9907.08 Terug
Vooruit 9907.a
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 9907.09

Date: Fri, 18 Jun 1999 14:54:05 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 9907.09: Linguïstisch Miniatuurtje LXI: De taalkundige mijmert gekkepraat

Linguïstisch Miniatuurtje LXI: De taalkundige mijmert gekkepraat

Het is een wonderlijk verschijnsel dat je je soms iets uit een ver verleden herinnert waar je tegen de achtergrond van je huidige referentiekader heel anders tegenaan blijkt te kijken. Af en toe ervaar je op die manier de meerwaarde van je geestelijke ontwikkeling. Dat klinkt een beetje hoogdravend, maar wat ik bedoel is eenvoudig: (taalkundige) ontwikkeling is ergens goed voor.

Onlangs schoot me na een discussie over de weglaatbaarheid van de woorden 'het' en 'er' in voorlopig-onderwerpconstructies een versregel te binnen uit het gedicht Awater van Martinus Nijhoff: "Lees maar: er staat niet wat er staat. Er staat:", en dan volgt wat er dan wel niet staat(?). Een beroemde versregel, die wel beschouwd wordt als de karakterisering van Nijhoffs gehele poëzie: achter de bedrieglijke eenvoud zit een diepere betekenis. Wat er (letterlijk) staat, is niet datgene wat er (werkelijk) staat, de ware betekenis die de dichter bedoelt.

Ik heb die versregel vroeger altijd met enige argeloosheid geïnterpreteerd. Had ik destijds maar de taalkundige bagage gehad om Nijhoffs aanwijzing op die regel zelf toe te kunnen passen. Want wat stáát daar eigenlijk?

Eerst een beetje ontleding. De voor de hand liggende analyse van de zinsnede "Er staat niet wat er staat" -althans, dat is achteraf gezien de wijze waarop ik de zin steeds gelezen heb- is dat "wat er staat" beschouwd wordt als een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent (tegenwoordig ook wel 'vrije relatief' genoemd) die fungeert als het onderwerp van de zin: "Datgene wat er staat, staat er niet". Nu zie ik echter dat er ook een tweede ontleding is, namelijk om "wat er staat" te beschouwen als een afhankelijke vraagzin, die ook het onderwerp van de zin is. Deze analyse is de enig mogelijke als je een paar modaalpartikels aan de zin toevoegt: "Er staat niet wat er nou eigenlijk staat". Het woordje "wat" is in deze analyse een vraagwoord en geen betrekkelijk voornaamwoord. Je kunt de bijzin nu niet meer parafraseren met "datgene wat er nou eigenlijk staat". Andere voorbeelden van deze constructie zijn: "Er staat niet waarom je dit moet lezen", "Er staat niet hoe te handelen".

Achter de bedrieglijke eenvoud van Nijhoffs versregel zit dus in ieder geval al een taalkundige complexiteit. Correspondeert daarmee ook een betekenisverschil? Uiteraard. In de vrije relatieflezing is er sprake van een paradox: "Wat er staat, staat er niet". Om de paradox op te lossen moet je het eerste "staat" aanvullen tot "geschreven staat" en het tweede parafraseren met "is ... bedoeld". De vraagzinlezing stoelt op dezelfde dubbelzinnigheid van het element "staat", maar is niet paradoxaal: de vraag wat er bedoeld is, staat niet beantwoord in het geschrevene.

Is een van de twee ontledingen taalkundig juister dan de ander? Dat is een moeilijke vraag. Ik denk dat het antwoord erop afhangt van de ontleding van het eerste woordje "er" uit de hoofdzin "Er staat niet ...". Wat is de functie van dat woordje, en waarom moet het er staan?

Eerst de vraagzinlezing. Als "wat er staat" een vraagzin is, dan is het "er" uit de hoofdzin het presentationele "er" (of: het plaatsonderwerp). Dat kan eenvoudig verantwoord worden: subjectzinnen met voegwoord "of" krijgen (meestal) "er", met "dat" krijgen ze (meestal) "het": "Er is nog niet bekend of het zal regenen" tegenover "Het is bekend dat roken de gezondheid schaadt". Afhankelijke vraagzinnen zijn of-zinnen, dus de afhankelijke vraagzin als subject krijgt plaatsonderwerp "er": "Er staat niet of je dit moet lezen", "... hoe je dit moet lezen", "... wat er staat".

Nu de vrije-relatieflezing. Als "wat er staat" een vrije relatief is, wat is "er" in de hoofdzin dan? Ook presentationeel? Maar dat is gek. Want vrije relatieven zijn definiet en krijgen normaliter geen plaatsonderwerp: "Er is vandaag aan de deur geweest wie jou gisteren opgebeld heeft" is fout, evenals: "Er klopt niet wat je zegt". Is "er" dan hier een plaatsbepaling? Maar ook dat is curieus, want de plaatsbepaling "er" kan nooit in zinsinitiële positie voorkomen: "Het regent er nooit" is goed, maar "Er regent het nooit" is fout. "Alles ligt er" is goed, maar "Er ligt alles" is fout. Vervang "er" door "daar" en alle zinnen worden goed. "Er" kan hier dus geen plaatsbepaling zijn.

Er zijn nu twee uitwegen mogelijk: de vrije-relatieflezing is fout (tegenintuïtief), of dat zinsinitiële "er" is toch een plaatsonderwerp. In dat geval is de vraag: hoe is dat gelegitimeerd? Het lijkt me moeilijk om te proberen te argumenteren dat de vrije relatiefzin indefiniet zou zijn. In dat geval zou de lezing moeten worden "iets wat er staat", en dat lijkt me onjuist. Bovendien is de parafrase "Er staat niet hetgeen er staat" ook acceptabel, en "hetgeen" is zeker definiet.

Wellicht zit de oplossing in een verborgen passief. Ik merkte net al op dat je het eerste "staat" in de parafrase zou moeten 'aanvullen' tot "geschreven staat". Maar hoe is de ontleding als we dat doen? Dan staat er: "er staat niet geschreven wat er staat". "Staan" is dan een 'licht' aspectueel hulpwerkwoord dat het hulpwerkwoord van de lijdende vorm "zijn" vervangt (of: overbodig maakt). In dat geval is "er" heel goed verklaarbaar: bij passivisatie van sententiële complementen verschijnt alleen "het" als dat in de actieve variant ook het voorlopig lijdend voorwerp kan zijn: het is "Men haat het dat het regent", dus ook "Het wordt gehaat dat het regent" en niet "Er wordt gehaat dat het regent". Maar het is niet "Men denkt het dat het gaat regenen" en dus ook niet "Het wordt gedacht dat het gaat regenen" maar "Er wordt gedacht dat het gaat regenen".

Vrije relatiefcomplementen kunnen bij passivisatie altijd "het" krijgen: het is "Het wordt gehaat wat daar gebeurt", maar ook "Het wordt niet geloofd wat daar gebeurt". Echter, alleen als de actieve variant géén voorlopig lijdend voorwerp hoeft, kan "er" verschijnen. Dus niet "Er wordt gehaat wat daar gebeurt", maar wel "Er wordt niet geloofd wat daar gebeurt".

Een probleem lijkt nu, waarom je niet kunt hebben "Het staat niet wat er staat". Immers, bij een passief met vrije relatief kun je altijd "het" krijgen. Dat moet volgens mij liggen aan het weggelaten "geschreven". Als je dat toevoegt, kan "het" heel goed. Ik denk dat het zó zit: uit de aanwezigheid van "er" en de vrije relatief kun je het passief afleiden. Daarom kun je alleen in dat geval "geschreven" weglaten. Als je dan ervoor kiest om "geschreven" weg te laten, kun je natuurlijk niet ook nog eens "er" weglaten, want dan is "geschreven" niet meer reconstrueerbaar. Vandaar dat "er" verplicht blijft, ook in niet-initiële positie: "In dat vers staat er niet wat er staat" en niet "In dat vers staat niet wat er staat".

Maar waarom is die vrije-relatieflezing nou zoveel prominenter in dat vers? Is dat omdat Nijhoff iets had met vrije relatieven (hij schreef toch ook: "Wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren")? Dat is mogelijk. Waarschijnlijker is echter dat de aan de vrije relatieflezing gekoppelde paradox een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de poëzielezer uitoefent. Maar misschien heeft Nijhoff dit alles al voorzien, en in de versregel ervóór alvast de bewuste zin gekarakteriseerd.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]