9904.24 Terug
Vooruit 9904.26
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 9904.25

Date: Fri, 12 Mar 1999 12:09:06 +0100
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 9904.25: Linguïstisch Miniatuurtje LVIII: Ergens twee keer aankomen

Linguïstisch Miniatuurtje LVIII: Ergens twee keer aankomen

Ik heb in de reeks Linguïstische Miniatuurtjes wel eens een aprilgrap uitgehaald, maar bijna niemand heeft dat gemerkt. Ik verzon een uiterst belachelijke taalkundige analyse met een stuk of wat halve argumenten erbij, en presenteerde dit met enig aplomb. Alleen onze hoofdredacteur merkte op dat 'dit toch wel heel vreemd was'. Maar hij kon er ook wel om lachen.

Denkt u hierom niet dat alle aprilminiatuurtjes scherts zijn. Vaak levert de taalkundige beschouwing van een bijzonder verschijnsel een uiterst curieuze analyse op, die, gegeven de linguïstische randvoorwaarden, toch een hoge graad van waarschijnlijkheid heeft. Zoals Oliver Hardy het formuleerde in de film Sons of the Desert: "This is too far-fetched not to be true".

Een van de eeuwige problemen in de Nederlandse spelling is het wel of niet aan elkaar schrijven van woorden. Vooral vlak vóór het werkwoordelijke eindcluster in de Nederlandse zin komen incorporatieverschijnselen voor, die al snel aanleiding kunnen geven tot het aaneenschrijven van woorden die eigenlijk niet bij elkaar horen. De afgelopen maand was het weer raak op de nieuwsgroep nl.taal. Een van de deelnemers stelde de vraag: moet het nu zijn: 'er tussenin' of 'ertussen in', 'er vanaf zijn' of 'ervan af zijn', 'er bijhoren' of 'erbij horen', en 'eraan komen' of 'er aankomen'.

Indachtig het motto dat men het ijzer moet smeden als het heet is, greep ik deze gelegenheid weer eens aan om het belang van een goede grammaticale beschouwing te benadrukken (ik deed dat al eerder in het miniatuurtje 'Erop of eronder' -- http://www.neder-l.nl/archieven/miniatuurtjes/961003.html). Als je de zin syntactisch analyseert, heb je het aanmerkelijk gemakkelijker in deze gevallen. Met een goede ontleding kun je namelijk bepalen of het partikel (bv. 'af' in 'ervanaf zijn') bij het voornaamwoordelijk bijwoord hoort of een werkwoordpartikel is. Staat er een los woordje 'er' in de zin, kijk dan naar de functie. De spelling 'er bijhoren' moet fout zijn, omdat 'er' in deze zin geen bijwoordelijke bepaling van plaats kan zijn. Het gaat hier namelijk om 'bij iets horen'. 'Bij' hoort dus bij 'iets' en daarom ook bij 'er'. Dus: 'erbij horen'.

Tot zover alles OK. Nu 'eraan komen'. Dat lijkt een mooi voorbeeld, met didactische potentie. Gaat het hier om het werkwoord 'aankomen' ('arriveren') met plaatsbepaling 'er', spel dan 'er aankomen'. Is echter het werkwoord 'komen' bedoeld, met 'aan iets', spel dan 'eraan komen'. Zelfde verhaal als bij 'erbij horen', maar nu met mooie ambiguïteit.

Ook de volgende stap in deze geschiedenis is voorspelbaar: iemand komt met Van Dale op de proppen, waarin het werkwoord 'aankomen' vermeld staat met als betekenis 'aanraken, betasten' en 'in zijn bezit krijgen'. Natuurlijk repliceer ik dat Van Dale wel kan stellen dat er een overgankelijk werkwoord 'aankomen' bestaat, maar dat je dan toch het lijdend voorwerp 'iets' of 'iemand' zou verwachten. En 'iets aankomen' is geen goede formule, het moet zijn 'aan iets komen'.

Toch zit dit geval me niet lekker. Los van het feit dat het ongemakkelijk is om vanuit een grammaticaal principe tegen de stroom van de praktijk in te roeien, kun je ook een eenvoudig contrast aanleggen tussen een zin als "je moet er niet aan denken" en "je moet er niet aankomen", waar ook ik, moet ik ruiterlijk erkennen, er niet aan zou denken om 'aan' en 'komen' los te spellen. Maar hoe zit dat?

Eerst: hoe moeten we de zin "je moet er niet aankomen" ontleden? Stel dat je 'er' vervangt door 'mijn spullen', dan krijg je "je moet niet aan mijn spullen komen" en het is duidelijk dat 'aan mijn spullen', en dus ook 'er...aan' voorzetselvoorwerp is. Maar waarin verschilt "je moet er niet aankomen" dan van "je moet er niet aan denken"? De intonatie, ja, dat zie ik ook wel, maar hoe komt dat?

Het is bekend dat R-partikels (de 'gestrande' gedeelten van het voornaamwoordelijk bijwoord) de neiging hebben zich tegen het werkwoordelijk eindcluster aan te schurken. Een sprekend voorbeeld hiervan is "het doekje waar we het fornuis schoon mee kunnen maken". Het partikel 'mee' staat op een plaats waar geen hele woordgroep kan staan, getuige de ongrammaticale variant: "omdat we het fornuis schoon met dat doekje kunnen maken". Er zijn binnen de generatieve grammatica drie analyses mogelijk: ofwel het predikaat 'schoon' staat op een vaste positie, en het R-partikel is daaroverheen naar rechts verplaatst, ofwel het R-partikel is gefixeerd, en het predikaat heeft zich naar links bewogen. De derde optie is uiteraard dat beide woorden van hun oorspronkelijke plaats zijn verdwenen, maar ze moeten dan in elk geval oorspronkelijk in één van beide volgordes hebben gestaan.

Eveneens bekend is, dat concurrerende R-partikels en werkwoordpartikels elkaar wel verdragen, maar in een vaste volgorde staan. Zie het voorbeeld: "omdat we er iets in opschrijven" en "omdat we ons ergens op inschrijven". Het laatste partikel is steeds werkwoordpartikel, het eerste is R-partikel.

Deze feiten suggereren op z'n minst, dat de Nederlandse zin een aparte positie kent voor een R-partikel, gevolgd door een positie voor het werkwoordpartikel. Omdat R-partikels schijnbaar kunnen incorporeren in de werkwoordelijke eindgroep kan geconcludeerd worden dat beide posities ook met elkaar in verbinding staan. Een klassieke verplaatsingsanalyse is echter problematisch, omdat deze zou leiden tot een lowering van het R-partikel naar de werkwoordpartikelpositie. Immers, vanuit een ondubbelzinnig voorzetselvoorwerp krijg je een werkwoordpartikel. Dat krijg je nooit voor elkaar door het voorzetsel als onderliggend werkwoordpartikel te beschouwen, en het dan te raisen naar de voorzetselplaats.

Een mogelijke oplossing voor dit verschijnsel lijkt mij het volgende: werkwoorden zoals 'komen' in de 'aanraak-betekenis' hebben een zeer zwakke vorm van een partikel 'aan', die in normale gevallen niet zal overleven in de zin. De zin 'je moet niet aan mijn spullen komen' is dus eigenlijk 'je moet niet aan mijn spullen aankomen', waarin het tweede 'aan' te zwak is om zich te handhaven. Dat wordt dus, met een vorm van 'haplologie', weggelaten. In de zin met voornaamwoordelijk bijwoord krijg je nu 'je moet er niet aan aankomen', waarbij het eerste 'aan' geen klemtoon draagt en het tweede wel. Hierdoor ligt het juist voor de hand om het eerste 'aan' weg te laten.

Nogmaals, dit is echt geen poging om lollig te zijn, ik meen dit serieus. Kan ik nog additionele evidentie aandragen? Misschien wel. Uit een verouderde variant van mijn eigen dialect ken ik nog het verschijnsel dat bij de 'aan-het'-constructie het woordje 'aan' wordt herhaald: 'aan het zwemmen aan zijn', maar in alle eerlijkheid: het betreft hier een ongeaccentueerd 'aan'. En hoe zit het met het bekende 'aan het banket aanzitten'. Bij voornaamwoordelijk bijwoord krijg je hier 'daar zaten we aan aan'. Kan dat nog? Of is dat alleen door de 'gehaktbalconference' van Toon Hermans in leven gehouden?

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]