met Derksz: Daan ('vieze historie in Indie', 176), Anton (cerebrale onanie, 139, kan niet van kleine meisjes afblijven, 136), Therèse (net zo gepassioneerd als haar moeder, 113) en mama Ottilie (drie huwelijken) hebben het wel geërfd. Over Harolds seksuele praktijken horen we minder, maar dat komt doordat deze geobsedeerd wordt door de moord waarvan hij als dertienjarige getuige was. Wel is zijn huwelijkskeuze een vergissing geweest (63, 76).

Opvallend is nu, dat de artistieke Lot, afstammeling toch van een zeer gepassioneerde moeder en een gezonde, levenslustige vader (248), geen seksuele aanvechtingen kent. Hij is passieloos, koestert voornamelijk een zielsliefde voor Elly: 'hij voelde zich zusterziel met de hare...' (130). Merkwaardig, want Van oude menschen houdt wat erfelijkheid betreft de beste naturalistische tradities in stand. Zo wordt van Lot gezegd, dat hij 'popperig' is (45), 'een kind soms', kwalificaties die ook op zijn moeder van toepassing zijn ('kinderlijk-poppig', 11, 122). Het luchtige heeft Lot van zijn vader (98). Elly en Lot lijken op elkaar (97) en Therèse is het evenbeeld van oma Ottilie (111). Kortom, Couperus heeft bij het schrijven van zijn roman de erfelijkheidswetten niet uit het oog verloren. Het passieloze van Lot vraagt dus om een verklaring.
        Veelvuldig wordt hij in de roman afgeschilderd als een verwijfde man. Steyn ziet hem zo: 'Lot was een beste jongen, een beetje week en vreemd en verwijfd [...]' (15). Elly vindt hem ook 'week' (25, 117) en ziet in hem een 'samenspel van tegenstrijdigheden': 'van ernst en kinderachtigheid, van gevoel en koudheid, van mannelijkheid en van zóo iets weekelijks, als zij nooit gezien had in een man.' (117) Lot zelf vindt zich 'zoo weinig mannelijk' en 'zoo ongelooflijk ijdel' (79) en, geconfronteerd met de mannelijkheid van zijn halfbroer Hugh, voelt hij zich 'een oud-wijf, een oud-wijf met slappe zenuwen'(232). Deze vrouwelijke weekheid wordt eerder door de verteller in verband ge- bracht met het artiest zijn van Lot:

[...] en in de vrouwelijkheid van zijn ziel was de filozofie van een artiest, die het àl aanziet om zich en in zich, zonder om wat ook op te bruischen in hevigheid en heftigheid. (221)

Maar zijn gebrek aan passie heeft evenzeer te maken met zijn opvoeding te midden van oude mensen, wier leven voorbijgaat. Die opvoeding heeft hem van kind af aan een drukkend besef van vergankelijkheid bijgebracht, van ouder en lelijker worden, schoonheid verliezen.

De overdaad was nièt voor hem, en den druk van de dingen, die gingen voorbij, had hij altijd gevoeld, en had hem altijd belemmerd beide zijn armen woèst om het leven te slaan... (130)

Dat besef kan in hem zo intens worden, dat een grote angst voor de naderende ouderdom zich van hem meester maakt.
        Wat voor Lot geldt, gaat in mindere mate ook op voor Elly. Zij heeft wel passie gevoeld voor een ander dan Lot (223), maar haar liefde voor Lot is 'zeer intellectueel, meer die van een begaafde vrouw, dan van een vrouw van louter hart en zinnen.' (223). Haar grote illusie is Lot tot een groot werk op te wekken. Zij wijdt zich in Florence 'ernstig en mannelijk volhardend aan hare studie' (222), maar als zij ziet dat Lot blijft volharden in klein werk, is haar stimuleringsdrang snel voorbij. Een kind? Kinderen? Zij ziet in, dat ook dat haar leven niet zou vullen. 'Zij voelde dat bijna mannelijk in zich: te streven zoo ver ze kon.' (223) De lezer voelt dat Elly's manie Lot op te wekken tot grote kunst spoedig vervangen zal worden door een andere.
        Dat hun huwelijk ten gronde gaat, wordt in de tekst verklaard door het feit dat Lot alleen nog maar essayistisch werk kan en wil maken en Elly's vergeefse poging hem op te wekken tot een werk van grote Kunst. Die tegenstelling wordt door Couperus extra accent gegeven door Lot een weke, vrouwelijke ziel toe te kennen en Elly's streven 'zoo ver ze kon' (223) als 'mannelijk' te omschrijven.
        De oorzaak van hun beider kortstondig met iets bezig kunnen zijn, is gelegen in erfelijke factoren ('Een familiezwakte, Ottilie. Hereditair, zei Lot.', 122) en in het milieu waarin zij zijn opgevoed. Het effect van die opvoeding zijn we het duidelijkst wanneer Lot, Elly en Ottilie, in Nice, terugkijken op hun jeugd. Zij zijn alledrie opgegroeid in een milieu dat gedomineerd werd door iets vaags, iets beklemmends, iets wat te maken had met de oude mensen. Ottilie verwoordt het aldus:

O, die huizen...Jullie huis, Elly, dat van grootpapa Takma, alles heel netjes door tante Adèle onderhouden, maar het was mij, of achter iedere deur iets stond te wachten... Het huis van grootmama en de figuur van grootmama, die daar zat bij het raam, te staren. Te wachten, te wachten ook... Waarop? Ik weet het niet. Maar het heeft mij zóo gedrukt. Ik verlangde naar lucht, naar blauwe lucht, naar vrijheid; ik moest mijn longen uitzetten.
-Ik heb dat ook zoo wel eens gevoeld, zei Lot zacht. (122-123)

Wat Ottilie heeft gedrukt, verduidelijkt zij een paar regels verder: 'een druk over mij, van dingen van vroeger... (123) een druk die Elly ook heeft gevoeld (116) en die zij ook aan Lot toedicht (116).15 Lot op zijn beurt ziet ook dat Elly te lang aan de druk van het verleden bloot heeft gestaan:

Ik ben gelukkig, zoo als ik het zijn kan... En Elly, zij moet ook gelukkig zijn... Zij herademt... Het is of er een druk over haar heen is gegaan, voorbij, en of zij herademt. Zij is te lang bij den ouden man geweest. Daar in huis druk het verleden. Bij grootmama drukt het verleden... Bij ons zelfs drukt het, om mama... Het leven vernieuwt zich daar niet... Daar sterft het af... daar gaat het voorbij en de weemoed drukt zelfs ons, jonge menschen. (132)

Kortom: het drukkende verleden in hun jeugd biedt een verklaring waarom zij alledrie alleen maar kort met iets bezig kunnen zijn. Daardoor kan Lot geen grote kunst meer voortbrengen, hoewel hij daartoe in principe wel het talent heeft. Hij heeft immers al twee romans geschreven! Elly kan om dezelfde milieu- en opvoedingsfactoren alleen van manie tot manie leven, en de jonge Ottilie kan wel Wagner zingen, maar haar handicap verhindert haar dat een hele avond te doen:

-Waarom heb je alleen op concerten gezongen, Ottilie? Voel je niets voor de opera... Je zingt toch Wagner?
-Ja, maar ik kan me niet langer incarneeren in een rol, dan enkele oogenblikken. Niet langer dan een scène duurt. Geen avond lang.
-Ja, dat begrijp ik, zei Lot.
-Ja, zei Elly levendig. Daarin ben je zeker een zuster van Lot. Hij ook, kan niet langer werken dan zijn artikel, dan zijn essai duurt.
-Een familiezwakte, Ottilie. Hereditair, zei Lot. (121-122)

Aan het eind van de roman, als Lot door Steyn op de hoogte is gebracht van de misdaad van de oude mensen, begrijpt Lot het beklemmende gevoel dat hij in zijn jeugd heeft gevoeld:

Steyn had hem zoo veel gezegd... zoó veel geopenbaard, dat hij niet wist... dat Lot, zonder Steyn, denkelijk nooit zoû hebben geweten... IETS, waaraan hij vreemd was, dat hèm vreemd was... maar dat hem toch allerlei, allerlei dingen deed aanvoelen en aanzweemen en begrijpen, plotseling, plotseling: gevoelens van kind af ondervonden, in het kleine huis op de Nassaulaan... het huis van grootmama... (251)

De lezer is van het begin af aan erop voorbereid dat het huwelijk van Elly en Lot een debacle zal worden: Lot vindt zichzelf geen man om te trouwen (8, 77), beschouwt trouwen als het 'zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw' (8) en de eerste vraag die hij zich stelt, is waarom hij Elly gevraagd heeft (8). Het antwoord op die vraag krijgt de lezer niet expliciet te horen, maar hij voelt het wel: er is een macht die ons stuurt. Mama Ottilie verwoordt het aldus: '-Waarom je Elly gevraagd hebt? Ik weet het niet... We doen altijd dingen, en weten niet waarom...' (9) een levensvisie die zij een paar bladzijden verder nog aanvult: 'Wist een mensch ooit iets... wist hij waarom hij iets deed... in zijn impulsie?' en 'Wat gaf het, te willen leven, als men toch werd geleefd door dingen sterker dan jezelve, en die sluimerden in je bloed?' (14) Van die impulsie maakt het noodlot gebruik.16

De Noordelijke, en dus ook Haagse huwelijksconventies krijgen vooral contouren door het contrast van het huwelijk van Lot en Elly enerzijds, en dat van het vrije, Zuidelijke huwelijk van Ottilie jr. en Aldo anderzijds. Voor veel leden van de vorige generatie is het huwelijk van Elly en Lot al 'niet zoals het behoort', om tante Stefanie te citeren, omdat zij niet voor de kerk getrouwd zijn en geen groots feest gegeven hebben. Zelfs Lots vader, in Brussel woonachtig, bepaald niet het type van een ouderwetse vader, vindt dat je in stadhuis en kerk moet trouwen, omdat men dat nu eenmaal vindt (103).
        Het vrije huwelijk van Ottilie en Aldo kan in Noordelijke ogen al helemaal niet. Juist daarom valt het op, met hoeveel sympathie Ottilie en Aldo beschreven worden, als Lot en Elly hen bezoeken. De Zuidelijke paradijstuin waarin Aldo en Ottilie de pasgetrouwden ontvangen, is als het Hof van Eden, waarin Ottilie en Aldo als statueske übermenschen17, vrij van conventies, een dionysisch vreugdeleven leiden18, compleet met een uitbundig bloeiende wijnrank. De keuze voor het vrije huwelijk lijkt dus de juiste keuze te zijn in de ogen van de verteller, dat wil zeggen: elkaar niet dwingen, vrij laten, ook als de liefde voorbij is. Ieder moet zijn levenslijn kunnen volgen. Tot dat inzicht komt Lot aan het eind van het boek, zij het met pijn in zijn hart (253, 254).

Kunst

'Kunst' is een belangrijk motief in Van oude menschen. Lot heeft twee romans geschreven, maar hij kan nu alleen nog maar kleiner werk maken. Zijn excuus is, dat alleen heel jonge mensen romans lezen en voor hen te schrijven voelt hij zich te oud. Elly wijst hem erop, dat hij zijn kunstwerken niet alleen voor een bepaald publiek schrijft, maar ook voor zichzelf. Dat laatste vindt Lot 'een steriel idee' (53). Kunst is voor hem amusement, en schilders, componisten en romanciers zijn amuseurs. Journalistiek, de vluchtige kunst, die 'het actueele leven' geeft, 'niet omwaasd en verdicht en verdramatizeerd voor gefingeerde personages', is nu voor hem de ware kunst (54). Tegen Elly uit Lot zich over dit onderwerp zekerder dan hij in feite is, want op bladzijde 74, schrijvend aan een essay over kunst, 'en dat kunst was amuzement en een kunstenaar een amuzeur', blijkt hij minder zeker van zijn zaak te zijn: 'Of hij het eens was met zichzelven, wist hij niet, maar dat kon hem niet schelen, en kwam er niet op aan.'19 Ondanks Elly's pogingen hem tot groter werk aan te sporen, blijft hij tot het einde van de roman zich alleen nog met journalistiek werk bezighouden.
        Lots metamorfose van romanschrijver tot journalist wordt in verband gebracht met diens vergankelijkheidsbesef: 'In onze efemere [=kortstondige] levens, is dàt, journalistiek, de efemere en ware kunst, want ik wil den vorm ervan bros maar zuiver... Ik zeg niet, dat ik al zoo ver ben, maar dat is nu MIJN ideaal van kunstenaar.' (54-55) Hierboven heb ik al laten zien, dat het feit dat Lot maar kort met een bepaald werk bezig kan zijn - een eigenschap die hij deelt met zijn zus Ottilie en zijn vrouw en nicht Elly -verklaard kan worden uit de drukkende sfeer in het huis van zijn grootmoeder, oma Ottilie.

Dat de schrijver van de roman Van oude menschen, Louis Couperus, de kunstopvattingen van Lot niet deelt, integendeel, blijkt uit het einde van de roman. De dan door Steyn in het familiegeheim ingewijde Lot overweegt daar even een roman te schrijven over de oude mensen en de moord in Indië, maar ziet daar vanaf omdat dat te romantisch zou zijn.20 De lezer van Van oude menschen heeft echter wel een kloeke roman over dat onderwerp in handen! De kunstenaar Couperus vond het dus blijkbaar helemaal niet te romantisch en heeft in ieder geval wel de scheppende kracht gevonden van dit gegeven een Kunstwerk te maken. Couperus verschilt dus in poëticale zaken van mening met zijn romanfiguur. Voor hem, Couperus, is een roman Kunst en het journalistieke werk zoals Lot dat maakt kunst met een kleine k. Hij verwerpt Lots visie op Kunst.
        Ook al verschilt Lot in dit opzicht van zijn schepper, dat neemt niet weg, dat hij aan het eind voor zijn journalistieke werk een onderwerp kiest, dat dicht in de buurt komt van de roman die Couperus geschreven heeft. Hij schrijft namelijk over de Medici's, dat wil zeggen over een Florentijnse familie die in allerlei opzichten frappante overeenkomsten vertoont met de Haagse familie Derksz. Mislukte huwelijken, huwelijken tussen neef en nicht, misdaden, liefde voor de kunst, al deze dingen zijn ook aan de Italiaanse familie niet voorbijgegaan.

Weten

De gehele roman door wordt het werkwoord weten vaak op een bijzondere wijze gebruikt, namelijk onovergankelijk. Dit weten heeft in de meeste gevallen te maken met het geheim van de oudjes. We komen dit opvallende gebruik van het werkwoord weten voor het eerst tegen als Harold, die getuige is geweest van de moord, een bezoek brengt aan zijn moeder: 'HIJ WIST' (87). Een halve bladzijde eerder worden ook de werkwoorden zien en horen onovergankelijk gebruikt: 'Hij [=Harold] wist; hij had gezien, gehoord. Hij was de eenige, die had gehoord, had gezien...' (87)
        Niet alleen Harold weet, maar ook dokter Roelofsz, tante Therèse en oom Daan weten. Roelofsz heeft in Indië de moord geheim gehouden en heeft daarvoor 'geèischt', dat wil zeggen het bed mogen delen met Ottilie (95). Therèse weet sinds dertig jaar, sinds haar moeder in een ijldroom het geheim verraden heeft (112). Daan weet sinds hij in Indië door de zoon van Ottilies baboe, Ma-Boeten, gechanteerd wordt (172-173). Adèle komt het geheim te weten doordat zij een brief leest die Takma vlak voor zijn overlijden verscheurd heeft. Zij vertelt het aan Steyn en deze vertelt het, aan het einde van de roman door aan Lot. Stefanie en Anton raden het geheim, maar zijn te egostisch om zich er verder mee te bemoeien. Een onafhankelijke bevestiging van hun vermoeden krijgen zij niet. De romanfiguren die weten, weten niet, dat anderen ook weten. Adèle, Steyn en Lot denken de enigen te zijn die weten, maar dat denken Harold en Daan, en Therèse ook. Het geheim van de oude mensen is natuurlijk het belangrijkste geheim in deze roman, maar het is zeker niet het enige geheim. Dat oom Anton een vieze man is die niet van kleine meisjes kan afblijven, dat is wel bekend, maar dat hij een erudiet man is en deze eruditie op wellustige wijze combineert met dromen over de antieke oudheid en Kabbalistische geschriften, dat is iedereen een geheim. '[...] men wist alleen, dat hij een middelmatig ambtenaar was geweest, dat hij las, dat hij rookte, en dat hij wel eens vuile dingen gedaan had. Verder was hij zijn eigen geheim, en dat hij raadde dikwijls naar eens anders geheim, noch zijn moeder, noch Takma, noch wie ook, zouden het ooit in hem hebben vermoed.' (140, zie ook 211)
        Evenzo heeft Lot aan het einde van de roman een eigen geheim: zijn weemoed, zijn eenzaamheid, zijn verdriet om het vertrek van Elly. Hij hoopt dat hij haar niet voor het laatst gezien heeft, maar dat zij bij hem zal terugkomen, net als zijn moeder, die nu haar geld opmaakt met Hugh, bij hem zal terugkomen, afgetobd en geruïneerd:
En hij zoû, met een sceptiesch lachje, een woordje van troostende blague vinden... en de dagen zouden zich slepen, de dingen zouden voorbijgaan... heel langzaam; heel langzaam voorbijgaan... nièt vol roode wroeging na haat, hartstocht en moord, als ze voorbij waren gegaan voor die twee héel oude menschen... maar vol knaging in zich, weemoed in zich en leed, o pijndoend leed in zich en dat hij noòit uitzeggen zoû, en dat ZIJN geheim zoû zijn... heel onschuldig, en zonder wat ook van misdaad en andere scharlaken dingen, maar zóo smartelijk, als een stille kanker... (254)

Heeft ieder zo in de roman een geheim, al of niet in verband met het geheim van de oude mensen, ook de wereld zelf is voor de mensen een geheim. Lots 'godsdienst' is daarop gebaseerd: 'Hij smeekte er om, Dat, wat hij aannam als God: dat Licht, dat Geheim21 -maar dat misschien niet zou luisteren van uit ondoorgrondelijke diepte van Macht- naar bede van hèm: enzovoort (78). Het woord 'Dat', met hoofdletter, wordt ook gebruikt voor het geheim van de oude mensen ('ook al WIST zij niet Dàt', 215).
        Het werkwoord 'weten' wordt op dezelfde onovergankelijke wijze gebruikt in verband met de liefde. Ottilie jr. heeft, voordat zij Aldo leerde kennen, tweemaal kunnen trouwen. Zij heeft dat niet gedaan, omdat zij niet wist (124). Ten aanzien van Aldo weet zij nu (hoewel zij toch in dit verband ook weer het woord 'misschien' gebruikt, 124), maar de superzuidelijke Aldo weet ten opzichte van haar nog niet (124). Elly en Lot gebruiken het woord 'weten' ook in deze betekenis, maar gebruiken daarbij wel een lijdend voorwerp (126).

De personages in Van oude menschen leven met andere woorden in een wereld waarin niets zeker is, waarin veel verborgen is, waarin men elkaars geheimen niet kent22, ja zelfs zichzelf niet kan doorzien (79). Tante Stefanie meent dat Calvijn het geweten heeft (47, 135), tante Therèse kiest voor het Rooms-Katholieke geloof (113), maar uit de enigszins karikaturale wijze waarop hun geloofsbeleving geschilderd wordt, blijkt wel, dat de verteller hun geloof niet serieus neemt. De enigen wier levensvisie een positieve bijval krijgt, zijn de heidense, Zuidelijke Ottilie en Aldo, die overigens beiden ook niet zeker 'weten'.
        Wat er na de dood gebeurt, blijft een geheim. De misdaad van de oude menschen doet dit niet-weten des te scherper uitkomen, door de discussies over wat er met de daders na de dood zal gebeuren. Of er gestraft of geboet gaat worden, niemand weet het.
        Het enige wat de romanpersonages zeker weten, is dat de dingen, snel of langzaam, voorbijgaan. Het leven is een wachtkamer; het wachten is op de dood. Op vele plaatsen in het boek wordt deze wereld voorgesteld als de plaats waar men de dood afwacht. Zo zitten Steyn en mama Ottilie in het begin van de roman in hun salon en de verteller maakt van deze salon een wachtkamer:

Een wachtkamer scheen die salon; een wachtkamer, waar, na vele dingen, die waren voorbijgegaan, twee menschen zaten te wachten... zaten te wachten... Waarop? Op het langzame einde, op den eindelijken dood... (17)

Hetzelfde beeld van twee op de dood wachtende mensen gebruikt de verteller op bladzijde 33, waar Takma en oma Ottilie bij elkaar zitten:

Nu zaten zij beiden, als wachtten zij iets, en toch tevreden, dat zij samen wachtten... Zeven-en-negentig was de oude mevrouw, en wàt zij afwachtte, wist zij, dat komen zoû vóor de honderd geslagen was... (33)

Enkele bladzijden verder nemen de romanpersonages dit beeld over:

[...] Wij zijn al gestraft. O, laten wij er niet meer over spreken, nóóit meer over spreken. Laten wij kalm, kalm afwachten, en de dingen, die nà ons komen, dulden, want wij kunnen er niet aan doen.
- Ja, laten wij kalm afwachten.
- Laten wij afwachten. Het zal gauw komen. Het zal gauw komen, voor jou en voor mij. (39)

Het beeld van de wachtende mensen komt de lezer in de gehele roman tegen (41, 42, 89, 92, 122-123, 213, 251). Dit motief is natuurlijk ten nauwste verbonden met de ontwetendheid van de romanfiguren ten aanzien van het hiernamaals. Hebben de oude mensen hier op aarde al genoeg boete gedaan of zullen zij hiernamaals nog gestraft worden (37-39)? Heeft tante Stefanie terecht op Calvijn gewed en zal zij door hem de hemel weten te bereiken (47, 135)? Heeft oom Anton gelijk en bestaat er zoiets als reïncarnatie (140)? Of heeft Lot het bij het rechte eind als hij meent dat dit stoffelijke leven slechts een overgang is naar een meer geestelijk leven na de dood (118). Niemand die het weet. Wat er na de dood is, is geheim.

We hebben nu gezien, dat Couperus het onovergankelijke werkwoord weten gebruikt in verband met het wereldraadsel, het geheim van de oude mensen en in verband met de liefde. In alle drie de gevallen weet men -hoe weifelend soms ook- of weet men niet. Waar komt dit bijzondere gebruik van het werkwoord weten vandaan en waarom heeft Couperus dit in deze roman zo gebruikt?
        De eerste vraag is niet zo moeilijk te beantwoorden. In tal van publicaties is aangetoond, dat dat Couperus bijzonder goed op de hoogte was van theosofische literatuur.23 Die theosofische stroming rond 1900 maakt deel uit van een eeuwenoude traditie die al in de klassieke oudheid aanwezig was en tot in onze tijd voortleeft in vrijmetselarij, antroposofie en in bijvoorbeeld het New Age-verschijnsel. Men moet zich niet vergissen in de ernst waarmee dergelijke 'kleine religies' rond 1900 bestudeerd werden. Talloze kunstenaars hebben zich daarin verdiept en niet zelden vindt men de weerslag van deze studie in hun werken terug. Dat geldt ook voor Couperus. In Extaze (1892) vinden we Emersons transcendentalisme en theosofische gedachten.24 Metamorfoze (1897) is voor een belangrijk deel gebouwd op filosofieën als van Plotinus en Emerson. De hoofdfiguur Hugo Aylva 'gelooft' uiteindelijk in de theosofie.25 In Psyche (1898) vinden we ideeën van Plato, Plotinus en gnosis.26 In De berg van licht (1905) verkondigt de magiër Hydaspes een gnosis à la Sâr Péladan, waarin het terugstreven naar de androgyne vorm van zijn centraal staat.27 Antiek toerisme (1911) is voor een belangrijk deel gebaseerd op het dertiende hoofdstuk van het Corpus Hermeticum.28
        In heel wat theosofische, gnostische of gelijkgestemde literatuur vinden we de bron van Couperus' bijzondere gebruik van het werkwoord weten. Slavenburg29 schrijft bijvoorbeeld:

Vooral in de eerste eeuwen van onze jaartelling waren er velen die in hun bewustzijn kennis hadden van de kosmische samenhang van oorsprong en ondergang, van leven en dood. Zij wisten nog het onderscheid tussen geest, ziel en stof. Zij wisten wie ze waren, waar ze vandaan kwamen en waar ze heen zouden gaan. Zij wisten hoe men tot verlossing kon komen. Zij wisten.

Deze weters, deze ingewijden, zijn dus wel volledig op de hoogte van het wereldraadsel. Zij staan daardoor in scherp contrast met de romanpersonages van Couperus, die juist in een wereld leven waarin men niet weet, in een wereld die onkenbaar is. En wie wel het geheim van de oude mensen weet, weet natuurlijk nog niets over vergeving of over verlossing, laat staan over het leven na de dood.
        In Van oude menschen worden nog meer woorden gebruikt die stammen uit gnostische hoek. In de eerste plaats Dat, het woord dat verwijst naar het onbekende Goddelijke.30 Couperus gebruikt dit woord in deze vorm -met hoofdletter- tweemaal. De eerste keer verwijst Lot ermee naar het Goddelijke: 'Jòng te sterven, jòng te sterven! Hij smeekte er om, Dat, wat hij aannam als God, dat Licht, dat Geheim -maar dat misschien niet zoû luisteren van uit ondoorgrondelijke diepte van Macht- naar bede van hèm [...]' (78), de tweede maal, in combinatie met een vorm van het werkwoord weten in kapitaal, als de nieuwsgierige Ina d'Herbourg een aantal zaken te weten is gekomen: 'Waarlijk, het was een middag vòl nieuws, vòl nieuws... ook al WIST zij niet Dàt, zij hoorde andere dingen [...]' (215). Dàt verwijst hier naar het geheim van de oude mensen, een geheim dat Ina ondanks al haar pogingen niet te weten komt.
        Een variant van Dat is het woord Iets, alweer met hoofdletter: 'Zij [=Ina d'Herbourg] wist nog altijd niets en er was zoo veel te weten. Er was te weten ten eerste het groote Iets; dat wat er zestig jaren geleden gebeurd was: grootmama moèst het weten, maar zij dorst bij grootmama het Iets niet aanroeren [...]' (205). Een paar bladzijden verder raadt oom Anton het geheim ('voelde hij àan den dood van zijn vader, zestig jaar geleden', 212), maar vertelt Ina niet wat hij vermoedt: 'En hij liet haar, ging langzaam de trap op, bedenkende, dat Harold en Daan wisten wat het verborgene Iets was, het Iets, dat mama en Takma jaren lang hadden verborgen tusschen hen in...' (213). En aan het einde van de roman verschijnt dit woord nogmaals, nu geheel in kapitaal, als Steyn het geheim aan Lot heeft geopenbaard (251).
        Een ander begrip uit de gnostische woordenschat is het Geheim, waarbij wij hierboven al even stilgestaan hebben. De gnosticus kent, als ingewijde, de Geheime Dingen. Couperus kende deze terminologie. Wanneer Bassianus in De berg van licht, een roman die Couperus in dezelfde tijd schreef als Van oude menschen, als veertienjarige knaap naar de toren van de magiër Hydaspes gaat om ingewijd te worden in de gnosis, dan zegt hij tegen zijn grootmoeder: 'en ik wil met hem in de sterren lezen en luisteren naar de Geheime Dingen' (BvL, 11). Wat Hydaspes hem meedeelt 'zijn heilige geheimen, en ik [= Hydaspes] deel je ze meê, omdat ik weet, dat je goddelijk bent.' (BvL, 17). De geheimen worden ook aangeduid als 'Onzienlijke Dingen' (BvL, 49, met kleine letters op 224) of als Goddelijke Dingen (BvL, 247).

In Van oude menschen zijn heel veel geheime dingen, maar van deze dingen is het Ding, de moord op Derksz, uiteraard het grootste geheim. Het woord betekent in deze roman uiteraard niet alleen maar 'het grote geheim', maar, krijgt door associatie met 'spoken' (62, 63, 67) ook de betekenis 'vreselijke gebeurtenis uit het verleden'. En omdat het in Harolds leven de gebeurtenis is die vanaf zijn jeugd zijn leven heeft beheerst, wordt het ook aangeduid als 'het eerste vreeselijke Ding' (63). Dit 'eerste vreeselijke Ding' domineert niet alleen zijn leven, maar, zonder dat zij 'weten', ook de andere familieleden.
        Opvallend is voorts de schrijfwijze van de woordgroepen de oude man en de oude vrouw, soms met hoofdletters en soms met kleine letters. In de regel worden alleen hoofdletters gebruikt als er een romanpersonage beschreven wordt in relatie tot het geheim van de oude mensen. Harold Derksz weet, en voor hem zijn Takma en oma Ottilie respectievelijk de Oude Man en de Oude Vrouw (bijvoorbeeld 157). Daan kent het geheim ook en dus wordt zijn moeder aangeduid als 'de Oude Vrouw' (172). Voordat Adèle het geheim van de oude mensen weet, wordt Takma aangeduid met 'de oude man' (met kleine letters; 186, 187), maar als zij uit de verscheurde brief het geheim kent, wordt hij aangeduid met 'de Oude Man' (vanaf 190) en oma Ottilie met 'de Oude Vrouw'. Voor de kindnaïeve, niet-wetende mama Ottilie blijven zij gewoon 'de oude man' en 'de oude vrouw' (218), ook als anderen het geheim al lang kennen.
        Van dit hoofdlettergebruik wordt soms afgeweken. Op bladzijde 187 bijvoorbeeld denkt tante Adèle aan Takma als aan 'de Oude Heer', met hoofdletters. Zij kent op dat moment het geheim van de oude mensen nog niet en tot aan het moment van ontdekken zal zij verder aan hem denken als aan 'de oude heer'. Waarom Couperus hier voor hoofdletters gekozen heeft, is niet helemaal duidelijk, maar mogelijk is dat om tante Adelès gevoel van ontzag voor de dode tot uitdrukking te brengen.
        Kleine letters ('de oude heer') worden ook gebruikt als Harold Derksz op de hoogte is gebracht van het overlijden van Takma. De verklaring hiervoor ligt voor de hand. Nu hij dood is, is wat Takma betreft het geheim van de oude mensen, 'het vreeslijke Ding', voorbij. Harold 'herademt' (182). Zijn verlangen ('O, hoe had hij niet uitgezien naar den dood van den ouden man!', 182) is vervuld. Op bladzijde 184 duidt hij ook zijn moeder met kleine letters aan ('de oude vrouw'), maar hier gebeurt dat omdat de gedachte aan de vreselijke gebeurtenis uit zijn jeugd niet aanwezig is.
        Door deze theosofische-gnostische terminologie en schrijfwijze te kiezen plaatst Couperus het verhaal in een religieus perspectief. Er is een onkenbaar Geheim (78) boven de mensen, maar daarover komt men niets te weten. Calvijn en Rome worden door tante Stefanie en tante Therèse ten tonele gevoerd, maar op zo'n ironische manier, dat de lezer wel voelt, dat de godsdienstige leerstellingen die deze beide christelijke familieleden aanhangen, niet serieus genomen moeten worden. Door dat zo te doen, onderstreept Couperus alleen maar het 'niet-weten' van de mensheid in zijn roman.

Noodlot

Waarom zijn de Noordelijke mensen in Van oude menschen zo tragisch? Omdat zij niets kúnnen doen. Boven hen heerst het almachtige Geheim, dat de mens in zijn greep houdt. Het noodlot in Van oude menschen is dus zeker een metafysisch noodlot. Het maakt gebruik van passie en andere 'dierlijke' driften in de mens, en van daarmee conflicterende sociale conventies (het huwelijk) om hem te doen lijden, zoals de oude mensen. Wie geen passie kent, maar wel getrouwd is, zoals Lot en Elly, treft het noodlot ook, en wel doordat zij door hun karakter (slechts kort met iets bezig kunnen zijn) botsen. De enige romanfiguren op wier relatie het noodlot geen greep lijkt te hebben, zijn de jonge Ottilie en Aldo, maar die zijn dan ook niet getrouwd. Aan hun vrije huwelijk kan een einde komen, maar dat lijken deze Zuidelijke geliefden ingecalculeerd te hebben. Zij genieten zolang er van liefde sprake is; als de liefde voorbij is, dan behouden zij hun herinnering aan hun geluk (125). Oud worden, de grote angst van Lot, is voor Ottilie geen reden tot vrees (125).
        Het Geheim heeft, gebruikmakend van de passie van Ottilie Derksz en Takma, een tweede geheim geëmaneerd: het geheim van de moord op Ottilies man, Derksz. Zo boven, zo beneden, zou de gnosticus zeggen. Dit geheim domineert als een verlengstuk van het Geheim, van het noodlot, de hele familie. Zij die weten, lijden het meest. Zij die niet weten of niet willen weten, zoals Anton en Stefanie, lijden niet, althans niet onder het weten van het geheim. Het weten schenkt dus, in tegenstelling tot het gnostisch weten, geen enkele verlossing. Integendeel.
        Laten we de werking van het noodlot in deze roman eens nader bekijken. Gemeten vanaf het moment dat het verhaal verteld wordt, heeft zestig jaar geleden het noodlot toegeslagen: gebruikmakend van de passionele aard van de toen nog jonge (oma) Ottilie Derksz en Takma heeft het toen in Indië Ottilies man doen vermoorden. Het wapen dat daarvoor gebruikt is, is een kris die de Regent juist een dag eerder aan Derksz aangeboden heeft. Het staat er niet, maar het wordt wel gesuggereerd door de woorden 'gisteren juist aangeboden heeft' (88, ook 67): het noodlot heeft hier de hand in gehad. De nacht waarin de moord gepleegd is, wordt aangeduid als de 'noodlotnacht' (161). In deze nacht is 'het vreeslijke Ding', het geheim van de oude mensen 'gebaard en geboren' (63).
        Harold heeft dit gezien. Hij is de eerste van de familie die 'weet' en wiens leven door dat weten beheerst wordt. Dr. Roelofsz maakt zichzelf tot het volgende slachtoffer: door van Ottilie lichamelijke liefde te eisen wordt hij medeplichtige. Mama Ottilie, dochter van Ottilie Derksz en Takma, in wie haar en zijn driften zich opgestapeld hebben, komt daardoor als vanzelf in de klauwen van het Noodlot: drie mislukte huwelijken zijn haar deel. Tante Therèses leven wordt door de moord beheerst sinds zij, dertig jaar geleden, haar moeder heeft horen ijlen. Oom Daan wordt zestig jaar na de moord slachtoffer van afpersingspraktijken in Indië.
        Het noodlot treft ook de derde generatie, in het bijzonder Lot en Elly. Niet zelden wordt de werking van het noodlot aangeduid als 'impulsie'. Lot heeft, om hem onduidelijke redenen, Elly ten huwelijk gevraagd. Mama Ottilie brengt dit in verband met 'impulsie': 'Wist een mensch ooit iets... wist hij waarom hij ooit iets deed... in zijn impulsie?' (14). Het noodlot geeft ook andere romanfiguren impulsies. De eenvoudige, degelijke tante Adèle, die de gestorven Takma heeft gevonden, wordt door 'een onweêrhoudbare impulsie' gedrongen de brief te lezen die hij als laatste verscheurd heeft (188): 'Het was nauwlijks nieuwsgierigheid: het was een drang van buiten, een impulsie buiten haar om, een geweld haar aangedaan, tegen hare overtuiging van eerlijkheid in.' (188) Ook het feit dat oma Ottilie het geheim van de moord en de hartstocht die daarvan de oorzaak was toevertrouwd heeft aan het papier, wordt verklaard uit een 'drang van buiten, een impulsie onweêrstaanbaar, een mystiek geweld der schrijfster aangedaan om te zeggen, dat, wat zij logischer-wijze, haar levenlang zoû hebben moeten verzwijgen [...]' (190). Ook tante Therèse heeft 'een drang, een impulsie' in het gebed ontvangen om naar Den Haag te gaan (206).
        Met name de impulsie die tante Adèle heeft gevoeld, heeft grote gevolgen. Zij vertelt het geheim immers aan Steyn en die deelt het uiteindelijk aan Lot mee. Deze begrijpt daardoor waarom hij zich in het huis van zijn grootmoeder zo benauwd voelde. Lot, vertegenwoordiger van de derde generatie, is, een van de grootste slachtoffers van het noodlot. Zijn Angst voor de Ouderdom is te verklaren uit zijn leven te midden van de drukkende sfeer bij de oude mensen. Hij heeft in een impulsie een vrouw getrouwd die net als hij maar kort met iets bezig kan zijn. Dat een huwelijk van twee mensen met een dergelijke erfelijke belasting kortstondig moet zijn, laat zich raden. Bovendien kan hij nooit een groot kunstenaar worden, een kunstenaar die een roman -een veel tijd vragend werk- schrijft. Dat de schrijver van Van oude menschen dat wél als grote kunst ziet, blijkt uit het boek dat de lezer in handen heeft. Zo komt precies uit wat oma Ottilie voorvoelt: '-Zij erven ons verleden. Zij erven dien Angst... Zij erven onze zonde. Zij erven de straf voor wat wij gedaan hebben.' (39)

Conclusie

Van oude menschen is, daar zal iedere lezer het over eens zijn, een buitengewoon tragische roman. De Noordelijke mensen moeten lijden. Het verleden, ook dat van hun voorouders, zeulen zij achter zich aan. Takma, Oma Ottilie en Roelofsz gaan dood, het Ding gaat voorbij, maar de herinnering aan en de nawerking van het verleden blijven, voor alle 'wetende' achterblijvers. De dingen, de gebeurtenissen, gaan voorbij, maar het verdriet erom blijft. De liefde tussen Lot en Elly gaat voorbij, maar de smart blijft, met name voor de Noordelijke weemoedsziel bij uitstek, Lot Pauws. Zo bezien krijgt de tweede helft van de titel, de dingen, die voorbij gaan... een wrange betekenis: de dingen gaan voorbij, maar het pijnlijke verleden blijft. De drie puntjes drukken, heel subtiel, de onzekerheid uit over het voorbijgaan der dingen. In de tijd gaan ze voorbij, uiteraard, maar in het leven van de nabestaanden blijven ze. Onverbiddelijk.
        Toch biedt deze roman de lezer ook een heel opwekkend perspectief: het paradijs, aan het eind van het eerste deel voorgesteld als een tuin in Nice, waarin het leven niet afsterft, maar steeds weer opbloeit, dat paradijs is voor mensen in principe niet onbereikbaar. De jonge Ottilie en Aldo hebben het weten te bereiken.
        Wat zijn de voorwaarden om het binnen te gaan? In de eerste plaats moet men aanvaarden dat de wereld en de mensen niet te kennen zijn, niet te 'weten'. Godsdienstige systemen pretenderen het te weten (Calvijn, de Roomse kerk), maar zij weten niets. Er is alleen maar een Geheim. In de tweede plaats moet men trachten het verleden los te laten. De hedonistische Ottilie is daarin veel verder gekomen dan Lot. Zij heeft radicaal met 'Den Haag' gebroken, is naar het Zuiden gegaan en heeft daar met haar Aldo een vrij huwelijk, dat wil zeggen een relatie waarin zij elkaar niet dwingen de levenslijn van de ander te volgen. Individuele vrijheid is de derde voorwaarde om het paradijs te bereiken. Het 'voor altijd weten' is er in zo'n relatie niet bij (en het stadhuis al helemaal niet).
        De 'Noordelijke weemoedszielen' kunnen dit paradijs wel voelen, maar nooit bereiken. Lot ziet zeker wel, dat hij omringd is door geheimen -hij is niet voor niets een scepticus (26, 77, 117, 221, 250, 251)- maar hij kan niet loskomen van het verleden, kan niet breken met 'Den Haag' en dus ook niet met Elly, van wie hij zielsveel is gaan houden. Hij dwingt zich ertoe er in te berusten, dat zij haar eigen levenslijn wil volgen, maar daar slaagt hij in feite niet in. Leed is zijn deel. Hij blijft een muilezel die iedere dag een groter verleden met zich meesleurt. Hij voelt het Zuiden, hij voelt de jeugd en de dronkenschap (127), maar het leven dionysisch omarmen, zoals Ottilie en Aldo doen, dat kan hij niet (129-130).
        Omdat hij niet loskomt van het verleden, loskomt van het milieu dat hem gevormd heeft, zal hij ook nooit een groot Kunstenaar kunnen worden, iets waartoe hij wel het talent heeft. Hij heeft immers twee romans geschreven, twee werken van lange adem. Zelfs als hij aan het eind van de roman op de hoogte is van het geheim van de oude mensen en begrijpt hoe zijn Angst voor de Ouderdom in de drukkende sfeer thuis ontstaan is, schrijft hij liever vluchtige schetsen over de Medici's dan een roman, een Kunstwerk, over de oude mensen en hun geheim.
        Lot is ontegenzeggelijk het grootste slachtoffer van het verleden: hij wordt in eenzaamheid grijs, nota bene in het Zuiden, in Napels. Daar wordt zijn werkkamer nu een wachtkamer. De vogel feniks is in geen velden of wegen te bekennen. Het paradijs is verder weg dan ooit.

© 1998 Maarten Klein

Noten

  1. Dank aan Harry Bekkering, die een eerdere versie van deze studie van uitgebreid commentaar voorzien heeft.
  2. Blok (1960).
  3. Bijvoorbeeld in Klein & Ruijs (1981), Klein (1983b, 1994, 1995, 1997b), Fontijn (1983), Kralt (1994), Lukkenaer (1989).
  4. Klein (1995).
  5. Klein (1997b).
  6. Klein (te verschijnen).
  7. Onbevredigend blijft ook de analyse van M. Kemperink (1989), die net als Blok tal van tekstelementen onbesproken laat.
  8. Voor een zeer uitvoerige analyse van de kloktijd in Van oude menschen verwijs ik naar Blok (1960: 120-156).
  9. Het woord verkneuterende in de eerste regel van dit citaat is doet de lezer, in deze tekst over vogels, natuurlijk denken aan kneutjes, vogeltjes die vroeger ook in gevangenschap gehouden werden.
  10. Bijvoorbeeld in Metamorfoze (Couperus 1988b) en in De stille kracht (Couperus 1989a).
  11. Blok (1960: 205): `Als het gehele verhaal zich ergens anders zou hebben afgespeeld, zou dit geen verschil hebben gemaakt.'
  12. Door Wieteke van Dort. De tekst van het liedje is van Willem Wilmink, de muziek van Harry Bannink.
  13. Koch (1996) laat zien, hoe erotisch Lot de Zuidelijke natuur voorstelt. `Het is of de zee heel kalm wordt, en de wind rustig nu slaapt, aan haar blauwe borst.' (127) `Die dolle vrolijke wind hier, en die nu slaapt, als een reus, in den blauwen schoot van de zee, reuzin.' (127) Op dezelfde bladzijde zegt Ottilie, dat de Zuidelijke natuur de hele zomer onder de brand van de zon slaapt. `Dat is éen lange, lange liefdeslaap' aldus Lot (127).
  14. Blok (1960: 23-59).
  15. Lots gevoelens ten aanzien van het verleden worden door de auteur ook elders in de tekst vermeld, bijvoorbeeld op bladzijde 91: `Iederen keer, dat hij hier kwam, werd hij gevoeliger voor die sfeer, voor die atmosfeer van vroeger, die als iets meêgesleept had, dat ritselde...' De woorden slepen en ritselen zijn woorden die elders in de tekst `het Ding' begeleiden (op de bladzijde ervoor (90) en op vele andere plaatsen).
  16. We zien hier dus een punt van overeenkomst met het noodlot in de roman Noodlot, waarin ook impulsief handelen, instinctmatig handelen noodlottig handelen betekent. Zie Klein (1983a) voor een uitvoerige analyse van Couperus tweede roman.
  17. De vergelijking van de vrije geesten Ottilie en Aldo met standbeelden is verrassend, niet het minst omdat Ralph Waldo Emerson Couperus hierin is voorgegaan. De Amerikaan schrijft in zijn essay Art: `A great man is a new statue in every attitude and action.' (1980: 201) Ook Nietzsche associeert zijn übermenschen met standbeelden (Stack 1992: 332).
  18. Met opzet kies ik hier Nietzscheaanse terminologie. De schrijver van Dionyzos (1903) en Aan den weg der vreugde (1908) kende Nietzsches werk (Klein 1995). Ook de Duitse filosoof gebruikte de tegenstelling Noorden-Zuiden, en wel op een wijze die erg aan Couperus doet denken:

    Ich habe nicht Kraft genug für den Norden: dort herrschen die schwerfälligen und künstlichen Seelen, die so beständig und nothwendig an Massregeln der Vorsicht arbeiten als der Biber an seinem Bau. Unter ihnen habe ich meine ganze Jugend verlebt! das fiel über mich her, als ich zum 1. Male den abend über Neapel heraufkommen sah, mit seinem sammtnen Grau und Roth (des) Himmels -wie ein Schauder Mitleid mit mir, dass ich mein Leben damit anfieng, alt zu sein, und Thränen und das Gefühl, noch gerettet zu sein, im Letzten Augenblick. Ich habe Geist genug für den Süden. (Wuthenow 1994)

    De tegenstelling Noorden-Zuiden vindt men ook in Nietzsches beschouwingen over muziek: `Tegenover de duistere en in mist gehulde klanken van het hoge Noorden - Nietzsche had definitief met Duitsland gebroken -plaatst hij de heldere en klare klanken van het Zuiden.' Het Zuiden vertegenwoordigt voor hem het geluk: `Als ik een ander woord voor muziek zoek, dan vind ik nooit iets anders dan het woord Venetië. Ik kan geen onderscheid maken tussen tranen en muziek - ik kan niet denken aan het geluk, aan het Zuiden, zonder een huivering van eerbiedige vrees.' [...] Nietzsches tranen zijn in dit geval tranen van geluk. (De Bleeckere e.a. 1994: 26).

  19. Voor het motief weten - niet-weten zie de volgende paragraaf.
  20. Het plan een roman te schrijven over het intieme leven van de oude mensen had Lot al eerder, namelijk op bladzijde 53 en 55.
  21. De woordgroep Het Geheim, verwijzend naar de onkenbare Oorsprong van het leven, treffen we voor het eerst aan in God en goden (1903). Jahve, een van de scheppende goden, erkent uiteindelijk ook, dat zijn bestaan dubieus is en dat er alleen maar een onkenbaar Geheim is.
  22. Ook op andere plaatsen in zijn oeuvre geeft Couperus aan, dat de mensen vreemden zijn voor elkaar. In het feuilleton Messina in Van en over alles en iedereen (Couperus 1990), voor het eerst verschenen in Het Vaderland van 2 maart 1912, zegt hij onomwonden: `Nooit kent de een de ander! Steeds blijft men het onkenbare mysterie voor elkaâr. Mensch tegen over mensch is sfinx tegen over sfinx...!' (355) Op bladzijde 360 herhaalt hij deze visie op de mens: `En hoewel in mij de tragische bewustzijn weêr opdoemt, dat mensch zit over mensch als sfinx over sfinx, dat niemand iemand kent, dat iedereen zich telkens in iedereen vergist [...]'
  23. Zie de referenties in noot 2.
  24. Zie Klein (1983).
  25. Zie Klein (1995).
  26. Zie Klein (te verschijnen).
  27. Zie Klein (1997a).
  28. Klein (1997b).
  29. Slavenburg (1990).
  30. Dat of Het vinden we in min of meer dezelfde betekenis in nogal wat romans van Couperus, bijvoorbeeld in Extaze (1892), Psyche (1898), De stille kracht (1900) en De berg van licht (1905).

Bibliografie

  • Bleeckere, S. De, E. Oger, P. de Martelaere en P. van Tongeren (1994) Landschappen van Nietzsche. Kunst, wetenschap, leven en moraal. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans; Kampen: Kok Agora
  • Blok, W. (1960) Verhaal en lezer. Een onderzoek naar enige structuuraspecten van "Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan" van Louis Couperus. Groningen: J.B. Wolters
  • Couperus, Louis, (1987) Antiek toerisme. Volledige Werken Louis Couperus, deel 30. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis, (1988a) Metamorfoze. Volledige Werken Louis Couperus, deel 13. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis, (1988b) Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... Volledige Werken Louis Couperus, deel 25. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis, (1989a) De stille kracht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 17. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis, (1989b) God en goden. Volledige Werken Louis Couperus, deel 22. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis (1989c) Aan den weg der vreugde. Volledige Werken Louis Couperus, deel 26. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis (1989d) Van en over mijzelf en anderen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 27. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis (1990a) Extaze. Volledige Werken Louis Couperus, deel 5. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis (1990b) Van en over alles en iedereen. Volledige Werken Louis Couperus, deel 35. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers
    Couperus, Louis (1992) Psyche. Volledige Werken Louis Couperus, deel 14. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij L.J. Veen
    Couperus, Louis (1993) De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus 24. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij L.J. Veen
  • [Emerson, R.W.] (1980) Emersons Essays. Introduction by Sherman Paul. Everyman's Library. London, Melbourne and Toronto: J.M. Dent & Sons Ltd (Everyman's Library)
  • Fontijn, J. (1983) Leven in extase. Opstellen over mystiek en muziek, literatuur en decadentie. Amsterdam: Querido
  • Kemperink, M. (1989) 'Louis Couperus: Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan...' in Lexicon van literaire werken 4, 1-12; I
  • Klein, M. (1983a) 'Het noodlot als regisseur: over de interpretatie van Couperus' Noodlot, in Spiegel der Letteren 25, 198-221
    Klein, M. (1983b) 'Het verborgen leven van Cecile Van Even', in De revisor 10, 84-91
    Klein, M. (1994) ''Eene ziel, die zich verdeelde...?' Een nieuwe interpretatie van Couperus' Metamorfoze', in De nieuwe taalgids 87, 9-29
    Klein, M. (1995) 'Couperus, Emerson en Nietzsche. Een vergelijking van 'Extaze' met 'Aan den weg der vreugde', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1993-1994. Leiden: Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 64-79
    Klein, M. (1997a) Couperus in Nijmegen. Nijmegen: Vantilt
    Klein, M. (1997b) Couperus en het Corpus Hermeticum. Nijmegen: Tekstbureau Accent'
    Klein, M. (te verschijnen) 'Op weg naar Het: over het sprookje Psyche van Louis Couperus', in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde.
    Klein, M. & H. Ruijs (1981) Over Eline Vere van Louis Couperus. Amsterdam: De Arbeiderspers/Wetenschappelijke Uitgeverij (Synthese)
  • Koch, J.E. (1996) 'Het Zuiden in Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan', in Literatuur 13, 95-103
  • Kralt, P. (1994) 'Louis Couperus: Antiek toerisme, roman uit Oud-Egypte' in Lexicon van literaire werken 22, 1-12; I
  • Lukkenaer, W.J. (1989) De omrankte staf: Couperus' antieke werk: deel 1: van 'Dionysos t/m Herakles'. Diss. RU Leiden
  • Slavenburg, J. (1990) Gnosis. De esoterische traditie van het oude weten. Deventer: Ankh-Hermes
  • Stack, G.J. (1992) Nietzsche and Emerson. An elective affinity. Athens: Ohio University Press
  • Tricht, H.W. van (1965) Louis Couperus. Een verkenning. Den Haag: Bert Bakker/Daamen N.V.
  • Wuthenow, R-R. (1994) Nietzsche als Leser. Drie Essays. Hamburg: Europäische Verlagsanstalt


[Laatste bulletin]-[Agenda]-[Vacatures]-[Tijdschriften]-[Archief]-[Over Neder-L]