| 9909.27 |
|
|
|
9909.b | Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 9909.28
Date: Sun, 19 Sep 1999 11:16:10 +0200
Linguïstisch Miniatuurtje LXIII: Mooi meegenomenVan de week kocht ik -het is Taalmaand bij diverse boekhandels!- het boekje 'Wat een taal!', dat een bloemlezing bevat uit de ergernissen van bekende taalgebruikers die in de afgelopen 20 jaar als radiocolumn zijn uitgezonden. Uiteraard waren mijn motieven niet gelegen in het vooruitzicht om me eens gezellig met deze coryfeeën mee te gaan ergeren aan allerlei taalverschijnselen, wat ongetwijfeld wel de bedoeling van de uitgever zal zijn geweest, maar ik ben nu eenmaal oprecht geïnteresseerd in de wijze waarop mensen tegen hun taal aankijken. Toch moet ik eerlijk bekennen dat ik me tijdens het lezen ook wel eens geërgerd heb; niet zozeer aan de taalverschijnselen of het feit dat mensen zich daar boos om maken, maar aan de ongenuanceerde zekerheden die mensen aangrijpen om hun ergernis te rechtvaardigen. Hoe kan het toch dat mensen die pleiten voor zorgvuldigheid en aandacht in het taalgebruik, zo onzorgvuldig en klakkeloos zijn in hun argumentatie daarvoor?Ik neem als voorbeeld de ergernis van de Vlaamse schrijver Geert van Istendael. Niet omdat die de ergste is, of buitengewoon exemplarisch, maar omdat ik over deze kwestie toevallig nagedacht heb. Van Istendael ergert zich aan het zijns inziens onjuiste gebruik van het werkwoord 'meenemen' in zinnen als "Ik zal die schroevendraaier zaterdag voor je meenemen". Volgens hem is alleen 'meebrengen' juist in deze context. In zijn eigen woorden: "Als je ergens iets gaat halen en je komt ermee naar mij toe is het bréngen! Als je hier in de kroeg een boek van mij krijgt en je gaat ermee naar huis, dan néém je het mee!" Vervolgens probeert Van Istendael er een Vlaams-Hollandse kwestie van te maken: "Hier in Holland gebruiken jullie 'meenemen' voor allebei, dat is verwarrend! En je vermoordt een nuance van de Nederlandse taal. En bovendien, het is verkeerd." Dit is wat ik bedoel: aan de ene kant pleiten voor nuance, en aan de andere kant de kwestie zwart-wit voorstellen, en meteen "Moordenaar!" roepen. Hoezo genuanceerd? Van Istendael onderbouwt zijn taalkundige analyse met voorbeeldzinnen uit Van Dale. Bij 'meebrengen' staat "Janneke, vergeet niet een woordenboek mee te brengen" ("dus naar de spreker toe", concludeert Van Istendael), en bij 'meenemen': "Wil jij deze brief voor mij meenemen naar de post?" ("dus van de spreker af"). Einde argumentatie. QED. Afgezien van de twijfelachtige strategie om uit het woordenboek incidentele voorbeeldzinnen te citeren in plaats van de omschrijvingen (bij 'meenemen' staat ook "ik heb niet genoeg geld meegenomen", bepaald niet van de spreker af?), lijkt me deze voorstelling van zaken te eenvoudig. Ik zou bijna zeggen: ze vermoordt de nuance in de Nederlandse taal. Maar hoe zit het dan met dat verschil tussen 'meebrengen' en 'meenemen'? Allereerst moeten we constateren dat 'meebrengen' niet altijd gebruikt wordt voor een beweging "naar de spreker toe". Als Janneke uit het voorbeeld van Van Dale (overigens is Janneke in de latere drukken wegbezuinigd) van te voren opbelt, moet ze volgens Van Istendael zeggen "Ik breng dat woordenboek morgen voor je mee". Maar de weg die ze moet afleggen is juist naar de aangesprokene toe, en niet naar de plaats waar zijzelf, als spreker, zich bevindt. 'Meenemen' en 'meebrengen' zijn allebei werkwoorden die een beweging uitdrukken van de ene plek naar de andere. Zo'n traject kent dus ten minste twee referentiepunten: het vertrekpunt en het eindpunt. Het verschil tussen de werkwoorden is in elk geval dat 'meebrengen' de beweging vanuit het perspectief van het eindpunt beschrijft, en 'meenemen' vanuit het beginpunt. Dat kan als volgt aangetoond worden: Janneke kan niet zeggen "Ik heb dat woordenboek voor je meegebracht maar ik ben het onderweg kwijtgeraakt", maar wel "Ik heb dat woordenboek voor je meegenomen maar ik ben het onderweg kwijtgeraakt". 'Meebrengen' veronderstelt dat het eindpunt bereikt wordt, 'meenemen' zegt alleen dat het vertrekpunt verlaten is. Daarnaast legt 'meebrengen' nog een extra beperking op aan het eindpunt: de uitspraak "Ik breng dat woordenboek morgen mee naar school" impliceert dat zowel de spreker als de aangesprokene zich daar zullen bevinden. Een uitspraak als "Ik neem dat woordenboek morgen mee naar school" veronderstelt alleen dat de spreker (eigenlijk: de handelende persoon) morgen op de school zal zijn, maar laat de plaats van de aangesprokene in het midden. Met deze constateringen zou het gebruik van 'meebrengen' of 'meenemen' bij een voltooid traject naar de aangesprokene toe een kwestie van smaak zijn: in dat geval is immers het vertrekpunt verlaten, én het eindpunt is bereikt. Maar wellicht impliceert 'meebrengen' iets met betrekking tot het beginpunt, en -belangrijk voor de ergernis!- zegt 'meenemen' iets met betrekking tot het eindpunt. Er zijn geen aanwijzingen dat 'meebrengen' nadere beperkingen oplegt aan het beginpunt. Als je iets meebrengt, dan doet het er niet toe waarvandaan. Sterker nog, het onpersoonlijke gebruik van 'meebrengen' ("dat brengt met zich mee dat...") zou je kunnen zien als een ontwikkeling met een onbekend beginpunt. En hoe zit het met 'meenemen'? Dat is volledig analoog: "Ik neem het mee, maar ik weet nog niet waarnaartoe" is een heel normale uitspraak. Met andere woorden, 'meenemen' legt juist geen beperkingen op aan het eindpunt. Is hiermee Van Istendaels ergernis onterecht? Niet noodzakelijk. Zijn rationalisatie is weerlegd, maar het taalgevoel dient gerespecteerd, en ook verklaard. Er zijn ongetwijfeld meer Nederlanders (vast niet alleen Vlamingen) die deze intuïtie hebben, dus er moet iets achter zitten. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat taalgebruikers 'meenemen' tóch beschouwen als een werkwoord dat aan het eindpunt nadere beperkingen oplegt. Dat lijkt me echter niet waarschijnlijk. Hoe zouden deze taalgebruikers dan moeten uitdrukken dat ze iets meegenomen hebben en het onderweg kwijtgeraakt zijn? Het meest waarschijnlijk lijkt me de verklaring dat mensen het als storend ervaren dat 'meenemen' in het midden laat of het eindpunt bereikt wordt. Wil de spreker soms een slag om de arm houden? "Ik zal het meenemen maar ik weet nog niet zeker of jij van het resultaat getuige zult zijn". Hiermee zou de ergernis behoren tot de algemene weerzin tegen "vaagheden in de taal". Maar hoe moet het verschijnsel dan gezien worden vanuit de meenemen-zeggers? Zijn ze inderdaad met opzet (of, nog erger: uit gemakzucht!) vaag en onduidelijk? Ik geloof er niets van. De keuze van de spreker voor het werkwoord 'meenemen' lijkt me zuiver een kwestie van perspectief. De spreker stelt zich de situatie aan het vertrekpunt voor, waar hij iets meeneemt met het doel om dat naar een plaats te brengen waar spreker en aangesprokene beiden aanwezig zullen zijn. Als die doellocatie in de context duidelijk is, zou je het gebruik van 'meenemen', dat de beginlocatie naar voren haalt, juist preciezer kunnen noemen dan het vage 'meebrengen' waarmee je in het midden laat waar je iets vandaan haalt. Deze analyse heeft nog één klein staartje: in Van Dale staat bij de omschrijving van 'meenemen' vermeld: "soms wordt 'meenemen' gebruikt (eig. onjuist) voor meebrengen, t.w. als gekochte waar". Ik heb daar lang over nagedacht, maar ik kom er niet uit. Wat betekent dat? Ik begrijp dat Van Dale hier iets wil registreren en tegelijkertijd afkeuren, maar wat precies, en op wiens gezag? Uit de omschrijvingen van 'meenemen' en 'meebrengen' blijkt niet waarom je bij 'gekochte waar' wél 'meebrengen' maar geen 'meenemen' zou kunnen gebruiken. Misschien dat dat in de nieuwe druk veranderd is. Vanmiddag ga ik naar de stad. Als die nieuwe druk er is, en Janneke is me niet voor geweest, dan zeg ik "Die neem ik!". En dan betaal ik, en dan neem ik de gekochte waar onmiddellijk mee naar huis (eig. onjuist). Peter-Arno Coppen
|