![]() |
Elektronisch tijdschrift
voor de neerlandistiek ISSN-0929-6514 Bulletin 9807.a, juli 1998 |
| 9807.01 |
|
9807.03 |
|
Art: 9807.02 (= http://www.neder-l.nl/bulletin/1998/07/980702.html) Date: Wed, 8 Jul 1998 15:43:32 +0100 (WETDST) 'Wist een mensch ooit iets...' Van oude menschen in nieuw licht1 Maarten Klein
InleidingNaast Eline Vere (1889), Noodlot (1890) en De boeken der kleine zielen (1901-1902) behoort Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... (1906) tot de meest gelezen romans van Louis Couperus. Dat is zeker niet altijd zo geweest. De eerste oplage van deze nu zo hogelijk gewaardeerde roman kon men, als vele andere boeken van hem, nog jaren na de dood van de auteur in de boekwinkel zien liggen. Pas in de jaren vijftig en zestig is de roman bij een groter publiek bekend geraakt, wat resulteerde in een televisiebewerking die de Avro in de winter van 1975-1976 heeft uitgezonden; een artistiek heel acceptabele bewerking, met de onvergetelijke Caro van Eyck als oma Ottilie, die op haar beurt weer heeft bijgedragen tot een nog grotere bekendheid van de roman.In 1960 promoveerde W. Blok op een proefschrift waarin hij Van oude menschen diepgaand analyseert.2 Deze dissertatie is in de neerlandistische wereld bijna even klassiek geworden als de roman die erin behandeld wordt zelf, niet alleen door de interpretatie die Blok van Couperus' meesterwerk geeft, maar ook door het feit dat hier voor het eerst een roman volgens voor die tijd geheel nieuwe methoden geanalyseerd werd. Ondanks het feit dat inmiddels vele, vele jaren voorbijgegaan zijn, is Bloks beschrijving van Van oude menschen eigenlijk nooit aan serieuze kritiek onderhevig geweest. Het komt mij voor, dat de tijd gekomen is opnieuw naar Van oude menschen te kijken. We weten nu veel meer over het gedachtegoed van de Haagse auteur dan Blok tijdens het schrijven van zijn dissertatie kon weten. In vele publicaties is Couperus' belangstelling voor theosofie en gnosis aan de orde gesteld, evenals zijn belangstelling voor het werk van de Amerikaanse filosoof-dichter Ralph Waldo Emerson, wiens Essays overigens in hoge mate de sfeer van theosofie en gnosis ademen.3 Vrij recent heb ik gewezen op invloed van Friedrich Nietzsches filosofie in Aan den weg der vreugde4, op Couperus' kennis van het Corpus Hermeticum5 en op de invloed van Plato's Phaedros en Plotinus' Enneaden op Psyche.6 Behalve voor het vrijwel altijd aanwezig zijnde noodlotsmotief heeft men veel meer oog gekregen voor de andere motieven in Couperus' werk, zoals wedergeboorte en evenwicht, harmonie. Alvorens op de vraag in te gaan wat deze nieuwe inzichten betekenen voor de interpretatie van Van oude menschen, zal ik eerst een beknopte samenvatting geven van de inhoud van deze roman. Vervolgens geef ik dan, aansluitend bij Bloks werk, een nieuwe analyse, waarbij ik zal laten zien dat met name het religie- en kunstmotief in Bloks beschrijving onbesproken blijven en dus ook onverklaard.7 Deze motieven blijken van groot belang te zijn voor een vollediger interpretatie van deze roman. Beknopte inhoud van Van oude menschenDeel ILot Pauws gaat trouwen met Elly Takma, maar waarom hij haar gevraagd heeft, is hemzelf onduidelijk. Zijn moeder, mama Ottilie, is, na twee ongelukkige huwelijken, getrouwd met Steyn. Ook dit derde huwelijk is een mislukking. De grootvader van Elly, de oude heer Takma, blijkt de vader te zijn van mama Ottilie, zodat Lot en Elly in feite neef en nicht zijn. Mama Ottilie, Lot en Elly weten dit echter niet, vermoeden hoogstens. Derksz, de tweede man van oma Ottilie is door Takma en haar vermoord. De beide oude mensen voelen hier wroeging over en vragen zich af of zij in de zestig jaar na de moord al genoeg gestraft zijn of dat zij ook in het hiernamaals nog moeten boeten.De oude mensen denken dat niemand van de moord op de hoogte is. Dit blijkt onjuist te zijn. Harold Derksz is als dertienjarige getuige geweest van de moord. Wat hij toen zag, wordt in het verhaal steeds aangeduid als 'het Ding'. Ook de katholiek geworden Therèse weet het geheim van de oude mensen. Zij heeft het gehoord toen haar moeder ziek was en lag te ijlen. Lot en Elly gaan op huwelijksreis naar Nice, waar zij Lots zuster Ottilie en de Italiaan Aldo ontmoeten, die een vrij huwelijk hebben. Zij worden voorgesteld als ware levenskunstenaars. Lot en Elly voelen zich herboren worden in het Zuiden en zijn heel gelukkig. Maar zal het altijd zo blijven? Deel IIDaan Derksz komt terug uit Indië. Hij wordt gechanteerd door de zoon van de baboe van Harold, vanwege de moord van de beide oude mensen. Ina d'Herbourg, dochter van Harold, doet haar best om achter het geheim te komen, maar dat lukt niet.Takma sterft en Adèle, zijn nicht die het huishouden doet, leest op zijn kamer een brief en ontdekt het geheim. De erfenis gaat naar Elly, zijn kleindochter, Adèle en mama Ottilie, die wel vermoedt, dat Takma haar vader was, maar dat niet zeker weet. Elly en Lot komen thuis, minder gelukkig dan in Nice. Elly heeft Lot er niet tot groter werk kunnen brengen, wat zij wel vurig gewenst had. Roelofsz, de oude arts die meegeholpen heeft het geheim te bewaren, sterft en vervolgens ook oma Ottilie. Lot ligt thuis ernstig ziek. Elly heeft hem verlaten; zij is als verpleegster naar Moekden gegaan. Zijn vader is bij hem. Deze is zeer verontwaardigd over Elly's handelwijze, maar Lot kalmeert hem. Ieder moet zijn eigen levenslijn kunnen volgen, vindt hij nu. Als hij is opgeknapt, gaat Lot naar Napels, waar Steyn hem bezoekt. Deze vertelt hem het geheim van de oude mensen. Zij denken dat niemand het geheim kent, behalve zijzelf en Adèle. Lot is bedroefd omdat Elly er niet is, maar zet zich erover heen door te werken. Hij wordt heel grijs aan zijn slapen. TijdDe gebeurtenissen die in de roman Van oude menschen beschreven worden, vinden plaats van september tot oktober 1904 (deel I) en van december 1904 tot april 1905 (deel II). Dat het verhaal begint in september, kunnen we afleiden uit Antons woorden na de begroeting van zijn moeder: 'Het is heel mooi weêr, voor September' (42). De maand waarin deel I eindigt, is al even duidelijk aangegeven: 'Het was Oktober' (119). Deel II begint in december, want die maand wordt door Anton Derksz terloops genoemd in verband met de komst van oom Daan, 'die lust had gehad in December uit Indië naar Holland te komen.' (145) Het einde van de roman valt in april: 'Het waren de zonnige dagen in het laatst van April' (249).De jaren 1904 en 1905 worden nergens expliciet genoemd, maar uit de mededeling dat Elly als Rode- Kruisverpleegster 'naar den oorlog' gegaan is (246), en wel naar Moekden, kunnen we afleiden, dat Elly de gewonden van de Japans-Russische oorlog verzorgt. Die oorlog duurde van februari 1904 tot september 1905.8 PersonagesIn Van oude menschen komt een groot aantal personages voor, waarvan Lot Pauws en Elly Takma de belangrijkste zijn. Behalve Lot zijn alle personages vrij statisch. Belangrijk voor de interpretatie van de roman is het feit dat nogal wat hoofdfiguren worden vergeleken met dieren. Drie van hen worden geassocieerd met vogels: Tante Stefanie (47, 49, 136, 140, 165, 171, 207), Takma (zijn stem maakt een vogelgeluid; 42) en oom Daan (papegaai; 149, 171, 207). Het vogelkarakter van Stefanie krijgt een extra accent doordat zij in haar woonkamer omringd is door gekooide vogels, die met haar meekwetteren (47-51, 135-137). Takma en Derksz worden vergeleken met 'bèesten, die om een wijfje vechten' (88), waarbij de oude Ottilie het wijfje is (88). Mama Ottilie kromt haar rug 'als van een kat, die zich ter verdediging opstelt.' (15) en is 'een nerveuze kat' (16). Zij leeft met Steyn als 'hond en kat' (123). Anton is een beest (46, 61, 212). De vrouwbeluste Theo Van der Staff, zoon van Therèse, is een sater en daarom deels een bok, en is bovendien 'elefantisch' in zijn gratie (108). De mens in het algemeen wordt door Lot vergeleken met een muilezel die zijn verleden meezeult (52). Al deze vergelijkingen benadrukken het instinctmatige, niet-rationele handelen van deze romanfiguren. Juist dat instinctmatige, impulsieve handelen, maakt hen tot gewillige slachtoffers van het noodlot, zoals we nog zullen zien.Behalve deze Noordelijke dieren is er in deze roman ook een Zuidelijk dier: de vogel fenix. Dit mythologische dier, dat uit zijn eigen as herrijst en daardoor symbool geworden is van onsterfelijkheid en wedergeboorte, wordt gentroduceerd op bladzijde 126 en wordt in de verdere tekst van deel I in verband gebracht met al het vreugdevolle dat het Zuiden te bieden heeft en dat gekenmerkt wordt door 'herleving' (131).
Een paar bladzijden verder filosofeert Lot over het Noorden. Hij en Elly hebben 'Noordelijke weemoedszielen' en hij brengt het Noorden in verband met 'afsterven': 'Het leven vernieuwt zich daar niet... Daar sterft het af...' (132). Op de tegenstelling Noorden-Zuiden kom ik nog terug. Van alle romanpersonages is Lot eigenlijk de enige die een duidelijke ontwikkeling doormaakt. Hij leert inzien, dat het huwelijk een verkeerde instelling is en dat Elly haar eigen levenslijn moet kunnen volgen:
De laatste zin slaat op het vrije huwelijk dat de Zuidelijke Aldo en de jonge Ottilie, Lots zuster, hebben. Het is opvallend dat deze Zuidelijke mensen totaal anders worden beschreven dan de Noordelijke romanpersonages. Zij worden geassocieerd met standbeelden en zijn dus levende kunst, levende schoonheid. Ottilies figuur heeft 'een statuesque volmaaktheid' (120), zoals Aldo 'een statuesk mooi mannelijf' heeft (128). Aldo doet Lot denken aan antieke beelden die hij in Italië gezien heeft:
Deze associatie met beelden uit de antieke oudheid maakt van Aldo en Ottilie jr. hedonistische karakters. Ook hun moraal - zij leven zoals zij dat willen, wars van burgerlijke, christelijke conventies - is van een totaal andere orde dan de Noordelijke. RuimteVan oude menschen speelt zich voor het overgrote deel af in Haagse kamers, de kamers van Steyn en mama Ottilie, van tante Stefanie, van oom Anton en van de andere leden van de familie Derksz. Waarom in deze ruimten? Omdat daardoor het benauwende van de levensruimte van de personages benadrukt wordt, en hun isolement. De leden van deze Haagse familie leven in hun kamers even geïsoleerd als de vogeltjes van tante Stefanie in hun kooitjes en het is ook om die reden niet toevallig dat enkelen van hen (tante Stefanie, de oude Takma en oom Daan) met vogels vergeleken worden. Behalve om hun isolement, dat ook nog versterkt wordt doordat de familie in Den Haag gemeden wordt (12, 58, 116), lijken de Haagse romanfiguren om nog twee redenen op gekooide vogeltjes. De vogeltjes worden in hun kooitjes treurig oud 'tot dat ze [=tante Stefanie] op een goeden morgen hun stijve lijkjes vond.' (135) en zij komen in hun gekooide bestaan tot 'onnatuurlijk' seksueel gedrag:
Nederlands-Indië komt in de roman vooral voor als de plaats waar de
noodlottige gebeurtenis, de moord op Derksz, heeft plaatsgevonden. Zoals
ook elders in het werk van Couperus10
hebben de Indische mensen een gepassioneerd zielenleven, heftiger dan de
Europeaan. De moord wordt gepleegd met 'de kris, de mooie sierkris, een
cadeau van den Regent, gisteren juist aangeboden...' (88). De toevoeging
'gisteren juist aangeboden' suggereert de hand van het noodlot, dat de
Regent als instrument gebruikt heeft. Heeft de Regent geweten van Ottilies
overspelige gedrag en heeft hij daarom Derksz, de vijandige Europeaan, de
kris 'gisteren juist aangeboden'?
Dé grote geografische tegenstelling in het boek is Den Haag - Nice.
Beide plaatsen zijn onderdeel van de in het boek genoemde
ruimtetegenstelling Noorden-Zuiden, die met name door het bezoek van de
Noordelijke Lot en Elly aan de Zuidelijke Aldo en Ottilie jr. voelbaar
wordt. De Noordelijke mensen zijn conventiemensen; de Zuidelijke zijn los
van conventies en hebben hun eigen moraal. Die tegenstelling wordt
ondersteund door het weer: de Noordelijke herfst is koud, de luchten zijn
grauw, men kan niet ademen. De natuur sterft af. Het Zuiden is in oktober
warm, er is zon, er zijn vruchten, men kan er (her)ademen. De
paradijselijke natuur herleeft er iedere dag, zelfs in de winter.
De alwetende verteller kondigt hier, op het moment dat het geluk van Elly en Lot op het hoogste punt gekomen is, het verval ervan aan. Elly en Lot zien dat uiteraard niet, maar de verteller en de lezer wel. Voor Lot en Elly zal het paradijselijke Zuiden een mythe blijven. Dat blijkt uit het einde van het tweede deel. Waar zit Lot als hij inziet hoe het noodlot hem gefnuikt heeft? Juist, in het Zuidelijke Napels, in zijn geliefde Italië. Zonder Elly, van wie hij zoveel is gaan houden, brengt het Zuiden deze Noordelijke ziel totaal geen geluk, zelfs niet in april, in de lente. Het kan dan ook geen toeval zijn, dat het Zuiden op het toppunt van hun geluk vergeleken wordt met een mythologische vogel: de feniks (126). Als echte noorderling zal Lot altijd een muilezel blijven die zijn verleden achter zich aanzeult. Hij zal nooit uit de as van zijn verleden kunnen herrijzen.
Naast deze aardse ruimte speelt in het boek ook het hiernamaals een
belangrijke rol. Over deze ruimte, als we dat zo mogen noemen, wordt in het
boek gesproken vanuit christelijk standpunt: Tante Stefanie heeft 'een
groote angst, die haar haar leven was bijgebleven: de angst, na haar dood,
die toch naderde, in de verschrikking van de Hel te komen.' (47) en tante
Therèse denkt zich het hiernamaals als katholiek gelovige (113).
Maar ook vanuit Lots agnostische wereldbeschouwing wordt deze ruimte
belicht, een visie die hem niet veel verder brengt dan Het Geheim (78) en
de gedachte dat het leven niets dan een overgang is naar andere levens en
andere meer geestelijke levens (118).
MotievenBlok ontwaart in Van oude menschen drie abstracte motieven: huwelijk, zinnelijkheid en noodlot, en het sluitmotief vergankelijkheid, het voorbijgaan der dingen. Dit sluitmotief is volgens hem het hoofdmotief: de tijd gaat voorbij, voor de een (te) langzaam, voor de ander (te) snel. Voor Harold Derksz gaat de tijd te langzaam, voor Lot te vlug, want het spook van de Ouderdom komt te snel dichterbij.14Het lijdt geen twijfel, dat deze motieven in Van oude menschen aanwezig zijn. Niemand zal dat ontkennen. Maar het lijdt evenmin twijfel, dat Blok maar een beperkt aantal motieven in zijn boek noemt, ja zelfs een te beperkt aantal om tot een afgeronde interpretatie van het boek te komen. Zo kan geen lezer er om heen, dat in deze roman een aantal godsdienstige overtuigingen een belangrijke rol spelen. Tante Stefanie is Calvinistisch, tante Therèse Rooms-Katholiek en Lot smeekt 'Dat, wat hij aannam als God: dat Licht, dat Geheim' om jong te mogen sterven (78). Een 'submotief' van dit godsdienstmotief is het 'hiernamaals' en de vraag of de oude mensen daar nog gestraft zullen worden of niet. Een ander belangrijk motief is 'kunst'. Lot, Elly en Ottilie jr. zijn alledrie kunstzinnig, maar voeren hun talent niet tot het uiterste. Lot rechtvaardigt zijn journalistieke, kortstondige kunst door badinerend te spreken over de grote Kunst, al heeft hij twee romans, twee werken van langere adem geschreven. Alle kunstenaars zijn volgens zijn kunstopvatting nu 'amuzeurs' (54). Elly heeft een novelle geschreven (25) en geboetseerd (25), maar heeft haar talent niet verder ontwikkeld, ondanks gebleken begaafdheid. Ottilie is zangkunstenares, maar treedt niet in opera's op, omdat zij zich niet lang in een rol kan inleven (122). Het onderwerp 'kunst' komt dus door het hele boek aan de orde en vormt zeker een abstract motief in de zin van Blok. Ten slotte en niet het minst: wie Van oude menschen grondig leest, kan niet anders dan tot de conclusie komen, dat het woord geheim vele malen genoemd wordt in geheel verschillende situaties. Nauw verbonden hiermee is het woord weten, dat op een zeer opvallende manier gebruikt wordt, namelijk als onovergankelijk werkwoord. Harold weet, Therèse weet, dat wil zeggen: zij zijn op de hoogte van het geheim van de oude mensen. Maar ook Lots zuster Ottilie weet. Dit laatste weten slaat echter op haar gevoelens jegens Aldo en betreft dus de zekerheid (of liever onzekerheid) van haar liefde jegens hem (124). Wie al deze motieven in ogenschouw neemt, komt voor een veel complexere Van oude menschen te staan dan de betrekkelijk eenvoudige roman die Blok in zijn dissertatie geanalyseerd heeft. Laten we alle belangrijke motieven eens nader bekijken. Huwelijk en passieHet eerste motief waarmee de lezer van Van oude menschen geconfronteerd wordt, is het huwelijksmotief. Vrijwel alle huwelijken in deze roman zijn slecht of zijn, in geval een van de partners is overleden, slecht geweest. Oma Ottilie is ongelukkig getrouwd geweest met een zekere De Laders en heeft haar tweede echtgenoot vermoord ten gunste van Takma. Mama Ottilie is driemaal getrouwd geweest en ook haar derde huwelijk, met Steyn, is zeer slecht. Steyn gaat uiteindelijk ook bij haar weg (228-229). De gepassioneerde tante Therèse (113) en de lijdende Harold (63) zijn ook al weinig gelukkig getrouwd geweest (76).Geleidelijk aan bemerkt de lezer dat 'huwelijk' en 'passie, zinnelijkheid' onderdeel vormen van een overkoepelend motief: de tegenstelling natuur-conventie. De heftige zinnelijke natuur bij het nageslacht van de oude mevrouw Derksz, van haar die 'een groote rol gespeeld [heeft]... vroeger... in het passioneele leven op Java (101), laat zich niet verzoenen met de sociale conventie die huwelijk heet. Het fatum van ongelukkige huwelijken (76) heeft dus een heel goed te beredeneren oorzaak: de Derkszen hebben een huwelijkoverschrijdende belangstelling voor sex in hun genen! Dat de oude Ottilie en Derksz de doorgevers van deze passie zijn, blijkt uit het feit dat tante Stefanie, telg van oma Ottilie en een zekere De Laders, haar eerste echtgenoot, niet met het passievirus besmet is. De kinderen uit oma Ottilies huwelijk met Derksz: Daan ('vieze historie in Indie', 176), Anton (cerebrale onanie, 139, kan niet van kleine meisjes afblijven, 136), Therèse (net zo gepassioneerd als haar moeder, 113) en mama Ottilie (drie huwelijken) hebben het wel geërfd. Over Harolds seksuele praktijken horen we minder, maar dat komt doordat deze geobsedeerd wordt door de moord waarvan hij als dertienjarige getuige was. Wel is zijn huwelijkskeuze een vergissing geweest (63, 76).
Opvallend is nu, dat de artistieke Lot, afstammeling toch van een zeer
gepassioneerde moeder en een gezonde, levenslustige vader (248), geen
seksuele aanvechtingen kent. Hij is passieloos, koestert voornamelijk een
zielsliefde voor Elly: 'hij voelde zich zusterziel met de hare...' (130).
Merkwaardig, want Van oude menschen houdt wat erfelijkheid betreft
de beste naturalistische tradities in stand. Zo wordt van Lot gezegd, dat
hij 'popperig' is (45), 'een kind soms', kwalificaties die ook op zijn
moeder van toepassing zijn ('kinderlijk-poppig', 11, 122). Het luchtige
heeft Lot van zijn vader (98). Elly en Lot lijken op elkaar (97) en
Therèse is het evenbeeld van oma Ottilie (111). Kortom, Couperus
heeft bij het schrijven van zijn roman de erfelijkheidswetten niet uit het
oog verloren. Het passieloze van Lot vraagt dus om een verklaring.
Maar zijn gebrek aan passie heeft evenzeer te maken met zijn opvoeding te midden van oude mensen, wier leven voorbijgaat. Die opvoeding heeft hem van kind af aan een drukkend besef van vergankelijkheid bijgebracht, van ouder en lelijker worden, schoonheid verliezen.
Dat besef kan in hem zo intens worden, dat een grote angst voor de
naderende ouderdom zich van hem meester maakt.
Wat Ottilie heeft gedrukt, verduidelijkt zij een paar regels verder: 'een druk over mij, van dingen van vroeger... (123) een druk die Elly ook heeft gevoeld (116) en die zij ook aan Lot toedicht (116).15 Lot op zijn beurt ziet ook dat Elly te lang aan de druk van het verleden bloot heeft gestaan:
Kortom: het drukkende verleden in hun jeugd biedt een verklaring waarom zij alledrie alleen maar kort met iets bezig kunnen zijn. Daardoor kan Lot geen grote kunst meer voortbrengen, hoewel hij daartoe in principe wel het talent heeft. Hij heeft immers al twee romans geschreven! Elly kan om dezelfde milieu- en opvoedingsfactoren alleen van manie tot manie leven, en de jonge Ottilie kan wel Wagner zingen, maar haar handicap verhindert haar dat een hele avond te doen:
Aan het eind van de roman, als Lot door Steyn op de hoogte is gebracht van de misdaad van de oude mensen, begrijpt Lot het beklemmende gevoel dat hij in zijn jeugd heeft gevoeld:
De lezer is van het begin af aan erop voorbereid dat het huwelijk van Elly en Lot een debacle zal worden: Lot vindt zichzelf geen man om te trouwen (8, 77), beschouwt trouwen als het 'zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw' (8) en de eerste vraag die hij zich stelt, is waarom hij Elly gevraagd heeft (8). Het antwoord op die vraag krijgt de lezer niet expliciet te horen, maar hij voelt het wel: er is een macht die ons stuurt. Mama Ottilie verwoordt het aldus: '-Waarom je Elly gevraagd hebt? Ik weet het niet... We doen altijd dingen, en weten niet waarom...' (9) een levensvisie die zij een paar bladzijden verder nog aanvult: 'Wist een mensch ooit iets... wist hij waarom hij iets deed... in zijn impulsie?' en 'Wat gaf het, te willen leven, als men toch werd geleefd door dingen sterker dan jezelve, en die sluimerden in je bloed?' (14) Van die impulsie maakt het noodlot gebruik.16
De Noordelijke, en dus ook Haagse huwelijksconventies krijgen vooral
contouren door het contrast van het huwelijk van Lot en Elly enerzijds, en
dat van het vrije, Zuidelijke huwelijk van Ottilie jr. en Aldo anderzijds.
Voor veel leden van de vorige generatie is het huwelijk van Elly en Lot al
'niet zoals het behoort', om tante Stefanie te citeren, omdat zij niet voor
de kerk getrouwd zijn en geen groots feest gegeven hebben. Zelfs Lots
vader, in Brussel woonachtig, bepaald niet het type van een ouderwetse
vader, vindt dat je in stadhuis en kerk moet trouwen, omdat men dat
nu eenmaal vindt (103).
Kunst'Kunst' is een belangrijk motief in Van oude menschen. Lot heeft twee romans geschreven, maar hij kan nu alleen nog maar kleiner werk maken. Zijn excuus is, dat alleen heel jonge mensen romans lezen en voor hen te schrijven voelt hij zich te oud. Elly wijst hem erop, dat hij zijn kunstwerken niet alleen voor een bepaald publiek schrijft, maar ook voor zichzelf. Dat laatste vindt Lot 'een steriel idee' (53). Kunst is voor hem amusement, en schilders, componisten en romanciers zijn amuseurs. Journalistiek, de vluchtige kunst, die 'het actueele leven' geeft, 'niet omwaasd en verdicht en verdramatizeerd voor gefingeerde personages', is nu voor hem de ware kunst (54). Tegen Elly uit Lot zich over dit onderwerp zekerder dan hij in feite is, want op bladzijde 74, schrijvend aan een essay over kunst, 'en dat kunst was amuzement en een kunstenaar een amuzeur', blijkt hij minder zeker van zijn zaak te zijn: 'Of hij het eens was met zichzelven, wist hij niet, maar dat kon hem niet schelen, en kwam er niet op aan.'19 Ondanks Elly's pogingen hem tot groter werk aan te sporen, blijft hij tot het einde van de roman zich alleen nog met journalistiek werk bezighouden.Lots metamorfose van romanschrijver tot journalist wordt in verband gebracht met diens vergankelijkheidsbesef: 'In onze efemere [=kortstondige] levens, is dàt, journalistiek, de efemere en ware kunst, want ik wil den vorm ervan bros maar zuiver... Ik zeg niet, dat ik al zoo ver ben, maar dat is nu MIJN ideaal van kunstenaar.' (54-55) Hierboven heb ik al laten zien, dat het feit dat Lot maar kort met een bepaald werk bezig kan zijn - een eigenschap die hij deelt met zijn zus Ottilie en zijn vrouw en nicht Elly -verklaard kan worden uit de drukkende sfeer in het huis van zijn grootmoeder, oma Ottilie.
Dat de schrijver van de roman Van oude menschen, Louis Couperus, de
kunstopvattingen van Lot niet deelt, integendeel, blijkt uit het
einde van de roman. De dan door Steyn in het familiegeheim ingewijde Lot
overweegt daar even een roman te schrijven over de oude mensen en de moord
in Indië, maar ziet daar vanaf omdat dat te romantisch zou zijn.20 De lezer van Van oude menschen heeft
echter wel een kloeke roman over dat onderwerp in handen! De kunstenaar
Couperus vond het dus blijkbaar helemaal niet te romantisch en heeft in
ieder geval wel de scheppende kracht gevonden van dit gegeven een Kunstwerk
te maken. Couperus verschilt dus in poëticale zaken van mening met
zijn romanfiguur. Voor hem, Couperus, is een roman Kunst en het
journalistieke werk zoals Lot dat maakt kunst met een kleine k. Hij
verwerpt Lots visie op Kunst.
WetenDe gehele roman door wordt het werkwoord weten vaak op een bijzondere wijze gebruikt, namelijk onovergankelijk. Dit weten heeft in de meeste gevallen te maken met het geheim van de oudjes. We komen dit opvallende gebruik van het werkwoord weten voor het eerst tegen als Harold, die getuige is geweest van de moord, een bezoek brengt aan zijn moeder: 'HIJ WIST' (87). Een halve bladzijde eerder worden ook de werkwoorden zien en horen onovergankelijk gebruikt: 'Hij [=Harold] wist; hij had gezien, gehoord. Hij was de eenige, die had gehoord, had gezien...' (87)Niet alleen Harold weet, maar ook dokter Roelofsz, tante Therèse en oom Daan weten. Roelofsz heeft in Indië de moord geheim gehouden en heeft daarvoor 'geèischt', dat wil zeggen het bed mogen delen met Ottilie (95). Therèse weet sinds dertig jaar, sinds haar moeder in een ijldroom het geheim verraden heeft (112). Daan weet sinds hij in Indië door de zoon van Ottilies baboe, Ma-Boeten, gechanteerd wordt (172-173). Adèle komt het geheim te weten doordat zij een brief leest die Takma vlak voor zijn overlijden verscheurd heeft. Zij vertelt het aan Steyn en deze vertelt het, aan het einde van de roman door aan Lot. Stefanie en Anton raden het geheim, maar zijn te egostisch om zich er verder mee te bemoeien. Een onafhankelijke bevestiging van hun vermoeden krijgen zij niet. De romanfiguren die weten, weten niet, dat anderen ook weten. Adèle, Steyn en Lot denken de enigen te zijn die weten, maar dat denken Harold en Daan, en Therèse ook. Het geheim van de oude mensen is natuurlijk het belangrijkste geheim in deze roman, maar het is zeker niet het enige geheim. Dat oom Anton een vieze man is die niet van kleine meisjes kan afblijven, dat is wel bekend, maar dat hij een erudiet man is en deze eruditie op wellustige wijze combineert met dromen over de antieke oudheid en Kabbalistische geschriften, dat is iedereen een geheim. '[...] men wist alleen, dat hij een middelmatig ambtenaar was geweest, dat hij las, dat hij rookte, en dat hij wel eens vuile dingen gedaan had. Verder was hij zijn eigen geheim, en dat hij raadde dikwijls naar eens anders geheim, noch zijn moeder, noch Takma, noch wie ook, zouden het ooit in hem hebben vermoed.' (140, zie ook 211) Evenzo heeft Lot aan het einde van de roman een eigen geheim: zijn weemoed, zijn eenzaamheid, zijn verdriet om het vertrek van Elly. Hij hoopt dat hij haar niet voor het laatst gezien heeft, maar dat zij bij hem zal terugkomen, net als zijn moeder, die nu haar geld opmaakt met Hugh, bij hem zal terugkomen, afgetobd en geruïneerd:
Heeft ieder zo in de roman een geheim, al of niet in verband met het geheim
van de oude mensen, ook de wereld zelf is voor de mensen een geheim. Lots
'godsdienst' is daarop gebaseerd: 'Hij smeekte er om, Dat, wat hij aannam
als God: dat Licht, dat Geheim21 -maar dat
misschien niet zou luisteren van uit ondoorgrondelijke diepte van Macht-
naar bede van hèm: enzovoort (78). Het woord 'Dat', met hoofdletter,
wordt ook gebruikt voor het geheim van de oude mensen ('ook al WIST zij
niet Dàt', 215).
De personages in Van oude menschen leven met andere woorden in een
wereld waarin niets zeker is, waarin veel verborgen is, waarin men elkaars
geheimen niet kent22, ja zelfs zichzelf
niet kan doorzien (79). Tante Stefanie meent dat Calvijn het geweten heeft
(47, 135), tante Therèse kiest voor het Rooms-Katholieke geloof
(113), maar uit de enigszins karikaturale wijze waarop hun geloofsbeleving
geschilderd wordt, blijkt wel, dat de verteller hun geloof niet serieus
neemt. De enigen wier levensvisie een positieve bijval krijgt, zijn de
heidense, Zuidelijke Ottilie en Aldo, die overigens beiden ook niet zeker
'weten'.
Hetzelfde beeld van twee op de dood wachtende mensen gebruikt de verteller op bladzijde 33, waar Takma en oma Ottilie bij elkaar zitten:
Enkele bladzijden verder nemen de romanpersonages dit beeld over:
Het beeld van de wachtende mensen komt de lezer in de gehele roman tegen (41, 42, 89, 92, 122-123, 213, 251). Dit motief is natuurlijk ten nauwste verbonden met de ontwetendheid van de romanfiguren ten aanzien van het hiernamaals. Hebben de oude mensen hier op aarde al genoeg boete gedaan of zullen zij hiernamaals nog gestraft worden (37-39)? Heeft tante Stefanie terecht op Calvijn gewed en zal zij door hem de hemel weten te bereiken (47, 135)? Heeft oom Anton gelijk en bestaat er zoiets als reïncarnatie (140)? Of heeft Lot het bij het rechte eind als hij meent dat dit stoffelijke leven slechts een overgang is naar een meer geestelijk leven na de dood (118). Niemand die het weet. Wat er na de dood is, is geheim.
We hebben nu gezien, dat Couperus het onovergankelijke werkwoord
weten gebruikt in verband met het wereldraadsel, het geheim van de
oude mensen en in verband met de liefde. In alle drie de gevallen weet men
-hoe weifelend soms ook- of weet men niet. Waar komt dit bijzondere gebruik
van het werkwoord weten vandaan en waarom heeft Couperus dit in deze
roman zo gebruikt?
Deze weters, deze ingewijden, zijn dus wel volledig op de hoogte van het
wereldraadsel. Zij staan daardoor in scherp contrast met de romanpersonages
van Couperus, die juist in een wereld leven waarin men niet weet, in een
wereld die onkenbaar is. En wie wel het geheim van de oude mensen weet,
weet natuurlijk nog niets over vergeving of over verlossing, laat staan
over het leven na de dood.
In Van oude menschen zijn heel veel geheime dingen, maar van deze
dingen is het Ding, de moord op Derksz, uiteraard het grootste
geheim. Het woord betekent in deze roman uiteraard niet alleen maar 'het
grote geheim', maar, krijgt door associatie met 'spoken' (62, 63, 67) ook
de betekenis 'vreselijke gebeurtenis uit het verleden'. En omdat het in
Harolds leven de gebeurtenis is die vanaf zijn jeugd zijn leven heeft
beheerst, wordt het ook aangeduid als 'het eerste vreeselijke Ding' (63).
Dit 'eerste vreeselijke Ding' domineert niet alleen zijn leven, maar,
zonder dat zij 'weten', ook de andere familieleden.
NoodlotWaarom zijn de Noordelijke mensen in Van oude menschen zo tragisch? Omdat zij niets kúnnen doen. Boven hen heerst het almachtige Geheim, dat de mens in zijn greep houdt. Het noodlot in Van oude menschen is dus zeker een metafysisch noodlot. Het maakt gebruik van passie en andere 'dierlijke' driften in de mens, en van daarmee conflicterende sociale conventies (het huwelijk) om hem te doen lijden, zoals de oude mensen. Wie geen passie kent, maar wel getrouwd is, zoals Lot en Elly, treft het noodlot ook, en wel doordat zij door hun karakter (slechts kort met iets bezig kunnen zijn) botsen. De enige romanfiguren op wier relatie het noodlot geen greep lijkt te hebben, zijn de jonge Ottilie en Aldo, maar die zijn dan ook niet getrouwd. Aan hun vrije huwelijk kan een einde komen, maar dat lijken deze Zuidelijke geliefden ingecalculeerd te hebben. Zij genieten zolang er van liefde sprake is; als de liefde voorbij is, dan behouden zij hun herinnering aan hun geluk (125). Oud worden, de grote angst van Lot, is voor Ottilie geen reden tot vrees (125).Het Geheim heeft, gebruikmakend van de passie van Ottilie Derksz en Takma, een tweede geheim geëmaneerd: het geheim van de moord op Ottilies man, Derksz. Zo boven, zo beneden, zou de gnosticus zeggen. Dit geheim domineert als een verlengstuk van het Geheim, van het noodlot, de hele familie. Zij die weten, lijden het meest. Zij die niet weten of niet willen weten, zoals Anton en Stefanie, lijden niet, althans niet onder het weten van het geheim. Het weten schenkt dus, in tegenstelling tot het gnostisch weten, geen enkele verlossing. Integendeel. Laten we de werking van het noodlot in deze roman eens nader bekijken. Gemeten vanaf het moment dat het verhaal verteld wordt, heeft zestig jaar geleden het noodlot toegeslagen: gebruikmakend van de passionele aard van de toen nog jonge (oma) Ottilie Derksz en Takma heeft het toen in Indië Ottilies man doen vermoorden. Het wapen dat daarvoor gebruikt is, is een kris die de Regent juist een dag eerder aan Derksz aangeboden heeft. Het staat er niet, maar het wordt wel gesuggereerd door de woorden 'gisteren juist aangeboden heeft' (88, ook 67): het noodlot heeft hier de hand in gehad. De nacht waarin de moord gepleegd is, wordt aangeduid als de 'noodlotnacht' (161). In deze nacht is 'het vreeslijke Ding', het geheim van de oude mensen 'gebaard en geboren' (63). Harold heeft dit gezien. Hij is de eerste van de familie die 'weet' en wiens leven door dat weten beheerst wordt. Dr. Roelofsz maakt zichzelf tot het volgende slachtoffer: door van Ottilie lichamelijke liefde te eisen wordt hij medeplichtige. Mama Ottilie, dochter van Ottilie Derksz en Takma, in wie haar en zijn driften zich opgestapeld hebben, komt daardoor als vanzelf in de klauwen van het Noodlot: drie mislukte huwelijken zijn haar deel. Tante Therèses leven wordt door de moord beheerst sinds zij, dertig jaar geleden, haar moeder heeft horen ijlen. Oom Daan wordt zestig jaar na de moord slachtoffer van afpersingspraktijken in Indië. Het noodlot treft ook de derde generatie, in het bijzonder Lot en Elly. Niet zelden wordt de werking van het noodlot aangeduid als 'impulsie'. Lot heeft, om hem onduidelijke redenen, Elly ten huwelijk gevraagd. Mama Ottilie brengt dit in verband met 'impulsie': 'Wist een mensch ooit iets... wist hij waarom hij ooit iets deed... in zijn impulsie?' (14). Het noodlot geeft ook andere romanfiguren impulsies. De eenvoudige, degelijke tante Adèle, die de gestorven Takma heeft gevonden, wordt door 'een onweêrhoudbare impulsie' gedrongen de brief te lezen die hij als laatste verscheurd heeft (188): 'Het was nauwlijks nieuwsgierigheid: het was een drang van buiten, een impulsie buiten haar om, een geweld haar aangedaan, tegen hare overtuiging van eerlijkheid in.' (188) Ook het feit dat oma Ottilie het geheim van de moord en de hartstocht die daarvan de oorzaak was toevertrouwd heeft aan het papier, wordt verklaard uit een 'drang van buiten, een impulsie onweêrstaanbaar, een mystiek geweld der schrijfster aangedaan om te zeggen, dat, wat zij logischer-wijze, haar levenlang zoû hebben moeten verzwijgen [...]' (190). Ook tante Therèse heeft 'een drang, een impulsie' in het gebed ontvangen om naar Den Haag te gaan (206). Met name de impulsie die tante Adèle heeft gevoeld, heeft grote gevolgen. Zij vertelt het geheim immers aan Steyn en die deelt het uiteindelijk aan Lot mee. Deze begrijpt daardoor waarom hij zich in het huis van zijn grootmoeder zo benauwd voelde. Lot, vertegenwoordiger van de derde generatie, is, een van de grootste slachtoffers van het noodlot. Zijn Angst voor de Ouderdom is te verklaren uit zijn leven te midden van de drukkende sfeer bij de oude mensen. Hij heeft in een impulsie een vrouw getrouwd die net als hij maar kort met iets bezig kan zijn. Dat een huwelijk van twee mensen met een dergelijke erfelijke belasting kortstondig moet zijn, laat zich raden. Bovendien kan hij nooit een groot kunstenaar worden, een kunstenaar die een roman -een veel tijd vragend werk- schrijft. Dat de schrijver van Van oude menschen dat wél als grote kunst ziet, blijkt uit het boek dat de lezer in handen heeft. Zo komt precies uit wat oma Ottilie voorvoelt: '-Zij erven ons verleden. Zij erven dien Angst... Zij erven onze zonde. Zij erven de straf voor wat wij gedaan hebben.' (39) ConclusieVan oude menschen is, daar zal iedere lezer het over eens zijn, een buitengewoon tragische roman. De Noordelijke mensen moeten lijden. Het verleden, ook dat van hun voorouders, zeulen zij achter zich aan. Takma, Oma Ottilie en Roelofsz gaan dood, het Ding gaat voorbij, maar de herinnering aan en de nawerking van het verleden blijven, voor alle 'wetende' achterblijvers. De dingen, de gebeurtenissen, gaan voorbij, maar het verdriet erom blijft. De liefde tussen Lot en Elly gaat voorbij, maar de smart blijft, met name voor de Noordelijke weemoedsziel bij uitstek, Lot Pauws. Zo bezien krijgt de tweede helft van de titel, de dingen, die voorbij gaan... een wrange betekenis: de dingen gaan voorbij, maar het pijnlijke verleden blijft. De drie puntjes drukken, heel subtiel, de onzekerheid uit over het voorbijgaan der dingen. In de tijd gaan ze voorbij, uiteraard, maar in het leven van de nabestaanden blijven ze. Onverbiddelijk.Toch biedt deze roman de lezer ook een heel opwekkend perspectief: het paradijs, aan het eind van het eerste deel voorgesteld als een tuin in Nice, waarin het leven niet afsterft, maar steeds weer opbloeit, dat paradijs is voor mensen in principe niet onbereikbaar. De jonge Ottilie en Aldo hebben het weten te bereiken. Wat zijn de voorwaarden om het binnen te gaan? In de eerste plaats moet men aanvaarden dat de wereld en de mensen niet te kennen zijn, niet te 'weten'. Godsdienstige systemen pretenderen het te weten (Calvijn, de Roomse kerk), maar zij weten niets. Er is alleen maar een Geheim. In de tweede plaats moet men trachten het verleden los te laten. De hedonistische Ottilie is daarin veel verder gekomen dan Lot. Zij heeft radicaal met 'Den Haag' gebroken, is naar het Zuiden gegaan en heeft daar met haar Aldo een vrij huwelijk, dat wil zeggen een relatie waarin zij elkaar niet dwingen de levenslijn van de ander te volgen. Individuele vrijheid is de derde voorwaarde om het paradijs te bereiken. Het 'voor altijd weten' is er in zo'n relatie niet bij (en het stadhuis al helemaal niet). De 'Noordelijke weemoedszielen' kunnen dit paradijs wel voelen, maar nooit bereiken. Lot ziet zeker wel, dat hij omringd is door geheimen -hij is niet voor niets een scepticus (26, 77, 117, 221, 250, 251)- maar hij kan niet loskomen van het verleden, kan niet breken met 'Den Haag' en dus ook niet met Elly, van wie hij zielsveel is gaan houden. Hij dwingt zich ertoe er in te berusten, dat zij haar eigen levenslijn wil volgen, maar daar slaagt hij in feite niet in. Leed is zijn deel. Hij blijft een muilezel die iedere dag een groter verleden met zich meesleurt. Hij voelt het Zuiden, hij voelt de jeugd en de dronkenschap (127), maar het leven dionysisch omarmen, zoals Ottilie en Aldo doen, dat kan hij niet (129-130). Omdat hij niet loskomt van het verleden, loskomt van het milieu dat hem gevormd heeft, zal hij ook nooit een groot Kunstenaar kunnen worden, iets waartoe hij wel het talent heeft. Hij heeft immers twee romans geschreven, twee werken van lange adem. Zelfs als hij aan het eind van de roman op de hoogte is van het geheim van de oude mensen en begrijpt hoe zijn Angst voor de Ouderdom in de drukkende sfeer thuis ontstaan is, schrijft hij liever vluchtige schetsen over de Medici's dan een roman, een Kunstwerk, over de oude mensen en hun geheim. Lot is ontegenzeggelijk het grootste slachtoffer van het verleden: hij wordt in eenzaamheid grijs, nota bene in het Zuiden, in Napels. Daar wordt zijn werkkamer nu een wachtkamer. De vogel feniks is in geen velden of wegen te bekennen. Het paradijs is verder weg dan ooit. © 1998 Maarten Klein
De tegenstelling Noorden-Zuiden vindt men ook in Nietzsches beschouwingen
over muziek: `Tegenover de duistere en in mist gehulde klanken van het hoge
Noorden - Nietzsche had definitief met Duitsland gebroken -plaatst hij de
heldere en klare klanken van het Zuiden.' Het Zuiden vertegenwoordigt voor
hem het geluk: `Als ik een ander woord voor muziek zoek, dan vind ik nooit
iets anders dan het woord Venetië. Ik kan geen onderscheid maken
tussen tranen en muziek - ik kan niet denken aan het geluk, aan het
Zuiden, zonder een huivering van eerbiedige vrees.' [...] Nietzsches
tranen zijn in dit geval tranen van geluk. (De Bleeckere e.a. 1994: 26).
|
[Laatste bulletin]-[Agenda]-[Vacatures]-[Tijdschriften]-[Archief]-[Over Neder-L]