|
Art: 9810.25
Date: Tue, 20 Oct 1998 11:51:58 +0200
From: Frank Jansen <Frank.Jansen@let.uu.nl>
Subject: Art: 9810.25: Frank Jansen: Popularisering van de taalkunde
Popularisering van de taalkunde
Frank Jansen, UIL-OTS, Universiteit Utrecht
Het gaat redelijk goed met het populariseren van de taalkunde. Er is
een wekelijks radioprogramma aan gewijd (Wat een taal!), er is
een maandblad met 46.000 abonnees (Onze Taal), er zijn druk
bezochte websites en de grote uitgeverijen hebben een uitgebreid fonds
van boeken over dit onderwerp die gretig aftrek vinden.
En toch kan het veel beter, vind ik. Ten eerste als je kijkt naar de
aanbodzijde: er zijn in Nederland maar liefst 500 taalonderzoekers
werkzaam. Die zouden toch alleen al bij toeval op resultaten moeten
stuiten die voor de buitenwereld interessant zijn. Ten tweede is daar
de vraagzijde, waaronder ik niet alleen de vragen over taal beschouw
waarvan het publiek zich bewust is, maar ook de taalonwetendheid
waarvan datzelfde publiek op gezette tijden blijk geeft.
Marmeladetest
Hoe kan het beter? Mijn gedachten hierover zijn sterk beïnvloed
door
een college aan de Universiteit Utrecht waaraan ik verbonden ben, te
weten Publiekgericht Schrijven. Dat houdt in de praktijk in: het
populariseren van wetenschappelijk werk in de Letteren, dus niet alleen
taalkunde, maar ook letterkunde, geschiedenis en kunstbeleid. Bij dit
college moet de deelnemer onder meer een dissertatie of een uitgebreid
wetenschappelijk artikel transformeren tot een
populair-wetenschappelijk artikel voor een wetenschapsbijlage of een
weekblad.
De deelnemers moeten zelf een geschikt stuk kiezen. En dat gebeurt op
grond van de vermoedelijke interessantheid voor de leek. Daarvoor
hebben we de marmeladetest. Stel dat je bij het ontbijt de resultaten
in een zin samenvat. Als de marmeladetest slaagt, laat je
gesprekspartner zijn marmeladebeschuitje zover scheef hangen dat de
marmelade in dikke klodders op zijn kimono valt.
Sommige deelnemers hoef je niets te vertellen over interessantheid.
Anderen hebben behoefte aan informatie over dit onderwerp. Zij komen
dan te weten dat egoïsme een belangrijke voedingsbron is: 'Wat zit
er voor mij in?'. Maar daarnaast ook conversatiewaarde: 'Hoe bestaat
het dat iets precies anders is dan iedereen altijd dacht?'. Er bestaan
ook lijstjes van zaken die iedereen interesseren: mensen (en dan vooral
kinderen (en dan weer vooral babies)), liefde, dood en macht. Wat
dichter bij huis gebeurt, is inherent interessanter dan wat veraf
gebeurt. Al kan het exotische ook weer fascinerend worden.
Nu weer terug naar het college. Elke keer heb ik bij de tweede
bijeenkomst dezelfde ervaring. Een student, of eigenlijk een studente,
en niet de minste, vertelt dat ze een interessant artikel op de korrel
had genomen, totdat ze bij de marmeladeproef merkte dat er een
afschuwelijke platitude uit rolde, van het type: oudere
kinderen gebruiken verbindingswoorden beter dan jongere. Of:
allochtonen gebruiken vooral Nederlandse woorden voor begrippen die in
hun oorspronkelijk cultuur niet relevant zijn.
Dat is voor de wetenschap zelf niet erg. Opbouwen van een model
betekent vaak toetsen of zekerheden wel zo zeker zijn. Veel problemen
zijn alleen problemen in een wetenschappelijke theorie, die je echt
wel moet kennen wil je ze begrijpen. Maar een wetenschap die
voornamelijk producten voortbrengt die falen voor de marmeladetest ...
zo'n wetenschap kun je maar beter niet gepopulariseren. Gelukkig is het
in mijn waarneming lang niet zover. De linguïstiek heeft namelijk
een paar sterke punten.
Diversiteit in de linguïstiek
Ten eerste de diversiteit van de soorten linguïstiek en van haar
objecten. Die maakt het ons mogelijk hetzelfde pad te betreden als de
sterrenkunde en de archeologie: twee onpraktische wetenschappen die
veel leken toch kunnen boeien. Nu wordt er met heel veel geld van de
Nederlandse belastingbetaler een reeks grammatica's van Tibetaanse
talen opgezet. Waarom niet een artikel geschreven over de drie
voornaamste structuurverschillen tussen het Nederlands en zo'n
Tibetaanse taal?
Waarom niet? Ik denk dat dat de taalkundigen lijden aan een
Mombasa-mentaliteit. Het eerste wat je ziet als je het
havenkantoor van Mombasa betreedt, is de leuze: 'Mombasa, center of the
world'. Met daaronder een wereldkaart, die inderdaad bewijst dat
Mombasa precies even ver weg ligt van Toulouse als van Canberra.
Net zo bestaat er bij sommigen de neiging om in de linguïstiek een
kern te onderscheiden, uiteraard precies overeenkomend met de
activiteiten van die sommigen. En ver buiten die kern bevindt zich een
periferie, waar de anderen hun modieuze en oppervlakkige activiteiten
verrichten.
Deze voorstelling van zaken is niet alleen oppervlakkig en
kinderachtig. Hij is ook onjuist. De veelvormigheid van al die soorten
taalkundes is juist het wezen van de taalkunde. Deze kernopvatting is
ook contraproductief. Hij leidt tot parochialiteit en stammenstrijd,
verlies aan invloed en gebrek aan aandacht voor soorten
linguïstiek die zich mogelijk goed lenen voor popularisering.
Toepasbaarheid
Een tweede sterke kant van de linguïstiek is het gegeven dat
zoveel
ervan een praktisch toepasbare kant heeft. En daarmee heb ik iets veel
ruimers op het oog dan de klassieke takken van
interventielinguïstiek,
zoals de taalbeheersing en de toegepaste taalkunde. Ik denk aan alle
soorten taalkundes die kunnen worden ingezet om ontwikkelingen in de
internationale politiek begrijpelijk te maken. Juist deze sterke kant
maakt het ons mogelijk om het zelfde populariseringspad op te gaan als
de psychologie. Neem bijvoorbeeld de wijsneuzige beschouwingen van
psychologen en psychiaters over het 'Clinton-complex' die de afgelopen
weken in bijvoorbeeld NRC Handelsblad verschenen. Daarnaast zou een
artikel over des presidents taalgedrag, althans zijn openbare
taalgedrag, toch geen gekke indruk gemaakt hebben?
Wat let ons? Ik denk dat er twee praktische bezwaren zijn die
verhinderen dat mijn droom onze daad wordt:
1. De mensen die kunnen schrijven, hebben onvoldoende mogelijkheden
zelf de geschikte stoffen te vinden.
2. De mensen die iets weten van een een opwindend taalkundig
nieuwtje weten niet wie daarover boeiend en begrijpelijk zou kunnen
schrijven.
Bronnen
Waar zijn de interessantste wetenschappelijke bronnen te vinden? Ik
denk hier niet in de eerste plaats aan proefschriften, alleen al omdat
zich tegenwoordig daarover de voorlichtingsafdelingen van de
universiteit ontfermen. En die kunnen het ook niet helpen dat juist van
proefschriften de conclusies nogal eens lijken op heftig klapperende
open deuren. Ik heb wel het oog op artikelen in wetenschappelijke
bladen, omdat daarin vaak interessantere, verrassendere en meer
grensverleggende gedachten voorkomen. Maar de voornaamste reden is wel
deze: voor zover ik weet, ontbreekt tot dusver een systematische
signalering van zulke artikelen.
Schrijvers
Natuurlijk is een beetje schrijftalent nooit weg. Maar ik denk dat het
belang van een fonkelende stijl voor geslaagde popularisering nogal
overdreven wordt. Zo'n stijl zal zelden lezers over de streep helpen
als die niet in het onderwerp geïnteresseerd zijn. Hoogstens kan
een slechte stijl ertoe leiden dat lezers het stuk terzijde leggen.
Maar dan hebben we het over een echt erbarmelijke stijl, die niet hoeft
voor te komen bij iemand die een cursus populariserend schrijven heeft
gevolgd.
Naar mijn idee moeten gegadigden vooral over ambitie om te
populariseren beschikken en voldoende tijd daarvoor hebben. Het is
eigenlijk niet reëel dat van de wetenschappers zelf te verwachten.
Iemand met een psychische habitus die het mogelijk maakt vier jaar lang
zich te concentreren op een enkel woordje is niet automatisch geschikt
om dat onderzoek te populariseren. Populariseren veronderstelt immers
aandacht voor de ander, en vooral voor waar die ander nieuwsgierig naar
is. Onze wetenschapper zal de grootste moeite hebben te beseffen dat
zijn fascinatie juist voor die ander het grootste raadsel is.
Een dubbel voorstel
Het voorgaande is de aanloop tot de volgende twee voorstellen:
1. Kan het LOT niet een gegevensbestand opzetten en beheren, van
personen die over taalonderwerpen willen schrijven (met hun
specialismen)
2. Kan het LOT niet een gegevensbestand opzetten en beheren, met
tips van artikelen met mogelijk interessante resultaten?
Het tweede bestand wordt natuurlijk elk kwartaal ververst. Er zouden
vooral wetenschappelijke artikelen in moeten komen van auteurs die
beschikbaar zijn voor een aanvullend interviewtje. Dat maakt het
populariseren alleen maar makkelijker.
Toen ik dit voorstel aan een - overigens zeer gewaardeerde -
sparringpartner voorlegde, kwam er een slodder aan bezwaren. Allemaal
van het type: dan moeten we al die tips gaan controleren en we worden
het nooit eens over wat de goede artikelen zijn.
Dat is juist niet mijn bedoeling. Wat een goede aanleiding voor een
populair-wetenschappelijk stuk is, is niet des wetenschappers. Dat
bepaalt de popularisator ... met de marmeladetest.
|