9912.17 Terug
Vooruit 9912.19

Rec: 9912.18

Date: Tue, 21 Dec 1999 11:57:49 +0200
From: Marc van Oostendorp <Marc.van.Oostendorp@Meertens.knaw.nl>
Subject: Rec: 9912.18: Chomsky uitleggen; recensie door Marc van Oostendorp van drie boeken (van James McGilvray, Neil Smith en Juan Uriagereka) over het werk van Noam Chomsky

Chomsky uitleggen

Recensie door Marc van Oostendorp van:
James McGilvray. Chomsky. Language, Mind and Politics. Cambridge (UK): Polity Press, 1999. ISBN 0-7456-1887-1
Neil Smith. Chomsky. Ideas and Ideals. Cambridge (UK): Cambridge University Press, 1999. ISBN 0-521-47517-1 (hardback), 0-521-47570-8 (paperback)
Juan Uriagereka. Rhyme and Reason. An Introduction to Minimalist Syntax. Cambridge (Mass.), 1998. ISBN 0-262-21014-2.
Ik weet niet of het toeval is, maar in de loop van dit jaar zijn er drie mooie boeken verschenen die het werk van Noam Chomsky uitleggen voor een publiek van niet-specialisten.

In sommige opzichten lijken die boeken op elkaar, bijvoorbeeld als het gaat om het voorwoord. "My greatest intellectual debt [...]", schrijft de Canadese filosoof James McGilvray, "is to Noam Chomsky. He read and critically commented on a draft of this book, and over the last few years has generously corresponded with me and set aside time to discuss a wide range of philosophical and linguistic issues." De Britse taalkundige Neil Smith schrijft: "My greatest debt, both intellectual and personal, is to Noam Chomsky. [...] [H]e has made time over the years to talk and correspond with me [...]. Most recently, when I sent him the pre-final version of the manuscript, he replied with some sixty pages of comments and suggestions." En de Baskisch-Amerikaanse syntacticus Juan Uriagereka zegt: "The most detailed comments on this book were provided by Noam Chomsky; his generous advice and support simply cannot be adequately recognized."

Chomsky heeft er zijn handen vol aan gehad, denkt de lezer argeloos als hij drie voorwoorden achter elkaar leest - tot hij beseft dat Chomsky zelf in de tussentijd ook nog twee boeken over politiek geschreven heeft en werkte aan een taalkundige studie. Bovendien blijven er ook genoeg verschillen tussen deze drie boeken.

Zo hebben ze alle drie een duidelijk andere invalshoek en een andere doelgroep. McGilvray richt zich vooral op lezers met een filosofische belangstelling, een doelgroep die volgens hem tot nu toe slecht bediend was. Hij probeert een soort algemeen-Chomskyaans wereldbeeld te reconstrueren uit het taalkundig en het politieke werk en dit wereldbeeld vervolgens in een aantal filosofische tradities te plaatsen. De technische details van de taalkundige analyse interesseren McGilvray duidelijk minder. Hij geeft alleen een heel algemene en ruwe schets van het minimalisme, de nieuwe theorie die Chomsky in de jaren negentig ontwikkeld heeft. Concrete analyses van echte zinnen komen daarbij zelfs nauwelijks aan de orde, zodat de niet-taalkundige lezer zich volgens mij na lezing van Language, Mind and Politics nauwelijks kan voorstellen waartoe het allemaal nu eigenlijk dient. McGilvray zegt wel de hele tijd dat Chomsky van de taalkunde een echte harde natuurwetenschap ('science') heeft gemaakt, die wiskundig is en met mathematische precisie. Maar als die harde wetenschap alleen lijkt op te leveren dat je de woorden Wanda, watch, the en river aaneen kunt rijgen tot de zin Wanda watch the river (die op deze manier nog niet eens grammaticaal is), begint een beetje geïnteresseerde lezer zich toch al snel achter de oren te krabben.

Zo'n lezer kan beter beginnen aan Rhyme and Reason van Uriagereka, een kolossaal boek dat het minimalisme uitlegt aan de ontwikkelde lezer met een redelijke achtergrond in de moderne wetenschap (laten we zeggen, de gemiddelde lezer van Scientific American). Ook dit boek bevat wat passages waarin luid wordt getrompetterd over het natuurwetenschappelijke karakter van de methodologie van de generatieve grammatica, maar wie zich daar doorheen gewerkt heeft, krijgt vervolgens wel degelijk allerlei interessante analyses te lezen van taalkundige verschijnselen waarover hij nooit eerder had nagedacht ‹dat je wel there is a child crying kunt zeggen, maar niet there is the child crying. Wie dit boek helemaal heeft doorgenomen heeft geloof ik een aardig inzicht in het minimalisme (in ieder geval in de versie van 1995, met wat eigen uitbreidingen van Uriagereka zelf). Aan de andere kant is Rhyme and Reason niet echt een inleiding in de denkwereld van Chomsky. Het behandelt alleen zijn syntaxis, en ten dele de wetenschapsopvatting, maar doet zelfs dat zonder directe verwijzing naar zijn persoon. Het boek is geschreven als een socratische dialoog tussen een figuur die de Ander genoemd wordt en waarschijnlijk een soort natuurkundige is, en een figuur die de Taalkundige genoemd wordt, die langs de oever van de Charles-rivier wandelt, de rivier waaraan het Massachusetts Institute of Technology ligt, waar Chomsky al zo ongeveer zijn hele leven werkt. Maar de politieke en andere gedachten van Chomsky komen op deze manier natuurlijk niet aan de orde; dat is zelfs niet de bedoeling van dit boek.

Wie een algemene inleiding in al Chomsky's werk wil lezen, kan het best beginnen aan Ideas and Ideals. Smith heeft bijna hetzelfde doel gehad als McGilvray, maar hij heeft het wat minder uitgebreid over de algemene filosofische principes en gaat in stede daarvan veel uitgebreider in op de taalkunde; hij geeft natuurlijk niet zo'n compleet overzicht als Uriagereka, maar in ieder geval wel een paar interessante inkijkjes in wat de generatief taalkundige interesseert. Een aardig detail is overigens dat McGilvray een aanbeveling op de kaft van Ideas and Ideals heeft geschreven: "Neil Smith's book is a sympathetically personal and academically astute introduction to important themes in Chomsky's linguistic and political work." Dat is nog een adequate karakterisering ook. Van alle drie de boeken is Smith het persoonlijkst, maar dan wel zonder dat dit opdringerig is, of de objectiviteit schaadt. Integendeel, waar je vooral bij McGilvray weleens het gevoel krijgt dat hij zich wel heel erg tot spreekbuis van zijn onderwerp heeft gemaakt, houdt Smith op deze manier enige afstand. Smith haalt er ook (net als Uriagereka) expliciet zijn eigen werk of dat van zijn collega's in Londen bij.

Prettig is dat alle drie de boeken redelijk tot zeer goed geschreven zijn. McGilvray is het vlakst en het abstractst, maar dat komt natuurlijk vooral ook doordat hij met name over de filosofische aspecten schrijft. Soms glibbert hij in ieder geval een beetje weg over zijn eigen geleerdheid. Hij schrijft dan bijvoorbeeld: "the child typically begins to produce grammatically correct ('well-formed' is problematic, because philospohers give it an inappropriate use; 'non-crashing' is best) expressions immediately". Die zin is lelijk, en wat er nu fout is aan de manier waarop filosofen het woord welgevormd gebruiken, wordt mij niet duidelijk. Zoals het iemand die het minimalisme alleen kent uit dit boek niet duidelijk zal worden wat er nu zo geweldig goed is aan het weinig fraaie, en buiten het jargon onbegrijpelijke, woord niet-crashend. Meestal onthoudt McGilvray zich echter van dit soort tussendoortjes en geeft hij heldere uitleg.

De uomo universale Uriagereka is het merkwaardigst. Zijn 669 bladzijden dikke boek maakt een exuberante indruk. Niet alleen is het geschreven als een socratische dialoog tussen twee fictieve personages, bovendien wordt het boek geïllustreerd met cartoons, foto's, wiskundige figuren, enzovoort. Als motto is gekozen voor een oud Galicisch raadsel. Dat min of meer artistieke aspect spreekt deze recensent wat minder aan; de titel, Rhyme and Reason, klinkt bijvoorbeeld wel erg mooi voor een inleiding in de taalkunde, maar rhyme noch reason worden echt behandeld en uiteindelijk is die titel dan ook niet erg van toepassing. Zoals ik ook de min of meer fictionele aspecten van de dialogen niet altijd even interessant vond:

""Wait!"
"What?!" the Other was able to say.
"You haven't told me who you are!"
Then there was silence. [...] But it was getting late and cold - and he could feel it.

So he just chose an optimal path to walk on, by the dark river.""

Dat optimale pad is een woordgrapje - in de zojuist uitgelegde theorie wordt verkondigd dat woorden in de afleiding van een zin verplaatst kunnen worden volgens zulke paden - maar de relevantie van de mededelingen over het weer voor het gebodene is bijna even gering als hun esthethische aantrekkingskracht.

De beste schrijver van de drie is Neil Smith, zoals iedereen natuurlijk al wist die zijn eerdere boeken gelezen heeft, of zijn column in Glot International. Smith kan dingen schrijven als: "The eminent philosopher Dagfinn Føllesdal reports that "my parents taught me the semantics of 'it is raining' by rewarding me for saying 'it is raining' when, in their opinion, it was raining." Most people's childhood is rather different". Allebei die zinnen zijn zo onweerstaanbaar grappig dat je alleen al daarom dit boek op ieders nachtkastje zou willen leggen. McGilvray geeft een veel diepzinniger filosofische verhandeling, en Uriagereka leidt goed in tot het minimalisme, maar wie op een begrijpelijke manier kennis wil nemen met Chomsky's gedachtewereld, zowel op taalkundig als op politiek terrein, en over het mogelijk verband daartussen, kan zich het best wenden tot Ideas and Ideals.


[Dit nummer]