|
Col: 9911.32
Date: Thu, 18 Nov 1999 23:51:16 +0100
From: Willem Kuiper <Willem.Kuiper@hum.uva.nl>
Subject: Col: 9911.32: Column Willem Kuiper, no. 45:
Een lyoen
rampant, van kelen root
Column Willem Kuiper, no. 45:
Een lyoen rampant, van kelen root
Uit mijn kinderjaren herinner ik mij een verhaal dat met dodelijke
ernst en heel geheimzinnig verteld werd, en dat zoals de meeste
verhalen uit die tijd over de Oorlog ging. Er zou een geheim agent
boven Holland gedropt worden, en omdat het zo'n belangrijke missie was,
werd er niets aan het toeval overgelaten. De man kreeg niet alleen een
parachute op zijn rug, maar ook een reserveparachute op zijn borst.
Beneden zou er een fiets klaar staan, waarmee hij zich naar de
afgesproken plek moest begeven. Het vliegtuig bereikt de dropping zone,
de man springt uit het toestel, trekt aan het koord van zijn
rugparachute, maar er gebeurt niets. Geeft niet, denkt de man, en trekt
aan het koord van zijn borstparachute. Weer gebeurt er niets. Nou,
denkt die man bij zichzelf: dan zal die fiets er ook wel niet staan!
De nou-dan-redenering is een gevaarlijke,
vraag maar aan koning Nobel. Is hij bijna van Reinaert af - daar staat
hij onder galg, strop om zijn hals, hij moet alleen nog opgehangen
worden - vraagt die vos of hij zijn zonden publiekelijk mag
opbiechten... Was het nieuwsgierigheid, misplaatst gevoel voor drama,
of meende Nobel dat de biecht van de vos het door hem uitgesproken
doodvonnis alleen maar kon rechtvaardigen? En dan begint Reinaert
temidden van pikante bekentenissen quasi terloops over een verborgen
schat te praten, en koning Nobel is opeens klaar wakker. Niet omdat
hij, zoals elke vorst, gek op geld is, maar omdat een schat gelijk
staat aan een potentiële staatsgreep: voor geld is iedereen te
koop. Om dat gevaar in de kiem te smoren, dient die schat te worden
opgespoord, en wel zo spoedig mogelijk!
Nu Reinaert tuk heeft, hoeft hij alleen nog
maar te bewijzen dat hij weet wáár die schat verborgen
is. En dat doet hij door hem begraven te laten zijn op een onmogelijke
plek: "een borne heet krieke pit" (A 2578). De list slaagt, omdat de
haas Cuwaert, die Reinaerts tanden nog in zijn nek heeft staan, en dus
geen enkele reden heeft Reinaert te helpen, niet alleen het bestaan van
deze locus horribilis bevestigt, maar zich tevens laat ontvallen dat
dit het Sodom en Gomorra van Vlaanderen is. Nou, denkt Nobel, dan zal
die schat er ook wel liggen.
In het vierde boek van Jacob van Maerlants Alexanders geesten
maakt Alexander zich op om de strijd aan te binden met het leger van de
grote koning Dares:
-
- Men blies een busine saen
- 1610
- Dat men ten wapen soude vaen.
-
- Sijns selfs lichame heeft hi bewaert.
-
- Mettien sat hi up sijn paert,
-
- Dat rijkelike ors Bucifal,
-
- Het was weert der werelt al.
- 1615
- Doe hinc hi an hem sinen scilt,
-
- Daer hi doe vor die tente hilt,
-
- Daer stont in een lyoen rampant
-
- Van kelen root, alst ware een brant;
-
- Anders was die scilt van goude.
Een gouden schild met daarop een rode klimmende leeuw, is dat niet het
schild van de graven van Holland? Maar als dat zo is, dan is
Alexanders geesten geschreven voor de gravin van Holland!
Jacob deelt ons namelijk mee dat hij dit boek aan een vrouw opdraagt,
die hij conform de hoofse poëtica verhullend omschrijft als "die
scone die mi peisen doet" (IV, 1720) en wier naam hij in de beginletters
van de boeken verborgen heeft (X, 1516-1520):
-
- Die wille weten hare name,
-
- Ic segge hem, waer hise mach souken:
-
- Die eerste littere van ses bouken
-
- Seggen hare name, min no mee,
- 1520
- Beginnet hi ter eerster G.
Dat gepuzzel met letters en boeken heeft Jacob overigens niet zelf
bedacht, maar rechtstreeks overgenomen uit zijn bron, de
Alexandreis, sive Gesta Alexandri Magni van Gautier de
Lille, alias Gaulterus de Castillione (Rijssel 1135 - Amiens 1200?), die
de naam van zijn destinaris, Guillermus, aartsbisschop van Reims,
uitsmeerde over de beginletters van tien boeken.
Misschien had Jacob er achteraf
beter aan gedaan het aantal boeken terug te snoeien tot zes. Nu worden
wij geconfronteerd met een op het eerste gezicht onbegrijpelijk
acrostichon: GHTILEHIDA.
Maar de filologie zou de filologie
niet zijn als hier niet iets op gevonden kon worden, en dus kwam
Johannes Franck, die de tekst in 1882 opnieuw en ditmaal kritisch
editeerde, met een simpele emendatie: hij veranderde de T in een E en
kreeg de "goed germaanschen naam GHEILE [...], zoo mogen wij ook
niet twijfelen, of deze naam is de juiste." Je moet maar durven. Volgens
Franck zal Jacob ooit 'Eer' geschreven hebben - wat weliswaar de
gewenste E oplevert, maar mijns inziens slecht past bij hoe Jacob het
woord 'eer' gebruikt, namelijk in de betekenis van 'voordat'.
Soms vraag ik mij wel eens af of de kopiist van het enig bewaard
gebleven handschrift na het neerpennen van die epiloog zijn afschrift
heeft gecontroleerd op haren name. Maar zo hij dat al gedaan heeft, en
zich gerealiseerd dat zijn initialen geen leesbare naam opleveren, dan
heeft hij geen corrigerende actie ondernomen. Misschien omdat de
katernen al naar de rubricator waren. Misschien omdat de beginletters
deel uitmaken van de decoratie van de codex, en dus niet of heel moeilijk
verbeterd konden worden. Misschien omdat het hem - bijna 150 jaar later
en nog meer kilometers verderop - in het geheel niet interesseerde wie
daarmee werd bedoeld.
De meest vernuftige redenering is die van de historicus H.C. Peeters die
de eerste zes letters GHTILE interpreteert als Machtilde, de doopnaam
van Machtilde van Brabant (gest. 1267), echtgenote van graaf Florens IV
(1210-1234) en grootmoeder van Florens V. (H)IDA zou op haar dochter
Aleida (ca. 1230-1284) slaan. Eén acrostichon met twee vrouwen,
waarbij Peeters zich niet uitlaat over de vraag wie van beiden nou die
scone is die hem peisen doet...
De vigerende interpretatie is die van
Frits van Oostrom, die in Maerlants wereld op ongeveer
dezelfde manier als waarop Alexander de knoop te Gordium ontwarde het
letterraadsel oploste door er een anagram van te maken: hij haalde er de
zes letters uit die hij nodig had voor machtigste vrouw in Holland ten
tijde van het schrijven van Alexanders geesten: ALEIDE.
Dit lijkt in overeenstemming met:
- 1518
- Die eerste littere van ses bouken
wat - zoals het er staat - inderdaad anagrammatisch begrepen zou kunnen
worden als de beginletters van zes (willekeurige) boeken, maar zo doende
wordt wél Jacobs vingerwijzing:
- 1520
- Beginnet hi ter eerster G.
in de wind geslagen. Die vingerwijzing is niet overbodig, omdat
Alexanders geesten een tweeledige proloog kent, een
prologus praeter rem (buiten de tekst om) die met een H begint:
- 1
- Het es costume ende sede
en een prologus ante rem (voorafgaand aan de tekst) die met een G
begint:
- 31
- Gode geesten ende sagen
De sleutel in regel X, 1520 moet de lezer ervoor behoeden
niet met de initiaal H te beginnen, maar met de lombarde G.
Dat staat haaks op de anagram-oplossing,
die onmogelijk door de Alexandreis kan zijn
aangereikt - want daarin staan de letters in de juiste volgorde - en die mij
ook anachronistisch voorkomt. Dat middeleeuwers met acrostichons
overweg konden, weet ik, maar wanneer het eclectisch anagram zijn
intrede deed, is mij niet bekend.
Dit alles nog los van de vraag hoe
groot de kans is dat een pas afgestudeerde scholier uit Brugge, die zich
in zijn eersteling tweemaal Jacob noemt, zonder verdere toenaam, kon
doordringen in het francofone wereldje waarmee de Avesnes-weduwe
zich omgaf...
De oplossing van het acrostichon
GHTILEHIDA maakt deel uit van een nou-dan-redenering, waarbij als
vaststaand wordt aangenomen dat het schild dwingend wijst in de richting
van een Hollands maecenaat.
Hoogste tijd om eens op de onvolprezen cd-rom
Middelnederlands te zoeken naar rampante leeuwen, bij voorkeur
rood van keel op een schild van goud. Het resultaat is 11 vindplaatsen in
8 rijmteksten, waaronder een Karelepisch fragment dat Kalff destijds
editeerde als Doon de Mayence:
-
- So dede sijn sone, die grave Roelant,
-
- Die welke was een ridder rene,
-
- Den roden leeu eist dat ic mene,
- 350
- Die int gout stoet rampant;
De rode leeuw rampant op een veld van goud is niet alleen het schild van
de graven van Holland, maar ook van Karel de Grotes lievelingsneef
Roelant!
Hoe bekend was Roelants schild en
waar komt het vandaan? In elk geval bekend genoeg om ook afgebeeld te
worden in het vroegveertiende-eeuwse 'Haagse' handschrift van Jacobs
Spiegel historiael, volgens recente inzichten vermoedelijk te
Gent geschreven in opdracht van het geslacht van Gavere (gelegen aan de
Schelde, tussen Gent en Oudenaarde), dat het vanaf 1279 (met een zwarte
kartelrand ter onderscheid) als het hunne voerden, en zich erop
beroemden dat een verre voorouder dat te Roncesvalles uit handen van
Roelant zelf ontvangen had.
[afbeelding hs. Akad. XX, fol. 213 verso]
Kortom, er kan alleen maar sprake zijn van een heraldiek Pavlov-effect:
rode leeuw rampant op een gouden schild dus het grafelijk huis van
Holland, als vast zou staan dat Alexanders geesten inderdaad
voor een Hollandse opdrachtgeefster geschreven werd. Zo niet, dan sluit
Jacob zich aan bij de grote bewondering die Roelant in die tijd ten deel
viel, en die zich in Vlaanderen rond het geslacht van Gavere lijkt te
concentreren.
wordt vervolgd
literatuuropgave:
- Jos A.A.M. Biemans, Onsen Speghele Ystoriale in
Vlaemsche. Codicologisch onderzoek naar de overlevering van de Spiegel
historiael [...]. 2 dln. Leuven 1997
- Cd-rom Middelnederlands. Den Haag 1998.
- Johannes Franck (ed.), Alexanders geesten, van Jacob van
Maerlant. Groningen, 1882.
- Jozef Janssens en Martine Meuwese, Jacob van Maerlant.
Spiegel Historiael. De miniaturen uit het handschrift Den Haag,
Koninklijke Bibliotheek, KA XX. Leuven 1997.
- G. Kalff, Middelnederlandsche epische fragmenten.
Groningen 1885.
- Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, deel IX.
Gent 1977.
- Rita Lejeune en Jacques Stiennon, De Roelandsage in de
middeleeuwse kunst. 2 dln. Brussel 1966.
- Frits van Oostrom, 'Tussenrapport over een oude kwestie: de
dame achter Maerlants Alexanders geesten', in: J. Cajot e.a.
(ed.), Lingua theodisca. Beiträge zur Sprach- und
Literaturwissenschaft. Jan Goossens zum 65. Geburtstag.
Münster 1995.
- Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Amsterdam
1996.
- H.C. Peeters, 'Nieuwe inzichten in de Maerlantproblematiek', in:
Handelingen Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal-
en Letterkunde en Geschiedenis. 18 (1964).
|