| 9902.12 |
|
|
|
9902.a | Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 9902.13
Date: Fri, 08 Jan 1999 13:16:32 +0100
Linguïstisch Miniatuurtje LV: Twee maanden te laatMet dank aan de Taaladviesdienst, het volgende probleem: hoe moeten we de constructie "het paardje huppelt het dek op en neer" analyseren? "Huppelen" is toch intransitief? Toch lijkt "het dek" wel een voorwerp.Jammer eigenlijk dat deze vraag twee maanden te laat komt. De boot met het het dek op en neer huppelende paardje is op het moment dat ik dit stukje schrijf (8 januari) koud een maand vertrokken naar warmere oorden, en veel andere voorbeelden van die constructie zijn er niet. Maar goed, het probleem is interessant genoeg. Hoe zit die uitdrukking in elkaar? Allereerst valt ons oog op de nevenschikking in "op en neer". Die is namelijk niet uit te schrijven als een nevenschikking van zinnen: "het paardje huppelt het dek op en het paardje huppelt het dek neer" is onzin. Daarmee is een mogelijke analyse van "op en neer" als een nevenschikking van werkwoordelijke partikels weerlegd. Ten tweede valt op, dat "het dek" weglaatbaar is ("het paardje huppelt op en neer") maar "op en neer" niet ("het paardje huppelt het dek"). In bijzinsvolgorde moeten beide woordgroepen voor het werkwoord worden geplaatst: "ik zag dat het paardje het dek op en neer huppelde" en niet "ik zag dat het paardje huppelde het dek op en neer". Het lijkt erop dat "het dek op en neer" een eenheid vormt. Weliswaar lijkt de woordgroep wel te scheiden door bijwoordelijke bepalingen ("het paardje huppelde het dek vrolijk op en neer") en verplaatsing van de woordgroep als geheel is moeilijk ("het dek op en neer huppelde het paardje"), toch is vooropplaatsing van een van beide delen niet erg gelukkig: "het dek huppelde het paardje vrolijk op en neer" en "op en neer huppelde het paardje vrolijk het dek". Laten we eens uitgaan van deze aanname. In dat geval is de vraag: wat is de status van dit zinsdeel? Hoe zit het in elkaar, en wat is de functie? Om met de laatste vraag te beginnen: het ziet ernaar uit dat "het dek op en neer" een variant van een richtingsbepaling is. Dat kan met de volgende redenering beargumenteerd worden: bewegingswerkwoorden, zoals "lopen", "fietsen", "strompelen", en dus ook "huppelen" zijn intransitief, maar kunnen gecombineerd worden met een richtingsbepaling. Het opvallende aan deze combinatie is, dat in dat geval het hulpwerkwoord van tijd verandert van "hebben" in "zijn". Kijk maar: het is "ik heb gestrompeld", maar "ik ben naar school gestrompeld". "ik heb een eind gefietst" ("een eind" is geen lijdend voorwerp, maar een tijdsbepaling), maar "ik ben een eind de polder in gefietst". Hier zien we hetzelfde. Je zegt: "het paardje heeft gehuppeld", maar "het paardje is het dek op en neer gehuppeld". Misschien vindt u dit niet overtuigend klinken, maar vergelijkt u deze zin dan eens met de variant "het paardje heeft het dek op en neer gehuppeld". Slechter toch? De vreemdheid van de eerste variant is mijns inziens toe te schrijven aan het ontbreken van een "telisch" betekenisaspect (het is richting zonder duidelijk eindpunt). Volgens de huidige inzichten is teliciteit de belangrijkste factor in de keuze voor het hulpwerkwoord "zijn". De "richtingsbepaling" "op en neer" is waarschijnlijk te vergelijken met de gevallen "heen en weer" en "af en aan". Het is "we hebben hard gelopen", maar "we zijn hard heen en weer gelopen". In ieder geval niet "we hebben hard heen en weer gelopen". En "er hebben de hele dag koeriers af en aan gelopen" is veel slechter dan "er zijn de hele dag koeriers af en aan gelopen". Opmerkelijk is overigens dat ook in deze gevallen "uitschrijven" van de nevenschikking onmogelijk is: "de mensen liepen af en de mensen liepen aan" en "we liepen heen en we liepen weer" zijn beide onjuiste uitschrijvingen van de nevenschikking. Welnu, "op en neer" is dus, net als "af en aan" en "heen en weer", een "niet-telische richtingsbepaling". Maar hoe zit dat dan met "het dek op en neer"? Toevoeging van een woordgroep is bij "heen en weer" en bij "af en aan" niet mogelijk. "Hij liep het dek heen en weer" en "ze liepen het kantoor af en aan" zijn fout. Hoe zit dat in elkaar dan? Laten we allereerst constateren dat richtingsbepalingen vaak het gevolg zijn van "achterzetsels", oftewel achtergeplaatste voorzetsels. "Hij wandelde over de brug" is iets anders dan "hij wandelde de brug over". We zouden dus kunnen overwegen om "op en neer" als een complex achterzetsel te beschouwen. De ANS signaleert de mogelijkheid om complexe uitdrukkingen als voorzetsel te beschouwen, de zogeheten "voorzetseluitdrukkingen" (zoals "met betrekking tot"), en geeft als enige voorbeeld van een achtergeplaatste voorzetseluitdrukking, met enige reserve, "ten spijt". Ik denk dat we met "op en neer" een veel duidelijker geval bij de kop hebben. Het gevolg van deze analyse zou zijn, dat we "heen en weer" en "af en aan" eveneens als een voorzetseluitdrukking (misschien "achterzetseluitdrukking") zouden moeten benoemen. Deze gevallen zijn echter uitsluitend intransitief: ze kunnen geen naamval uitdelen en blijven dus verstoken van een complement. "Voorzetselbijwoorden", noemt de ANS dat. In dit geval zou ik dan zeggen: "achterzetselbijwoorden". Daarmee zijn we er volledig uit. De genoemde achterzetseluitdrukkingen lenen zich vanwege hun nevenschikkingsstructuur natuurlijk moeilijk voor opname in het werkwoord, in tegenstelling tot normale achterzetsels. Een werkwoordelijke groep als "ik zou zelf ook wel eens het dek willen op en neer huppelen" is uiterst vreemd, en mogelijk zelfs geen Vlaams. En je zou wellicht als taalgebruiker neigen tot een spelling als "heen-en-weerlopen", maar daar win je het Nationaal Dictee niet mee. Peter-Arno Coppen |