|
Col: 9807.19
Date: Sat, 11 Jul 1998 23:12:18 +0200
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 9807.19: Column Willem Kuiper, no. 40: Tussen de Elve
ende de wat?
Column Willem Kuiper, no. 40: Tussen de Elve ende de wat?
Jacob van Maerlants Historie van Troyen is een kleine 28.000 versregels
onderweg als Paris - de Trojaanse koningszoon die Helena uit Sparta
ontvoerde en daarmee de moeder van alle oorlogen ontketende - de Griek
Ayax van Lotre c.q. Logre (Ajax de Locriër: de andere helft van de
door Jacob opgesplitste Kleine Ajax) in het vizier krijgt. Ayax vecht
ongewapend, dat wil zeggen blootshuids, zonder enige beschermende
kledij, en niet vanwege de juni-warmte. Jacob vindt dat - net als zijn
bron: Le Roman de Troyes van Benoit de Sainte-Maure - hoogst
onverstandig:
-
- Ayax van Logre was aldaer
-
- Onghewapent al apenbaer,
-
- Sonder mit speer ende mit scilde.
- 27.980
- Hy waer sot die hem aver vroet hilde,
-
- Dat hy so reet in sulcker noot.
-
- Rugghe ende borst had hy bloot.
-
- Het is wonder dat hy mach ghedueren!
Aan dat wonder komt dan ook een einde als Paris een pijl met giftige
punt op zijn boog zet en Ayax dwars door beide zijden schiet, welke
treffer Jacob - anders dan zijn bron, waarin Aiaux ondanks een
doorboorde ruggegraat nog een tijdje doorvecht - van het doodleuke
commentaar voorziet: "Ic waen, hy niet veer en sal ryden." (28.006).
Helaas voor Paris toch nog ver genoeg om naar hem toe te rijden en hem
met zijn zwaard het "aenschyn" te klieven.
Paris' dood geeft de Grieken moed en
drijft de Trojanen in het defensief, een mooi moment voor Jacob om het
krijgsgewoel in zijn voorbeeldtekst te onderbreken met een ongeveer
duizend regels tellende kosmografie.
Voor een middeleeuwse kopiist is zo'n kosmografie een apeklus. Omdat de
tekst gepaard moet rijmen worden de zinnen syntactisch opgerekt tot ver
voorbij het semantische, daardoor ononthoudbaar, en voor het
boerenverstand ontoetsbaar. De kopiist verliest het zicht op wat hij
schrijft. Dit soort teksten wemelt dan ook van de varianten en fouten.
Neem nu de plaatsbepaling van Friesland:
- 29.012
- Van der Elven nederwert
-
- Leghet Vrieslant aen die vaert
-
- Tusschen der Elven Swytval
-
- Soe heit wilen Vrieslant al
Gelukkig voor ons herhaalt Jacob zich hier, diezelfde kosmografie heeft
hij eerder opgedist in het zevende boek van Alexanders Geesten:
- 1443
- Vander Elven al nederwaert
-
- Leghet Vrieslant an die vaert
-
- Tusscen der Elven ende Sincfal
-
- Hiet wilen eer Vrieslant al
Het is duidelijk dat beide kopiisten vertrouwd waren met Vrieslant en
de Elve - de rivier de Elbe - maar met Swytval c.q. Sincf/val lag dat
anders. Voor ons is er een groot verschil in spelling, maar
paleografisch is dit praktisch hetzelfde: Swytval = Suitval = Sincval.
Gelukkig hebben we een vangnet:
Jacobs Spiegel Historiael, waarin wij lezen (Partie I, Boek 1, kapittel
33):
- 66
- Al Vriesclant verre ende na
-
- Tusscen der Elven ende Sincval
-
- Rekent men te Sassen al
-
- Daer es Germania af thovet
Friesland maakt volgens Jacob deel uit van Saksen, en Saksen maakt weer
deel uit van Germania, de De Bello Gallico-naam voor Duitsland; helaas
geen Sincval gevonden bij Julius Caesar.
Maar niet alleen aan het begin van de
Eerste Partie, ook aan het slot van het achtste boek van de Derde
Partie heeft Jacob het over Friesland - een heel gevoelig onderwerp -
Friesland was het Kosovo van Jacobs opdrachtgever, Florens V.
Omdat Jacob ervoor koos de Vierde
Partie te laten beginnen met Karel de Grote, en omdat de Friezen
beweerden dat zij - zeer tegen de zin van de graven van Holland -
autonoom waren, besloot Jacob zijn Derde Partie met kapittel XCIII: Der
Vriesen privilegie. Daarin lezen wij dat "die eerlijke Pepijn" (Pepijn
van Herstal) koning was van heel Frankrijk en van:
-
- Alle die lieden ghemeenlike
- 5
- Die lancs der zee saten hene
-
- Tusscen der Wesere enten Zwene
-
- Dat tien tiden hiet Sincval
En even verderop lezen we:
-
- Tusscen der Wesere ende Sincval,
- 105
- Dat wi Vrieslant heten bi namen
en:
- 115
- Teenen tiden quam sulc geval
-
- Den volke dat tusscen Sincval
-
- Enter Wesere sat alleene,
-
- Dat daer was ene scare gemene,
-
- Ende altemale Vriesen hieten,
Nu is de rivier de Wezer - en niet de Elbe - de oostgrens van
Friesland. Het Zwin moet dus de zuidwestgrens zijn, alleen welk Zwin,
en waar?
Op dit punt aangekomen tast je als
literair-historicus in het duister. Te rade dus bij buurman Eef Dijkhof
van het Oorkondeboek Holland en Zeeland. Helaas, in de bewaard gebleven
ambtelijke bescheiden wordt die naam niet genoemd.
Gelukkig is er ook nog een echte
naamkundige aan het Meertens Instituut verbonden - Rob Rentenaar - en
die kon mij vertellen dat Jacob met Het Zwin inderdaad het Brugse Zwin
bedoelde, en dat het bewijs hiervan geleverd werd door het feit dat de
Zeeuwen deel uitmaakten van het Friese rechtsgebied en daarom ook onder
het geestelijk gezag van de aartsbisschop van Utrecht - ten tijde van
Willibrordus Wiltenborch geheten - vielen. Een tochtje naar de
bibliotheek deed mij terugkomen met een stapeltje boeken waarin 'alles'
stond over het Sincfal.
De naam is - volgens kenners - een
samenstelling van 'Swintha'=krachtig en 'fal'=water(weg). Zou dit 'fal'
iets met 'Waal' uitstaande hebben - in het Latijn 'Vacalus' geheten? En
hoe zit dat met het hier in Holland gebruikelijke benaming 'slufter'
voor een geul in de duinen waar bij vloed het zeewater instroomt.
De exacte ligging van het Friese
Sincval is onzeker. In die tijd maakte het onbedijkte Zeeland zijn naam
volledig waar en was het afwisselend zee en land. Dat kwam voor een
deel door de stijging van de zeespiegel, de zogeheten Duinkerke I, II
en III-transgressies, die zich voltrokken tussen Julius Caesar en de
invallen der Noormannen. Daardoor ontstond er verdronken land, dat bij
eb droogviel en zo ontstond daar plantengroei. Die flora fungeerde als
een zeef voor door de zee aangevoerd zand en door de rivieren
aangevoerde modder, wat landvorming tot gevolg had. Totdat een noord-
of zuidwester storm hier weer gaten insloeg en het proces zich
herhaalde. Het Zwin is het gevolg van zulk noodweer.
Ten tijde van Jacob was de naam
Sincval al lang in onbruik geraakt en mogelijk in de grafelijke
kanselarij alleen nog maar bekend uit (een kopie van) de in de achtste
eeuw opgetekende 'Lex Frisionum'. Daarnaast had het landschap door
bedijking en inpoldering van de schorren - waaraan vele plaatsnamen
herinneren - een enorme gedaanteverandering ondergaan. Het eiland
Wulpen bijvoorbeeld - onder Walcheren gelegen, waar Willibrordus in 690
landde om de Friezen te bekeren - was deels weggespoeld, deels
aangespoeld bij het huidige Zeeuws-Vlaanderen.
Wat niet verdween is het zoveelste
bewijs van hoe goed Jacob van Maerlant zich documenteerde.
Willem.Kuiper@Hum.UvA.NL
Literatuuropgave:
- 2000 jaar Zwinstreek. Knokke 1985.
- L.Ph.C. van den Bergh (, A.A. Beekman en H.J. Moerman), Handboek der
Middelnederlandse Geographie. Den Haag 1949.
- Encyclopedie van Zeeland.
- M.K.E. Gottschalk, Historische geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen
tot de St.-Elisabethsvloed van 1404. Assen 1955.
- E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek VII, 1154.
|