9810.27 Terug
Vooruit 9810.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 9810.28

Date: Thu, 15 Oct 1998 12:22:51 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 9810.28: Column Coppen: Linguïstisch Miniatuurtje LI: En die z'n moeder kan niet fietsen

Linguïstisch Miniatuurtje LI: En die z'n moeder kan niet fietsen

Problemen verdwijnen alleen maar als je ze oplost. Vergeten, links laten liggen, dat biedt allemaal maar zeer tijdelijk soelaas. Ze zijn als paardenbloemen die je ergens halverwege de wortel doorsteekt: uit de halve wortel groeien meerdere nieuwe exemplaren.

Zo zeurt er al sinds een jaar of twintig een constructie door mijn hoofd die ik nooit naar bevrediging heb kunnen wegredeneren. Niet dat ik daar dagelijks last van heb, maar irritant is het wel. Tot overmaat van ramp is het brandpunt van de hedendaagse theoretische taalkunde ook nog wat van het onderwerp weggedreven, zodat het wellicht niet eens opportuun is om me in het huidige tijdsgewricht met deze problematiek bezig te houden. Toch wil ik in een verloren moment mijn gedachten nog wel eens laten gaan.

Waar heb ik het over? Om dat duidelijk te maken, moet ik de kwestie eerst in zijn historische context plaatsen. Stel u voor, generatieve grammatica, eind jaren zeventig (veel mensen spraken toen nog van TGG). Van anaforentheorie had nog niemand gehoord, DPs bestonden nog niet (al was Postal indertijd hartelijk uitgelachen toen hij beweerde dat pronomina eigenlijk determiners waren), en het begrip "functionele projectie" was in een tijd dat taalkundigen nog maar net bekomen waren van de notie "X-bar", nog onbekend. Waar discussieerden taalkundigen toen over?

In die tijd lag, althans wat betreft de theoretische taalkunde in Nederland, de aandacht bij syntactische domeinen en meer in het bijzonder extractie daaruit. Wat zijn de parameters voor de domeinbeperkingen? Kent het Nederlands alleen subjacentie of zijn de condities strikter? Dissertaties van taalkundigen als Van Riemsdijk en Koster hielden zich met deze vragen bezig. Zo stelde Van Riemsdijk bijvoorbeeld voor om PPs als gesloten domeinen te beschouwen, met een kleine opening (de "R-positie") om te verklaren hoe de - splitsbare - voornaamwoordelijke bijwoorden konden ontstaan.

In de zelfde periode woedde er een discussie in taalkundig Nederland over het gesloten karakter van NPs in relatie tot PP-vooropplaatsing. Uit NPs, zo leek het, kun je in het algemeen niet extraheren. Alle voorbeelden van schijnbare PP-extractie uit NP kunnen ook worden beschouwd als losse PPs. Zo lijkt in een zin als "van Jan stond er een foto in de krant" de PP "van Jan" wel een bijvoeglijke PP ("een foto van Jan"), maar daar kun je vraagtekens bij zetten als je kijkt naar een zin als "van sommige kinderen stond er een foto in de krant". Immers, als "van sommige kinderen" bijvoeglijk is, dan zou de onderliggende NP luiden "een foto van sommige kinderen". En deze NP is quantificationele onzin. De quantor "sommige" verdraagt geen narrow scope.

Nou heb ik indertijd wel eens gedacht aan constructies die deze twee verschijnselen (R-extractie uit PPs, extractie uit NPs) combineerden. Je hoort ze veel in discussies over familierelaties: "Zeg ken jij die-en-die? Dat is nog verre familie van me." "O ja, hoe zit dat dan?" "Nou, mijn vader had een oom, en die z'n moeder had een nicht, en daar weer een zoon van, dat is de grootvader van die-en-die." U kent die uiteenzettingen. Een minieme bloedverwantschap wordt blootgelegd in afzonderlijke stapjes, waarbij je als argeloze toehoorder het spoor al snel bijster raakt. Het is op zo'n punt in de discussie dat je vaak de titel van dit miniatuurtje hoort.

Nou gaat het me om de frase "daar weer een zoon van". Wat is dat voor een woordgroep? Gezien het feit dat de woordgroep hier in een herhalend onderwerpconstructie staat ("daar weer een zoon van, dat is de grootvader van die-en-die") zou je zeggen dat het een NP moet zijn. In dergelijke constructies kun je niet zomaar willekeurige delen van de VP topicaliseren (*"volgens mij Jan, dat is de dader" of *"de president in verwarring gebracht, die zag ik laatst op de TV").

De gedachte dat "daar weer een zoon van" een NP is wordt ondersteund door de (beperkte) mogelijkheid om het weer in te bedden in een PP: "de vrouw van daar weer een zoon van", dat lijkt een heel acceptabele woordgroep in de gegeven context. Maar ook de plaatsingsmogelijkheid op de eerste zinsplaats is een sterk argument voor deze stelling: "daar weer een zoon van heeft bij mij in de klas gezeten". Niks mis mee. "Daar weer een zoon van" is onderwerp.

Maar als "daar weer een zoon van" een NP is, dan is de afleiding problematisch. Uiteraard moet "daar" afkomstig zijn van een PP-interne positie ("van dat"). Via de R-positie van Van Riemsdijk ("een zoon daarvan") wordt het R-pronomen geëextraheerd naar een NP-initiële positie ("daar een zoon van"). Dat zou betekenen dat ook voor de NP een R-positie moet worden aangenomen. Maar in dat geval zou je verwachten dat je vanuit alle bijvoeglijke PPs R-pronomina kunt extraheren. En dat is niet zo.

R-extractie uit bijvoeglijke PPs lijkt beperkt tot een klasse van functionele PPs. PPs bij relatietermen doen het ("vader, broertje, vrouw, baas, vriend van"), fotonomina ("picture nouns", zoals "foto, schilderij van, boek over") en sommige nominalisaties (nomina creationis, zoals "daar de schrijver van", "daar de bedenker van").

Ook de distributie van de resulterende NPs is beperkt. Ze kunnen zoals gezegd zelfstandig voorkomen of ingebed in andere PPs ("een handtekening van daar de schrijver van"), maar daarbij is weer niet ieder voorzetsel mogelijk (*"volgens daar de bedenker van", *"langs daar een schilderij van").

En ten slotte is verdere extractie uiterst beperkt. De zinssnede "daar de vriend van een zusje van" kan ik, op de toppen van mijn taalkundige tenen staande, nog net hebben. Maar bij "daar de schrijver van een boek over" en "daar de zoon van de bedenker van" haak ik zo ongeveer af.

In mijn dissertatie heb ik voorgesteld om pronomina te beschouwen als determiners in N-projecties van een lager niveau. Getransponeerd naar de huidige inzichten zouden pronomina daarmee DPs worden die ingebed zijn in QPs. Deze N-projecties (DPs dus) konden aan de NP (QP) worden geadjungeerd in constructies als [NP [N2 wij] [NP [QP alledrie] t]] (dat zou dus nu worden [QP [DP wij] [QP alledrie t]]), maar ook in de quantitatieve er-constructie [NP [N2 er] [NP [QP drie] t]] ([QP [DP er] [QP drie t]]). Probleem van deze analyse was, dat van "er drie" niet aangetoond kon worden dat het een woordgroep was. Twee zaken leken vast te staan: het quantitatieve "er" vormde samen met het bijbehorende telwoord geen woordgroep ("er drie"), terwijl het prepositionele "er" dat met het bijbehorende voorzetsel juist wel kon ("erop"). De NP lijkt dus geen R-positie te hebben, de PP wel.

Onze constructie nu gooit dubbel roet in het eten. Niet alleen zijn woordgroepen als "een neef van daar een dochter van", en zelfs "daar de zoon van een broer van" acceptabel, aantonend dat dat "daar" samen met de NP een woordgroep vormt, maar ook is *"de zoon daar van een broer van" volslagen onacceptabel. Waarom eigenlijk?

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]