9812.27 Terug
Vooruit 9812.29

Rec: 9812.28

Date: Mon, 21 Dec 1998 15:46:13 +0100
From: Marc van Oostendorp <oostendorp@rullet.LeidenUniv.nl>
Subject: Rec: 9812.28: Poldernederlands: kunstmatig plat praten. Recensie door Marc van Oostendorp van Jan Stroops Poldernederlands (Amsterdam, 1998)

Poldernederlands: kunstmatig plat praten

Recensie over:
Jan Stroop, Poldernederlands; Waardoor het ABN verdwijnt. Amsterdam, Bert Bakker, 1998. ISBN 90 351 2033. Prijs: fl. 24,90.
Er waart een spauk door Nederland: het spauk van het Poldernederlands. Dit jaar heeft de fonoloog Jan Stroop twee artikels gepubliceerd in tijdschriften voor een breder publiek (Noordzee en Onze Taal) over de variant van het Nederlands waaraan hij die naam heeft gegeven. Bovendien gaf hij interviews aan de radio, de televisie en zo ongeveer alle kranten van Nederland. Sinds november is er ook een boek, dat Stroop eveneens geschreven heeft voor een breder publiek. Het Poldernederlands is daarmee een van de grootste aandachttrekkers van de taalkunde van dit jaar.

De nieuwe variant zou vooral door jonge, succesvolle vrouwen gebruikt worden. Een boegbeeld is de parlementariër Sharon Dijksma, in dit boek discreet alleen met haar voornaam opgevoerd, en aldus geciteerd: "Ik denk dat als je k[aai]kt naar wat daar geschetst wordt, dat het h[ei]l belangr[aai]k is dat je daar [ou]k over[ei]nstemming [ou]ver hebt." Uit dit citaat blijkt al dat het Poldernederlands eigenlijk alleen van de huidige standaardtaal verschilt in de klinkers, en in het bijzonder in de lange middenklinkers en de tweeklanken. De middenklinkers diftongeren: ee wordt ei, oo wordt ou. De oorspronkelijke diftongen worden op hun beurt iets extremer: ei wordt aai, au wordt aauw. Een andere eigenschap die Stroop aan het Poldernederlands toekent is dat de korte klinkers juist verhogen: bellen wordt uitgesproken als billen. Opvallend genoeg werd dit verschijnsel in de eerdere artikels niet genoemd, en ontbreekt het in Stroops transcriptie van Dijksma ("ik dink det els je kaaikt...") en andere spreeksters.

Voor ik aan het boek begon, had ik mijn twijfels. Het was me uit de artikels niet duidelijk geworden hoe ik dit Poldernederlands nu moest begrijpen. Wat waren de observaties waarop Stroop zich baseerde; ging het echt alleen maar om indrukken die waren opgedaan tijdens het bekijken van het televisieprogramma De Plantage? Hoe consistent waren de spreeksters van het Poldernederlands nu? En was het echt zo uniek als Stroop beweerde dat vrouwen in dezen het voortouw namen? Op de meeste van deze vragen geeft het boek een antwoord, zij het een antwoord dat geformuleerd is voor een breed publiek en dat daarom voor vakgenoten niet altijd nauwkeurig genoeg is.

Poldernederlands is een onderhoudend boek, dat u onder de kerstboom van uw geliefde moet leggen als u weet dat hij of zij een zekere taalkundige belangstelling heeft, zonder nu meteen geïnteresseerd te zijn in optimaliteitstableaus of multipeleregressieanalyses. Nu ik het gelezen heb, ben ik er van overtuigd dat Stroop een interessante observatie te pakken heeft en dat er reden is om eens goed uit te zoeken hoe het eigenlijk zit. Tegelijk betreur ik dat we na dit jaar nog alleen deze populair-wetenschappelijke publicaties hebben. Het hele idee blijft daardoor voor een vakgenoot nog steeds moeilijk te evalueren. Ik hoop dat er snel een paar wetenschappelijke publicaties komen waarin Stroop preciezer uiteenzet hoe een en ander in elkaar steekt.

Dan wordt het ook makkelijker om er een andere visie tegenover te stellen. Ik heb in ieder geval de indruk dat dit op een aantal punten best kan. Op een van die punten wil ik hier wat nader ingaan. Naast het Poldernederlands onderscheidt Stroop nog twee varianten: het ABN en het Bovennederlands. De laatste staat bekend als bekakt en is interessant genoeg wat klinkerstructuur betreft een spiegelbeeld van het Poldernederlands. Waar in het Poldernederlands de korte klinkers omhoog gaan (bellen wordt billen), gaan ze in het Bovennederlands juist omlaag (bellen wordt ballen); waar in het Poldernederlands de lange middenklinkers diftongeren (leden wordt leiden), monoftongeren in het Bovennederlands juist de diftongen tot middenklinkers (Leiden wordt Leden).

Volgens Stroop zijn de veranderingen in het Poldernederlands volstrekt natuurlijk: lange klinkers willen nu eenmaal graag laag zijn, korte klinkers willen nu eenmaal graag hoog zijn. Het Bovennederlands ziet hij als een reactie op deze ontwikkeling, als een vorm van hypercorrectie: om je af te zetten tegen het grauw, verhoog je juist de lange klinkers en verlaag je de middenklinkers. Het Poldernederlands vertegenwoordigt een natuurlijke ontwikkeling, die het Engels en het Duits (allebei [waajn] in plaats van wijn, allebei [haus] in plaats van huis) al veel eerder hebben doorgemaakt. Volgens Stroop is deze ontwikkeling dan ook zowel in het belang van de spreker als in dat van de luisteraar, terwijl het Bovennederlands er een soort kunstmatige reactie op is.

Het is een romantisch misverstand van de dialectologie om te denken dat een 'bekakte' variant automatisch een minder natuurlijke is (omdat hij gesproken wordt door mensen met Latijn en Grieks in hun pakket), terwijl 'plat' overal en altijd de vrije natuur in haar onbelemmerde loop vertegenwoordigt (omdat het door de oermensen van het platteland wordt gebruikt). Soms is het denk ik andersom: ook mensen van adel zijn tenslotte mensen met een beperkt strottenhoofd, en ook 'plat' kan iemand om heel oneigenlijke redenen gebruiken: om te benadrukken hoe eenvoudig hij of zij gebleven is bijvoorbeeld. Ik denk dat dit hier best wel eens aan de hand zou kunnen zijn; dat het Bovennederlands een natuurlijke weg heeft gevolgd en het Poldernederlands te zien is als een reactie op die ontwikkeling.

Fonologisch is het Poldernederlands helemaal niet zo veel natuurlijker dan het Bovennederlands. De parallel die Stroop voorzichtig met het Engels trekt, gaat volgens mij niet op. Het is wel waar dat de Engelsen het woord dat wij (Nederlanders die niet jong zijn en/of niet succesvol en/of geen vrouw) uitspreken als [wein] sinds jaar en dag uitspreken als [waajn]. Maar dit is gebeurd ten tijde van de Vowel Shift, waarin ook iets anders aan de hand was: de lange klinkers gingen omhoog, zodat ee werd tot [i:] (meet) en ai tot [e:] (wait). Die veranderingen zijn tegengesteld aan die van het Poldernederlands. Dit zijn met andere woorden nu juist het soort veranderingen die we in lichte vorm zien in het Bovennederlands, dat dus minstens evenveel de natuurlijke weg van het Engels volgt als zijn polderzusje.

Maar het ligt toch inderdaad fonetisch voor de hand om lange klinkers te verlagen en korte te verhogen? Hoe langer een klinker is, hoe verder omlaag de kaak kan, en hoe prettiger het wordt een sonoordere, dus lagere, klinker te hebben. Dat klinkt inderdaad aannemelijk, maar ik geloof niet dat Stroop gelijk heeft dat zo'n sonore klinker de zaken gemakkelijker maakt voor de hoorder. Al die lage klinkers liggen zeer dicht bij elkaar en zijn daarom moeilijker te onderscheiden. Alle verlagingen werken dus contrastverlies uiteindelijk in de hand. Het wordt moeilijker voor de hoorder te reconstrueren wat de spreker zeggen wil.

Het verschil tussen lange en korte klinkers is in het Nederlands niet alleen een verschil in lengte: een [oo] is niet alleen maar een lang aangehouden [O]. Tussen de klinkers in poot en pot is ook een kwaliteitsverschil, en in mijn proefschrift (Van Oostendorp 1995) heb ik beweerd dat dit kwaliteitsverschil gelijkgesteld kan worden aan het tongwortelkenmerk [RTR] (retracted tongue root). Bij de korte klinkers is de tongwortel iets meer naar achteren getrokken dan bij de lange. Nu is dit kenmerk in Afrikaanse talen uitgebreid bestudeerd (Archangeli en Pulleyblank 1994), en uit die studie kan in ieder geval worden opgemaakt dat er een duidelijk verband bestaat tussen RTR en klinkerhoogte. [+RTR]-klinkers zijn graag laag, [-RTR]-klinkers zijn graag hoog. Vanuit dat perspectief is het Bovennederlands dus juist heel natuurlijk: korte klinkers zijn RTR, en willen dus omlaag; lange klinkers zijn [-RTR] en willen dus omhoog.

Ook de polderdiftongering van monoftongen (leiden zeggen tegen leden) is niet per se natuurlijker dan de bekakte monoftongering van diftongen (Leden zeggen tegen Leiden). Een diftong is per slot van rekening complexer dan een monoftong: er zit een beweging in die bij monoftongen ontbreekt en er is dan ook uit dat oogpunt heel wat te zeggen voor een dergelijke taalverandering.

Als jonge vrouw mag je dan zo succesvol zijn dat je uitgenodigd wordt om op te treden bij het programma De Plantage, je wilt toch aan de videorecorder van je moeder laten horen dat het je niet zo hoog in je bol geslagen is dat je bekakt bent gaan praten. Als ik ook eens een sociologische observatie van de koude grond mag debiteren: ik kijk nooit naar De Plantage maar ik lees wel eens Opzij en het valt me altijd op hoe zeer de daar opgevoerde succesvolle jonge vrouwen hun best doen om gewoon te worden gevonden; hoe in de gesprekken te pas en te onpas huishoudelijke perikelen aan de orde komen bijvoorbeeld. Uit angst om [geweun] te zeggen zeg je dan [gewaun]. Die vrouwen scheppen daarmee een soort kunstmatig plat, gewauner als gewoon. Mannen voelen die druk kennelijk minder. Zij hebben niet zo sterk de behoefte zich te verontschuldigen voor hun succes.

Hiermee zijn de inconsistenties die Stroop opmerkt in de taal van deze vrouwen (blz. 21) beter te begrijpen. Mensen die bekakt praten zijn daarin juist veel consequenter: koningin Beatrix zal je niet zo snel op 'gewoon' betrappen. Dit is wel een beetje eigenaardig als het Poldernederlands natuurlijk is en het Bovennederlands een kunstmatige reactie. Ook is hiermee in ieder geval ten dele verklaard waarom de klinkers van het Poldernederlands dichter bij die van het Zuid-Hollands liggen -- Stroop beweert op gezag van Goeman en Taeldeman dat de uitspraak aai voor ei sinds 1965 uit het Rotterdams verdwenen is, maar ik ben van 1967 en heb nooit iets anders gehoord dan [blaaif baai maai] (Van Eekelen e.a. 1996) -- dan bij het Amsterdams: de klinkers van het laatste dialect liggen net iets dichter bij het bekakt dan de eerste.

Al met al lijken me de ontwikkelingen van het Bovennederlands helemaal niet zo onnatuurlijk. De variant is bovendien ouder dan het Poldernederlands: bekakt praten bestaat al heel lang. Ook daarom ligt het meer voor de hand om het Poldernederlands te zien als een "kunstmatig plat", een reactie op Bovennederlands, dan andersom.

De mogelijkheid komt in het boek heel even aan de orde. Op bladzijde 97 schrijft Stroop: "Ik denk trouwens dat er omgekeerd ook weer gereageerd wordt op het bekakte Bovennederlands en waag daarom deze stelling: door zich in haar taalgebruik zo duidelijk en op een hoogst persoonlijke manier te distantiëren van het Poldernederlands levert koningin Beatrix geen bijdrage aan de instandhouding van het Algemeen Beschaafd Nederlands, maar juist aan de zonnige toekomst van de tegenpool van het Bovennederlands, het Poldernederlands." Ik denk dat het anders ligt. Beatrix zet zich niet af tegen het Poldernederlands, de spreeksters van het Poldernederlands zetten zich in zekere zin af tegen haar. Zo succesvol als ze zijn, voelen ze zich heus geen koninginnetje. De stelling die ik daarom tegenover die van Stroop zou willen stellen is: zonder de huidige koningin had het Poldernederlands nooit bestaan.

Er verschijnen veel te weinig populair-wetenschappelijke boeken over de taalkunde. Stroop heeft een interessante ontdekking gedaan en deze op een enthousiaste manier aan de man gebracht. Dat is mooi. Nu wordt het tijd om de hele kwestie eens serieus te gaan onderzoeken. In een noot meldt de auteur dat hij hiervoor geld heeft aangevraagd. Ik hoop dat hij het krijgt, en dat er een paar promovendi aan de sociolinguïstiek, de fonetiek en de fonologie van het Poldernederlands kunnen gaan werken. Dat kan een paar mooie en nuttige boeken opleveren. Als de observaties kloppen, is er iets spectaculairs aan de gang. Maar ik vind dat Jan Stroop ook zelf verplichtingen heeft jegens het onderwerp: het grote publiek is nu wel overtuigd, schrijft u nu eens een serie mooie artikels voor uw vakgenoten!

Bibliografie

  • Archangeli, Diane en Douglas Pulleyblank (1994) Grounded phonology. Cambridge, MA: MIT Press.
  • Eekelen, Yvette van, Ilke van den Ende, Rianne Huygens, Marc van Oostendorp, Anke Strang (1996) "Diftongen in enkele variëteiten van het Nederlands", Tabu 25: 17-32.
  • Oostendorp, Marc van (1995) Vowel quality and phonological projection. Proefschrift, Katholieke Universiteit Brabant.

Marc van Oostendorp
oostendorp@rullet.leidenuniv.nl


[Dit nummer]