| 9807.10 |
|
|
|
9807.a |
|
Rub: 9807.11
Date: Mon, 15 Jun 1998 08:44:43 -0400
Boekenrubriek, no. 12: Cornelis de Bruijn (2): kleurendrukDe aanleiding voor deze aflevering van de Boekenrubriek is een tentoonstelling in het Allard Pierson Museum, het Archeologisch Museum van de Universiteit van Amsterdam. Zo op het eerste gezicht heeft archeologie niet veel te maken met boekhistorie, maar in dit geval is er een duidelijk verband. De schilder Cornelis de Bruijn (1652-1726/7) trok namelijk in 1674 via Rome naar Turkije, Egypte en Syrië om daar allerlei oudheden te beschrijven en te tekenen. Aangezien het driehonderd jaar geleden is dat zijn reisverslag werd uitgegeven meende het APM een tentoonstelling aan hem te moeten wijden. Een zeer plezierige bijkomstigheid was de aankoop door de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek van een prachtige kleurendruk van de Franse editie uit 1700 van dit reisboek (zie hierover ook mijn Neder-L-artikel http://www.neder-l.nl/bulletin/1998/01/980108.html) die ook te zien is op de tentoonstelling. De Nederlandse editie van De Bruijns journaal, "Reizen van Cornelis de Bruyn, door de vermaardste deelen van Klein Asia, etc.", werd 'voor de auteur' gedrukt bij Hendrik Kroonevelt te Delft die ook de Franse editie, "Voyage au Levant" van 1700 verzorgde.Aan het eind van de 17e eeuw experimenteerde Johannes Teyler, hoogleraar in Nijmegen, met kleurendruk. Hij verkreeg een privilege van de Staten van Holland en West-Friesland voor zijn procédé om prenten in kleur af te drukken met één koperplaat en maar één drukgang. Hiervoor werd de koperplaat als het ware met de hand ingekleurd om daarna afgedrukt te worden. De lijnen bevatten dan de gewenste kleuren, maar eventuele vlakken en tussenkleuren moesten nog wel later met de hand worden aangebracht. Teyler heeft met deze methode enkele honderden losse prenten gemaakt. Alhoewel het niet helemaal te bewijzen valt, is het zeer waarschijnlijk dat De Bruijn en Teyler elkaar in de Levant hebben ontmoet. De Bruijn maakte van Teylers techniek gebruik om twee exemplaren, een Frans en een Nederlands, van zijn reisverslag in kleur te laten drukken. Zeer waarschijnlijk heeft hij deze twee exemplaren in eigen bezit gehouden om als reclamemateriaal te gebruiken bij de verkoop van de zwart/wit exemplaren. Zacharias Conrad van Uffenbach beschrijft in het verslag van zijn bezoek aan De Bruijn in 1711 dat deze hem twee exemplaren laat zien op groot papier "so er nach dem Leben auf seiner Reise gemacht, mit Farben drucken lassen." Hoewel andere reisjournalen ook met gekleurde illustraties te krijgen zijn (later met de hand ingekleurd), "es wäre aber mit diesem gar nicht zu vergleichen." Door de eeuwen heen is Von Uffenbachs opmerking over deze kleurendruk genegeerd of nam men zelfs aan dat hij zich vergiste, maar nu blijkt hij toch gelijk te hebben - De Bruijn had inderdaad twee kleurendrukexemplaren in zijn bezit. Het Franse exemplaar is nu dus in bezit van de Universiteitsbibliotheek en het Nederlandse exemplaar is vermoedelijk uit elkaar gehaald, aangezien er op een aantal plaatsen losse kleurenprenten te vinden zijn. Zo heeft het Scheepvaart Museum, Amsterdam een grote prent in kleurendruk hangen (nu even te zien in het Allard Pierson Museum) van het gezicht op Constantinopel. De Bruijn gaf zijn journaal in eigen beheer uit, wat een enorme investering moet zijn geweest. Het boek telt zo'n 400 pagina's en 200 prenten waarvan een groot aantal uitklapbaar is. Hij probeerde dan ook door middel van een handgeschreven prospectus kopers te interesseren voor zijn boek. Bij afname van zeven exemplaren betaalde men f.100,-, dus zo'n f.14,- per boek. In een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 21 oktober 1698 wordt het boek aan een breder publiek bekend gemaakt en op 4 december van dat jaar laat De Bruijn in een advertentie weten dat de bestelde boeken afgehaald kunnen worden op diverse adressen in het land. De lijst met intekenaars is voorin de editie van 1698 afgedrukt en daaruit blijkt dat er ongeveer 625 personen hebben ingetekend op totaal 1330 exemplaren. De kopers komen uit de hofkring van Willem III aan wie De Bruijn het boek had opgedragen, of zijn rijke kooplieden die zeer geïnteresseerd waren in verre landen, volkeren en oudheden. Zo had de Amsterdamse burgemeester Nicolaes Witsen, maar met hem vele anderen, een kabinet vol exotica. In zo'n kabinet hoorden ook de geïllustreerde reisjournalen thuis. Ook een flink aantal boekverkopers uit de grote steden tekenden op het boek in. Al heel snel verschijnt er een recensie in "Bibliotheca Librorum Novorum", een uitgave van de Utrechtse boekverkopers Willem van de Water en Francois Halma, met twee prenten uit het boek van De Bruijn. Ook andere geleerdentijdschriften bespreken het boek en zorgen zo voor nog meer reclame.
De Franse editie met bijna dezelfde illustraties - die van de
Bentveughels (het gezelschap van Nederlandse schilders in Rome) is
vervangen - gaf De Bruijn ook in eigen beheer uit. Helaas liep de
verkoop daarvan niet zo goed en was hij genoodzaakt om de resterende
exemplaren (172 op groot papier en 296 op kleiner formaat) in 1714 te
verkopen aan de gebroeders Rudolf en Gerard Wetstein die er prompt een
titelherdruk van uitgaven. De koperplaten had De Bruijn al voor die
tijd verkocht aan de Engelse uitgevers Jacob Tonson en Thomas Bennet
die in 1702 "A Voyage to the Levant" uitbrachten.
In 1714 was De Bruijn genoodzaakt zich te verdedigen tegen de aantijging dat zijn prenten niet voldoende nauwkeurig en niet wetenschappelijk waren. De Deventer burgemeester Gisbert Cuper had vragen gesteld bij de tekeningen van De Bruijn van Persepolis in zijn "Reizen over Moskovie, door Persie en Indie" (1711). Cuper nam aan dat die van Jean Chardin in zijn "Voyages" (1711) en die van Engelbert Kaempfer in zijn "Amoenitates" (1712) beter waren omdat zij geleerden waren in tegenstelling tot De Bruijn die 'slechts' schilder was. De Bruijn verdedigt zich in "Aanmerkingen over de Printverbeeldingen van de Overblyfzelen van het Oude Persepolis" (1714). In de loop der tijd is duidelijk geworden dat De Bruijn toch de betere tekeningen had gemaakt, niet alleen vanuit artistiek oogpunt, maar hij tekende ook nauwkeuriger de werkelijkheid na zonder deze te 'verfraaien'. Een eclatante verdraaiing van de werkelijkheid komt voor op een tekening van Cornelis Loos die in 1710 voor de Zweedse koning antieke ruïnes bezocht, en die een Christelijke basilica neerzette op zijn tekening van Palmyra (Tadmor in Syrië), vermoedelijk om zijn opdrachtgever een plezier te doen. Loos was zelfs niet eens in Palmyra geweest, maar had de tekening van De Bruijn als voorbeeld gebruikt. Ook De Bruijn was niet zelf in Palmyra geweest - roversbenden maakten de omgeving te gevaarlijk - maar hij baseerde zijn tekening op die van Hofstede van Essen die er wel was geweest in 1691. De Bruijn gaf echter ruiterlijk toe dat hij de beschrijving van Palmyra overnam van anderen omdat hij de lezer deze belangrijke oudheidkundige informatie niet wilde onthouden. Ook na 1714 verschenen er nog diverse uitgaven van De Bruijns reisjournalen, al dan niet in verkorte vorm. In het boekje bij de tentoonstelling is een bibliografie opgenomen van De Bruijns werk waarin ook de Engelse editie van 1702 is terug te vinden die nog ontbrak in Appendix II van "'Ik hadde de nieusgierighied': De reizen door het Nabije Oosten van Cornelis de Bruijn (ca. 1652-1727)" onder redactie van J.W. Drijvers, J. de Hond en H. Sancisi-Weerdenburg, Leiden/Leuven, 1997. Dit boek is deel 31 in de reeks Mededelingen en Verhandelingen van het Vooraziatich-Egyptisch Genootschap "Ex Oriente Lux" en geschreven door leden van het "De Bruijn Genootschap". Het biedt een overdaad aan informatie over De Bruijn, zijn reizen en zijn uitgaven. De tentoonstelling in het Allard Pierson Museum is nog te bezoeken tot en met 13 september 1998 (di-vrij 10-17 uur, za-zon 13-17 uur). Literatuur:
Met dank aan mevr. Jurriaans, conservator APM, voor de mondelinge informatie. Marja Smolenaars
|