| 9912.25 |
|
|
|
9912.27 | Vorig Miniatuurtje |
|
|
|
Volgend Miniatuurtje |
|
Col: 9912.26
Date: Wed, 22 Dec 1999 16:05:43 +0100
Linguïstisch Miniatuurtje LXV: Dicteejury maakt zich er weer vanafIk ben een ellendige lafbek. Verblind door een te competitieve instelling heb ik mijn principes verloochend en een foutloze spelling laten prevaleren boven grammaticale correctheid. Het gebeurde tijdens het Nationaal Dictee, waar ik weliswaar slechts in de huiskamer aan deelnam, maar dat doet niets af aan het principe.Het geldt misschien een beetje als een taalkundig taboe om mee te doen aan een dictee, maar dat lijkt me de ethiek van het vak wat te ver doorgevoerd. Akkoord, spelling heeft weinig met taalkunde te maken, maar net zo min als je een mediëvist de recreatieve genoegens van het klaverjasspel zou onthouden, moet je ook de syntacticus zo'n verzetje misgunnen. Ik durf zelfs te beweren dat het verband tussen een spellingspel en de syntaxis groter is dan dat tussen klaverjassen en de mediëvistiek. Spellingkwesties kunnen wel degelijk aanleiding geven tot interessante syntactische speculaties. De overwegende kritiek op het Nationaal Dictee is dat het zo vol zit met allerlei toevalligheden in de Nederlandse spelling, en zo weinig een beroep doet op regelkennis of reflectie op de spelling als systeem. Maar tegelijkertijd maakt dit het Dictee zo aantrekkelijk als spelletje: omdat geen mens nou eenmaal alle uitzonderingen, en anderzijds iedereen in principe elke uitzondering kan leren, blijft de dicteemaker een bijna absolute autoriteit en kan iedere deelnemer beter zijn dan een ander. Niemand haalt de nul fouten, maar iedereen kan het beter doen dan zijn buurman. Toch - en ik zeg daar uiteraard volmondig bij: gelukkig! - bevat het Dictee ook altijd spellingproblemen waarbij wel een strategie moet worden gevolgd die verder gaat dan het opzoeken van een woordbeeld in een mentaal lijstje. Deze kwesties kunnen heel goed taalkundig interessant zijn, en je zou van de dicteemakers mogen verwachten dat ze juist hierover goed nadenken. Helaas krijg ik de indruk dat ze dit niet doen. Dicteemakers verlaten zich al te gemakkelijk op de woordenlijsten zonder zich te bekommeren om een fatsoenlijke verantwoording. De spellingkwestie waar ik hier op doel is in deze rubriek al eens aan de orde geweest: het betreft het aan elkaar spellen van werkwoorden en partikels. Het concrete voorbeeld zit in de bijzin 'maar maakten zich nochtans niet met een jantje-van-leiden ervan af'. En natuurlijk is het probleem niet gelegen in de ongetwijfeld belangwekkende spelling-zonder-hoofdletters-en-met-koppeltekens van het woord 'jantje-van-leiden', maar in het los dan wel aan elkaar spellen van de woorden 'er()van()af'. Over deze kwestie gaat mijn miniatuurtje van oktober 1996 (http://www.neder-l.nl/archieven/miniatuurtjes/961003.html ). Daar stel ik - ik vat even samen -, dat we taalelementen alleen aan elkaar zouden moeten spellen als ze samen een woord vormen. Nou zijn er twee duidelijke gevallen van splitsbare taalelementen die we toch als een woord zouden kunnen beschouwen als ze naast elkaar staan: de voornaamwoordelijke bijwoorden (zoals 'er()van'), en de scheidbaar samengestelde werkwoorden (zoals 'in()peperen'). Problematische gevallen zijn er - zo constateerde ik al - natuurlijk ook: de achterzetsels ('de garage in rijden'), en de achterzetselachtige aanvullingen bij voorzetselconstructies ('naar iemand toe lopen'). In beide gevallen is de neiging groot om het achterzetsel in het werkwoord te incorporeren en dus ook aan het werkwoord vast te spellen. Mijn conclusie indertijd was dat we hier met een syntactische constructie te maken hadden die we in de zin als woord ervaren, maar die dat eigenlijk niet is. Als ik dat miniatuurtje uit 1996 nog eens doorlees, dan zie ik dat ik de suggestie wek dat ik achter de heersende praktijk sta om in deze gevallen de partikels aan de werkwoorden vast te schrijven. Maar dat is niet zo. Ik kan vaststellen dat veel mensen 'toelopen' en 'inrijden' schrijven, het lijdt voor mij geen enkele twijfel dat in bovenstaande voorbeelden sprake is van het werkwoord 'lopen' en niet 'toelopen' en van 'rijden' en niet 'inrijden'.
Vervang je dus de achterzetselconstructies door voornaamwoordelijke
bijwoorden, dan moeten die naar mijn mening aan elkaar: 'erin rijden'
en 'ernaartoe lopen'. Immers, als 'toe' bij het voornaamwoordelijk
bijwoord hoort en er geen sprake is van een werkwoord 'toelopen', kan
de spelling 'ernaartoe' wel beargumenteerd worden en 'toelopen' niet.
Het woordje 'toe' kan dus best van het werkwoord gescheiden worden. Anderzijds staat 'toe' altijd wel onmiddellijk naast de voorzetselconstructie. Onmogelijk is 'daarnaar zijn we toe gelopen' of 'dit is de fiets waar we naar huis mee toe moeten rijden'. Als 'toe' niet bij de voorzetselconstructie hoort en wel bij het werkwoord, hoe moeten we deze verschijnselen dan verklaren? De overeenkomst met het dicteevoorbeeld zal inmiddels duidelijk zijn: 'De jury zou zich niet met een jantje-van-leiden ervan moeten afmaken' is onjuist, evenals 'Dit is het knoeiwerk waar de jury zich ervan mee af heeft gemaakt'. Het moet zijn: 'Dit is het knoeiwerk waar de jury zich mee ervanaf heeft gemaakt', en eventueel zelfs: 'Dit is het knoeiwerk waar de jury zich ervanaf mee heeft gemaakt'. Het partikel 'mee' kan dus wel achter de richtingsbepaling, maar niet tussen 'ervan' en 'af'. Als 'af' dan bij 'maken' moet horen, waarom kan het dan niet in alle gevallen naast 'maken' blijven staan, maar moet het wel naast 'ervan'? De feiten zijn overweldigend, de conclusie onontkoombaar: 'af' hoort bij 'ervan' en niet bij 'maken'. Dat is ook te beredeneren vanuit de generatieve grammatica: volgens de huidige opvattingen zou deze constructie immers geanalyseerd moeten worden als het werkwoord 'maken' met small clause. Naar analogie van '[iets kapot] maken' krijg je dan '[zich ervanaf] maken', waarbij 'ervanaf' het predikaat is bij het subject 'zich'. De andere mogelijkheid, een speciaal werkwoord 'afmaken' met een small clause '[zich ervan]' is om twee redenen bizar: 'afmaken' komt met geen enkele andere small clause voor, en de small clause '[zich ervan]' combineert met geen enkel ander werkwoord. De small-clauseanalyse laat van de spelling 'afmaken' geen spaan heel. Maar wat is dan de reden dat de dicteejury laconiek opmerkt dat 'ervan' en 'af' los moeten worden gespeld omdat hier sprake is van het werkwoord 'afmaken'? Dat komt, beste lezer, omdat de dicteemakers niet hebben doorgedacht, maar alleen opgezocht. In het Groot Woordenboek van Van Dale staat immers het lemma 'afmaken' opgenomen met de omschrijving 'zich van iets lastigs, of onaangenaams vrijmaken, maken dat men ervan afkomt, ervan bevrijd of ontslagen raakt'. Deze betekenis geldt natuurlijk alleen in de combinatie met een voorzetselconstituent met 'van' en een reflexief pronomen: 'zich van iets afmaken'. Ik kan die redenering overigens wel volgen. Van Dale ziet 'af' naar analogie van 'vrij' als een resultatief predikaat met een prepositioneel object 'van iets': '[zich [[van iets] af] maken'. Ik vraag me echter af of dit de juiste analyse is. Immers, het object bij 'vrij' is optioneel, bij 'af' zou het verplicht zijn. Bij 'vrij' staat het object bij voorkeur erachter ('Ik ben eindelijk vrij van vooroordelen'), bij 'af' is deze volgorde vreemd. 'Ik ben eindelijk van mijn vooroordelen af' is beter dan 'Ik ben eindelijk af van mijn vooroordelen'. Is dat laatste niet gewoon fout? Maar er zijn overtuigender argumenten: als 'ervanaf' het predikaat is in de small clause, dan is dat predikaat directioneel. Directionele predikaten combineren met de aspectuele werkwoorden 'komen' en 'gaan': 'Ze ging van hem af' of 'Ik kom er niet vanaf', maar niet 'Ik kom/ga ervan vrij'. Directionele predikaten komen voor bij modale hulpwerkwoorden: 'ik wil/moet naar huis' maar niet 'ik wil rijk'. Zo ook 'Ik wil/moet ervanaf' en niet 'Ik wil ervan vrij'. Het werkwoord 'helpen' kun je met een small clause verbinden, maar alleen als het predikaat directioneel is: 'Ik hielp hem uit de puree/naar huis/de trap op'. Volgens verwachting krijgen we dan ook 'Ik hielp hem ervanaf' en niet 'Ik hielp hem ervan vrij'. Conclusie: 'ervanaf' is een predikaat dat prima spoort met andere directionele predikaten, en 'ervan vrij' is dat niet. In elk geval wordt door de handelwijze van de dicteejury een regelkwestie gereduceerd tot een opzoekprobleem, met ongrammaticaal resultaat. Misschien willen we dat graag, maar dan kunnen we net zo goed meteen de regels afschaffen. En dan nog moeten we de evidentie negeren. Maar wat was dan eigenlijk mijn frustratie? Welnu, een dag eerder was ik op de Van Dale website deze kwestie al tegengekomen, ook nog in nagenoeg dezelfde bewoordingen. In een internetdictee stond de passage 'maakte zich er duidelijk niet met een jantje-van-leiden van af', waarbij 'vanaf' niet aan elkaar gespeld mocht worden. Uiteraard was ik het hier niet mee eens, maar bij het echte dictee kende ik dus het standpunt van Van Dale, en spelde ik, tegen mijn eigen opvatting in, 'ervan af'. Alleen maar om een foutje minder te hebben. Kan een mens dieper zinken? Peter-Arno Coppen
|