|
Col: 0001.14
Date: Sun, 16 Jan 2000 15:46:42 +0200
From: Marc van Oostendorp <Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl>
Subject: Col: 0001.14: Column Marc van Oostendorp: NederNed, no. 34:
Een digitale ivoren toren voor de
geesteswetenschappen
NederNed, no. 34: Een
digitale ivoren toren voor de geesteswetenschappen
Heerste er vijf jaar geleden in ambtelijke kringen nog vooral
desinteresse en cynisme over alles wat met het Internet te maken had,
ineens is digitialisering een buzzword. Een eerzaam onderzoeker kan
de straat niet op, of hij wordt besprongen door een ambtenaar die hem
wil overhalen een database samen te stellen. Dan moet je pas echt op je
hoede zijn. Nu heeft het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen van NWO
weer een nota doen uitgaan, onder de titel Een Digitale Bibliotheek
voor de Geesteswetenschappen. Dat is heel verheugend, zou je denken.
Tot je die nota daadwerkelijk begint te lezen.
In de inleiding wordt hoog van de toren geblazen. Er moet een virtuele
digitale bibliotheek komen voor álle geesteswetenschappen
én voor de cultuur. Wat de zin van die combinatie van
vakgebieden is wordt niet duidelijk gemaakt. Uit het rapport blijkt
vooral dat de digitale wensen van onderzoekers in de verschillende
geesteswetenschappen minstens evenveel van elkaar verschillen als van
onderzoekers in allerlei andere disciplines. Een database voor taal- en
spraaktechnologie heeft voor een theoloog evenveel waarde als de
gegevens van de Hubble-telescoop. Aan de andere kant zou een
sociolinguïst wel eens heel vruchtbaar gebruik kunnen maken van de
gegevens uit een sociologische database. Het heeft, kortom, behalve om
ambtelijke redenen, weinig zin om de Geesteswetenschappen digitaal bij
elkaar te zetten zonder na te denken over de onderlinge verbanden, en
die met andere onderzoekers.
De opsteller van de nota heeft ook weinig oog gehad voor de
veranderingen die het Internet echt teweeg kan brengen -- dat
iedereen met iedereen heel gemakkelijk kan samenwerken; de mensen van
het onderzoek met de mensen van de cultuur, de mensen van de archieven
met de mensen die om zogenaamd oneigenlijke redenen geïnteresseerd
zijn (laten we zeggen om de eigen familiegeschiedenis na te speuren).
Volgens deze nota moet er met niemand buiten het officiële
academische onderzoek samengewerkt worden; de onderzoekers van de
universiteiten moeten alles zelf doen, en ook vooral verder niet
nadenken over de manier waarop het onderwijs of het grote publiek iets
aan al hun materiaal zou kunnen hebben. "Educatieve projecten en
projecten voor het grote publiek kunnen [...] beter niet met
onderzoeksprojecten gecombineerd worden, tenzij speciaal rekening
gehouden wordt met de wensen van de onderzoekers", stelt de nota, en
vervolgt: "Onderzoeksprojecten op basis van digitaal materiaal bieden
wel een interessant uitgangspunt voor het opzetten van educatieve
projecten en publieksprojecten." Met andere woorden, als anderen
eventueel de door de onderzoekers bijeengebrachte Verzamelde Werken van
Jacob van Maerlant -- een project dat in deze nota zo vaak genoemd
wordt dat je de indruk krijgt dat dit er in ieder geval wel zal
komen -- willen gebruiken om iets aan scholieren of aan het brede
publiek te vertellen, mogen ze hun gang gaan. Maar vraag dit alles niet
aan de onderzoeker.
Die onderzoeker stelt in de beslotenheid van zijn digitale ruimte een
wetenschappelijk verantwoorde editie samen ten bate van zijn collega,
zonder zich erom te bekreunen dat precies hetzelfde materiaal met een
paar filters gemakkelijk geschikt kan worden gemaakt voor andere
geïnteresseerden, terwijl dit niet eens ten koste hoeft te gaan
van de wetenschappelijke kwaliteit van zijn bestanden. De nota is er
zoals gezegd zelfs expliciet tegen dat de onderzoeker zoiets
vernieuwends doet. Zoals de nota ook geheel voorbijgaat aan het feit
dat mensen zonder doctorandusdiploma soms op het Internet dingen doen
waar je als onderzoeker iets aan hebt, al is het maar als
onderzoeksobject. Ik heb zelf een verzameling links naar websites in
streektalen gemaakt, die materiaal biedt voor bijvoorbeeld onderzoek
naar verschillen in dialectattitude tussen regio's. Ook dat valt niet
binnen de door NWO goedgekeurde activiteiten. 'Een digitale ivoren
toren voor de Geesteswetenschappen' was een betere titel voor de nota
geweest.
Wie geïnteresseerd is in sterrenkunde kan via Internet de
prachtigste onderzoeksresultaten op zijn scherm krijgen: foto's, uitleg
over projecten, rapportages. Voor een belangrijk deel wordt die
voorlichting gedaan door de onderzoeksinstellingen zelf. Wie vorig jaar
ineens geïnteresseerd raakte in het werk van de Nederlandse
natuurkundigen 't Hooft en Veltman, kon daar in een mum van tijd een
heldere uitleg over krijgen -- op de pagina's van 't Hooft. In die
vakken is het kennelijk niet nodig om een enorme barrière te
leggen tussen de leek en de vakman. Waarom zou dat dan in de
geesteswetenschappen wel moeten?
Er zijn meer lacunes aan te wijzen. Bepaalde respectabele vakgebieden
in de Letteren ontbreken bijvoorbeeld volledig of nagenoeg volledig. Zo
krijg je de indruk dat met 'taal en spraak' vooral 'taal- en
spraaktechnologie' wordt bedoeld, en dat er in ieder geval gekozen is
voor het moderne Nederlands. Andere talen komen nauwelijks aan de orde,
maar ook dat er misschien wel eens taalkundigen geïnteresseerd
zouden kunnen zijn in corpora van teksten van voor de twintigste eeuw,
is de notaschrijver ontgaan. Zo iemand zou namelijk meestal meer baat
hebben bij een redelijk omvangrijke collectie met allerlei soorten
teksten van allerlei soorten auteurs en dat is wat we volgens de nota
nu net niet moeten hebben. (De Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant
zijn vooral voor allerlei soorten onderzoek natuurlijk heel geschikt,
maar nu net niet om een doorsnede van het Nederlands uit Jacobs tijd te
krijgen.)
Bovendien ontbreken er heel wat toepassingen die een digitale
bibliotheek zou kunnen hebben. Bijna alle aandacht gaat uit naar het
verzamelen van primaire bronnen -- corpora en databases. Er wordt
gesuggereerd dat de komst van deze bronnen van de geesteswetenschappen
pas échte wetenschappen zullen maken: "De inmiddels klassiek
geworden uitspraak 'de bibliotheek is het laboratorium van de
geesteswetenschapper' krijgt daarmee voor het eerst een reële
betekenis". Maar veel onderzoekers hebben helemaal geen behoefte aan
overstelpende hoeveelheden materiaal -- zelfs de informanten voor
de nota zélf bleken over het algemeen al die digitale middelen
belangrijker te vinden voor het vakgebied als geheel dan voor hun eigen
onderzoek. Toch hebben die onderzoekers baat bij elektronische
middelen, bijvoorbeeld als publicatiemedium. Een belangrijk
communicatiemiddel als Neder-L wordt (voor zover ik kan nagaan) nergens
genoemd, noch de gedachte dat er misschien depots van (ongepubliceerde)
artikels, en dat er geredigeerde digitale tijdschriften zouden moeten
komen.
Zoals er ook geen aandacht wordt besteed aan het gebruik van het
Internet zélf als onderzoeksobject voor mensen die belang
stellen in allerlei aspecten van de moderne taal en cultuur. Moeten er
geen goed geannoteerde lijsten komen van primaire en secundaire bronnen
die nu al buiten de digitale ivoren toren zijn opgebouwd? Moeten
sommige websites niet ergens gearchiveerd worden, zodat hun materiaal
niet verloren gaat als de eigenaars het bijltje erbij neergooien?
Moeten er geen digitale instrumenten worden ontwikkeld om het Corpus
Internet te kunnen bestuderen? Op dat soort vragen gaat de nota niet
in. De 'digitale bibliotheek' van NWO is goed beschouwd een heel gewone
bibliotheek die toevallig gedigitaliseerd is zodat je er snel in kan
zoeken. Met een stevige muur eromheen, zodat niemand naar binnen kan
die niet minstens een doctoraaldiploma van de juiste faculteit op zak
heeft. Een echte visie op het wezen van de digitale ruimte, en de
veranderingen in denkwijze die deze voor de onderzoeker meebrengt (de
geïnteresseerde leek kan als het ware elke dag op je vingers
meekijken; je kunt heel makkelijk gebruik maken van materiaal dat
anderen voor je verzamelen, maar er moet een standaard bedacht worden
voor de manier waarop dat soort verrijkingen worden opgeslagen; het
grote woelige Internet zélf zou wel eens een belangrijk
onderzoeksobject kunnen worden voor contemporain onderzoek; enzovoort)
ontbreekt.
Ach, zou je kunnen denken. Er wordt toch in ieder geval geld in
digitalisering gestoken? En iedereen zou toch al heel blij zijn als in
ieder geval die editie van Van Maerlant er is? Daarmee is toch niets
verloren? Ik zou heel blij zijn met die digitale Van Maerlant. Maar
volgens mij is ook deze nota weer een gemiste kans: weer heeft niemand
zijn nek durven uitsteken, weer is er geen visie ontwikkeld. De
desinteresse en het cynisme zijn er in ambtelijke kringen en bij de
meeste onderzoekers nog steeds. Al zijn ze door de hype wat ondergronds
geraakt.
Marc van Oostendorp oostendo@euronet.nl
Dr. E. Viskil. Een digitale bibliotheek voor de geesteswetenschappen.
Aanzet tot een programma voor investering in een landelijke
kennisinfrastructuur voor geesteswetenschappen en cultuur.
NWO-Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen, december 1999.
|