| 9901.08 |
|
|
|
9901.10 | Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 9901.09
Date: Sun, 03 Jan 1999 12:04:44 +0000
Linguïstisch Miniatuurtje LIV: Des Doden Dichters Minimalistische ProgramOp zondag 27 december las de in 1994 overleden dichter Lucebert in het VPRO-televisieprogramma "Dode dichters almanak" het volgende gedicht voor, uit zijn in 1989 verschenen bundel "Troost de hysterische robot":
Zelfs de oppervlakkige lezer zal onmiddellijk besluiten dat het klassieke thema van dit gedicht de zin van het bestaan is ("geen zin/geen zijn"). In robotesk taalgebruik wordt wat gegoocheld met begrippen. Zo zien we de associatieve reeks "hond, man, vrouw, moeder, vader, God", gecombineerd met het hyena-paar "bijten/lachen", en er worden een paar woorden in tweeën geknipt: "mede-deel, ver-deel, voor-deel, oor-deel". Zowel de zins- als woordstructuur zijn verknipt, en lijken daardoor zinloos te worden. Curieus was dat de dichter zelf het eerste deel (de eerste zes strofen) met blikkerige stem voorlas, en de rest normaal. Daardoor lijkt het tweede deel beschouwend: de robot deelt niets mee, verdeelt niet, is niet op voordeel uit, en heeft geen oordeel. Deze zinloosheid correspondeert met - of: leidt tot - bestaansloosheid. Wie zover is, zal wellicht ook nog erkennen dat dit gedicht over taal gaat. Immers, er wordt niet alleen gegoocheld met begrippen, maar ook met taalbouwsels. Woorden en zinnen hebben een afwijkende structuur. De zinnen zijn eigenlijk zonder uitzondering ongrammaticaal, en de woorden zijn in het voorlaatste couplet op een ontoelaatbare wijze verminkt. Daardoor lijkt niet alleen elke betekenis ("zin"), maar ook de structuur ("zin") aangetast. In feite volgt uit deze erkenning de derde stap in de analyse van dit vers. Er wordt niet alleen gespeeld met begrippen en structuren, maar de dichter polariseert ook de tegenstelling betekenisloos-betekenisvol. Kijk maar: "blaffen" en "bijten" zijn betekenisloze (niet-performatieve) acties, net zoals "grragh grragh grragh". Aan de andere kant zijn "straffen" en "lachen" natuurlijk bij uitstek bedoeld om een boodschap over te brengen, net zoals "hahaha hahaha hahaha". Bovendien bevat de trits "moeder, vader, God" een relationeel betekenisaspect dat in het drietal "hond, man, vrouw" ontbreekt. De verknipping van de "deel"-woorden is zo mogelijk nog illustratiever: de woorddelen "mede" en "voor" zijn betekenisvol, in tegenstelling tot "ver" en "oor". Het voorvoegsel "oor" is hier immers geen verwijzing naar het lichaamsdeel of het edelmetaal. "Oor" is een oudgermaans voorvoegsel "or/er/oer", dat in beginsel betekenisloos is. In deze derde laag van interpretatie, waarin de tegenstelling "betekenisvol/betekenisloos" centraal staat, moet de slottegenstelling "zin/zijn" dan ook precies in die zin begrepen worden. "Zin" is betekenis, en "zijn" is juist geen betekenis. Maar dat lijkt een beetje vreemd. Hoe kan dat? Dit probleem wordt opgelost in de vierde stap. De visie dat het werkwoord "zijn" betekenisloos is, komt eigenlijk alleen voor in de - moderne - taalkunde. Als we nu eens met een zeer modern taalkundig oog opnieuw naar dit gedicht kijken, dan zien we een haast profetische aankondiging van Chomsky's Minimalistische Program uit de negentiger jaren. En dat in 1989! Laten we beginnen met de robot. Die moet uiteraard in dit licht geïdentificeerd worden met het computationele systeem, dat de zinnen van de taal berekent op basis van de condities die door de interfaces met de andere breincomponenten opgelegd worden. De zin wordt geprojecteerd vanuit de werkwoordelijke kern. Vanuit die projectie wordt de thematische rol gedistribueerd. Zo heeft het werkwoord "blaffen" een thematische agens-rol. In het Nederlands worden de werkwoordelijke vervoegingskenmerken apart in de structuur geprojecteerd, evenals de agreementkenmerken met het subject. Het subject kan zijn naamvalskenmerken alleen bevestigen bij een van die projecties. In het gedicht ontbreken de vervoegingskenmerken. "Blaffen" is niet vervoegd. Het subject is daardoor niet gelegitimeerd. De robot vindt de beste oplossing door het subject te topicaliseren: het subject is op die manier zwak gelegitimeerd door de topic-kenmerken. Gelukkig is er wel agreement. Dat is uitgedrukt door op de oorspronkelijke subjectpositie een resumptive pronoun achter te laten. Dat congrueert met het getopicaliseerde subject ("man/hond" met "hij" en "vrouw" met "zij"). Nu krijgen we het geval "Bijten allen". Dat had op basis van de bovenstaande overwegingen ook kunnen zijn "allen zij bijten". Maar hier vindt de robot iets beters: "allen" is een floating quantifier, die bij voorkeur op de subjectpositie blijft staan. Daardoor blijft de topicpositie oningevuld en zou de zin crashen op PF. De enige manier om dit te voorkomen is topicalisatie van het werkwoord. Door de floating quantifier op de oorspronkelijke subjectpositie is nu uiteraard het resumptive pronoun overbodig geworden. De eerste drie strofen vertonen dezelfde structuur als de tweede drie. Wat is dan het verschil? Welnu, zoals bekend zijn er twee interfaces met andere breincomponenten: het akoestisch-perceptieve systeem (de fonetische vorm, ofwel PF), en het conceptueel-interpretatieve systeem (de semantische vorm, ofwel LF). De eerste drie strofen nu illustreren de werking van de PF. De uiting "grragh grragh grragh" is uitsluitend fonetisch (net als het blaffen). De tweede drie strofen daarentegen gaan over LF. De resulterende versregel "hahaha hahaha hahaha" is immers uitsluitend niet-fonetisch (net als het straffen). Van alle fonemen is de /h/ (de "ha") nu juist degene zonder noemenswaardige kenmerken: als je ademt spreek je al een /h/ uit. Is de /h/ wel een foneem? Illustreren de eerste zes strofen de syntaxis, in de volgende strofe is de morfologie aan de beurt. Het woord "deel" kan een werkwoord zijn ("delen") of een zelfstandig naamwoord. Van elk geeft de dichter twee voorbeelden. Is "deel" een woorddeel, dan kan het met twee soorten prefix worden aangevuld: die met een eigen betekenis (morfemen als "mede", "voor") en die zonder eigen betekenis (affixen als "ver", "oor"). In beide gevallen zijn de woorddelen te onderscheiden door negatie: zelfstandige morfemen zoals zelfstandige naamwoorden en (genominaliseerde) werkwoorden worden ontkend met "geen", andere categorieën krijgen "niet". Het "zijn" uit de laatste strofe kan zo slaan op het betekenisloze werkwoord "zijn", dat in sommige talen wordt ingevoegd om de vervoegingskenmerken van de zin te dragen. Met "zijn" had de robot wellicht nog uitingen kunnen genereren die niet zoals "grragh" zouden crashen op LF, of zoals "ha ha ha" zouden crashen op PF. De dichter wijst er hier dus kortweg op, dat het computationele taalsysteem betekenisloze projecties nodig heeft om zinnen te produceren. Dat is een profetisch inzicht, dat de huidige taalkundige met verbazing moet onderschrijven. Ja maar, hoe kan een eenvoudig dichter zonder gedegen taalkundige scholing deze zaken zo helder voorstellen, ver voordat de reguliere wetenschap ze ontdekt en accepteert? Is dit niet een schoolvoorbeeld van *hineininterpretieren*? Nee natuurlijk niet! Het is immers bekend dat de kunstenaars de fijngevoelige antennes van de ontwikkelingen in wetenschap en cultuur vormen. Zijn niet al onze technologische verworvenheden door kunstenaars voorspeld? Ziet, neerlandici, dat de eerstejaars lessen generatieve grammatica noodzakelijk zijn voor het begrijpen van hedendaagse poëzie. Knoopt dat het komende millennium in uw oren! Peter-Arno Coppen
|