9910.29 Terug
Vooruit 9910.b
Vorig Miniatuurtje Terug
Vooruit Volgend Miniatuurtje

Col: 9910.30

Date: Thu, 14 Oct 1999 10:33:22 +0200
From: Peter-Arno Coppen <P.A.Coppen@let.kun.nl>
Subject: Col: 9910.30: Linguïstisch Miniatuurtje LXIV: Hematocriet en graadaanduiding

Linguïstisch Miniatuurtje LXIV: Hematocriet en graadaanduiding

Van sommige taalobservaties kun je pas echt genieten als je met enige kennis van zaken over de oorzaken kunt speculeren. Het ontbreken van die kennis in brede lagen van de bevolking lijkt me een belangrijke factor bij veel taalergernissen. Zonder achtergrondkennis verwordt een interessant taalfeitje al snel tot een anomalie, een uitwas in de taal die uitgeroeid moet worden voordat hij voortwoekert.

Een mooi voorbeeld van dit verschijnsel is de MU-column van Jan Mulder op de voorpagina van de Volkskrant van 12 oktober 1999. Mulder, die overigens met enige regelmaat taalobservaties aan de orde stelt, citeert uit een interview met de wielrenner Erik Dekker. Deze heeft net een startverbod gekregen voor het WK wielrennen vanwege een te hoge hematocrietwaarde, en hij wordt op het vliegveld aangeschoten door een journalist die hem vraagt wat de uitslag van de controle betekent. Dekker antwoordt laconiek: 'dat ik ongezond ben om te fietsen'.

Nou hoor ik Mulder denken: 'Er klopt iets niet aan die zin, maar wat?'. Hij schrijft echter: 'Deze raadselachtige zin bleef door mijn hoofd gaan. Mij is geleerd dat fietsen gezond is, lekker met de neus in de wind de dagelijkse spanningen van je af rijden, van je polsen en de bloeiende hei genieten.' En in de volgende alinea: 'Het wielrennen begint me langs de onvermoede weg van de taal te ontglippen'. Vervolgens ontspoort de column helaas in ironie met betrekking tot het woordgebruik in wielerkringen.

Het is interessant om te zien wat hier gebeurt: Mulder merkt een syntactisch eigenaardigheidje op, maar hij is niet in staat om dat als zodanig te duiden. In plaats daarvan vlucht hij het betekenisveld in onder het motto: als het gek klinkt zal het wel iets met betekenis te maken hebben. En dan volgt de associatie: wat óók gek is, is dat die wielerjongens zulke gekke woorden gebruiken. Dus neemt Mulder het woordgebruik op de hak, en is het verhaal afgerond (ja zo'n column mag niet langer dan 200 woorden zijn).

Ondertussen is die associatie natuurlijk volledig misplaatst: ook al is het zo dat wielrenners er een apart woordgebruik op na houden, dit kan nooit de oorzaak zijn van het vreemd klinken van de zinsnede 'dat ik ongezond ben om te fietsen'. Op het woordgebruik in deze passage is immers niets aan te merken, er staat geen enkel vreemd woord in.

Ook Mulders eerste gedachte, dat 'dat ik ongezond ben om te fietsen' gek klinkt vanwege de combinatie 'ongezond' en 'fietsen', is bij nadere beschouwing onzin: als een wielrenner bijvoorbeeld na een lange herstelperiode meldt 'Ik ben weer gezond om te fietsen', dan klinkt dat even eigenaardig, terwijl nu juist de begrippen 'gezond' en 'fietsen' worden gecombineerd. Kortom, woordkeus noch betekenis kunnen de oorzaak zijn van de eigenaardigheid van deze zin.

Maar wat is er dan wel aan de hand? Laten we daartoe de zin 'Ik ben ongezond om te fietsen' eens aan een syntactische beschouwing onderwerpen. Het bijzondere element in de zin is dan de beknopte bijzin 'om te fietsen'. En de eerste vraag is: waar hoort die bijzin bij? Is het een losse bijwoordelijke bepaling, of hoort hij bij het woord 'ongezond'?

De eerste mogelijkheid valt al snel af: beknopte bijzinnen die als losse bijwoordelijke bepalingen aan het einde van een zin worden toegevoegd, hebben in eerste instantie een doelbetekenis: 'Hij liep naar de deur om deze open te doen'. In deze gevallen kan 'om' vervangen worden door het ouderwetse 'teneinde'. Daarnaast bestaan er voorbeelden met een zogeheten 'prospectieve' betekenis, zoals in 'Hij liep naar de deur, om vervolgens onverrichter zake terug te keren', die om onbegrijpelijke redenen door sommige taalgebruikers worden afgekeurd. Geen van deze twee betekenissen komt echter in aanmerking voor ons voorbeeld.

De beknopte bijzin hoort dus bij 'ongezond'. Maar wat voor functie kan hij daarbij hebben? Het is in elk geval geen objectszin, zoals in 'bang om te vallen'. Een adjectief als 'bang' vraagt om een prepositioneel object ('voor iets'), dat eventueel als een beknopte bijzin kan worden uitgedrukt. Het adjectief 'ongezond' echter heeft geen thematische aanvulling. Je bent ongezond, punt. Niet 'ongezond voor iets'.

De enige lezing die past bij de zin 'Ik ben ongezond om te fietsen' is om het tegengestelde van de bijzin te beschouwen als het gevolg van de gezondheidstoestand: Dekker is ongezond, met als gevolg dat hij niet kan (of: mag) fietsen. Bij deze betekenis past volgens mij alleen de syntactische constructie van graadaanduidend gevolg.

Bijzinnen van graadaanduidend gevolg sluiten altijd aan op een graadaanduidend woord. Zo heb je de finiete bijzinnen 'Ik ben zo ongezond dat ik niet mag fietsen', en de infiniete 'Ik ben ongezond genoeg om niet te mogen fietsen' of 'Ik ben te ongezond om te fietsen'. Opvallend bij die laatste is het ontbreken van de negatie in de bijzin. Het is verleidelijk om aan te nemen dat die negatie versleuteld zit in het woordje 'ongezond', maar dat is niet juist: de zin 'Ik ben te gezond om te fietsen' betekent ook dat je gezondheidstoestand aanleiding geeft om niet te fietsen.

Hiermee hebben we zeer waarschijnlijk verklaard waarom Mulder die zin 'Ik ben ongezond om te fietsen' vreemd vindt klinken: de graadaanduidend-gevolglezing met negatie vereist het graadaanduidende 'te', en dat staat er niet. Had Dekker gezegd 'Ik ben te ongezond om te fietsen', dan was er niets aan de hand geweest en had Mulder waarschijnlijk niets opgemerkt.

Goed. Maar nu de vraag: waarom heeft Dekker dat dan niet gewoon gezegd? Waarom laat Dekker het woordje 'te' weg? Daar kunnen we natuurlijk heerlijk over speculeren in de trant van 'dat klinkt te negatief; daarmee is gesuggereerd dat Dekker al ongezond was en nu nog ongezonder is, zelfs te ongezond om te fietsen; Dekker wil het positiever brengen en daarom laat hij dat woordje weg'. Al deze 'verklaringen' mogen hout snijden, maar ze werpen geen licht op de vraag waarom Dekker de constructie zonder 'te' acceptabel genoeg vindt, en tevens op de daarbij aansluitende vraag: waarom vinden wij die zin niet radicaal fout?

Ik denk dat Dekker bij het maken van die zin juist niet denkt aan de graadaanduidend-gevolglezing, maar dat hij het woord 'ongezond' gebruikt naar analogie van 'ongeschikt'. Een voorbeeld van een constructie met 'ongeschikt' en beknopte bijzin is 'Dat boek is ongeschikt om te lezen'. Zo op het eerste oog lijkt dit een totaal andere constructie omdat het onderwerp uit de hoofdzin het lijdend voorwerp is in de bijzin, terwijl in 'Ik ben ongezond om te fietsen' het onderwerp uit de hoofdzin ook als onderwerp in de bijzin begrepen moet worden. Maar de constructie met 'ongeschikt' heeft wel enige flexibiliteit. Als het werkwoord in de bijzin geen actiewerkwoord is (bijvoorbeeld in een passiefconstructie), is er niets aan de hand: 'Dit boek is ongeschikt om door kinderen gelezen te worden' of 'Hij is ongeschikt om mij te vermaken'. Er bestaat volgens mij een vaste uitdrukking 'ongeschikt om te werken', maar hoe langer ik daarover nadenk, hoe vreemder dat wordt. Hoe dan ook, de constructie 'ongeschikt om te fietsen' klinkt naar mijn mening ook vreemd omdat 'fietsen' een actiewerkwoord is.

Om deze constructie te legitimeren moet de bijzin echter wel als object bij het adjectief worden begrepen. '(On)geschikt om te fietsen' is dan '(on)geschikt voor sport'. Op dezelfde manier moet dan '(on)gezond om te fietsen' gelezen worden als '(on)gezond voor sport'. Dat is geen standaardnederlands, maar in de wereld van dopingcontroles waarin een gezondheidsverklaring ook een geschiktheidsverklaring vormt voor wedstrijdsport kan ik me dat heel goed voorstellen.

Daarmee is zowel Dekkers keuze als Mulders verbazing verklaard. Het grappige is dat het een syntactische eigenaardigheid betreft, die uiteindelijk toch weer op de lexicale eigenschappen van het woord 'ongezond' terug te voeren is. Gaat het toch nog om afwijkend woordgebruik.

O ja: laat niemand me nu vertellen dat Dekker hier een 'leenvertaling' uit het Engels gebruikt ('fit to ...'), of misschien uit het Frans ('inapte á ...'). Zelfs als dat zo zou zijn, kan het nooit de verklaring vormen voor Mulders verbazing of onze eigen beoordeling van de Nederlandse zin.

Peter-Arno Coppen


[Dit nummer][Alle Miniatuurtjes]